Ik draag dit stuk op aan alle planten die noodgedwongen elders moesten overleven. Opdat we ooit jullie oorspronkelijke namen weer horen en in ere herstellen en we jullie dan zien voor wat jullie echt zijn.

Een paar dagen voor de tweede lockdown bezocht ik de Hortus Botanicus in Amsterdam, een plek waar ik minstens een keer per jaar kom uit liefde voor en nieuwsgierigheid naar planten.

Ik heb me altijd thuis gevoeld in botanische tuinen. Het thuisgevoel komt door de fascinerende of herkenbare planten die ik zag. Planten die bij mijn grootmoeder op haar dakterras stonden, planten die groeiden als afscheidingen en heggen op het landgoed van mijn overgrootouders, planten en bomen waar ik vruchten uit plukte als kind, planten die mijn grootmoeder gebruikte als we ziek waren, planten tegen het boze oog, planten die onmisbaar waren voor de bijen, geurende planten en planten die werden gerookt. In de botanische tuinen resoneert mijn lijf altijd op een manier die mij te boven gaat. Naast dat ik een warm gevoel ervaar, moet ik toegeven dat ik me er ook een beetje ongemakkelijk voel, ik voel me zelfs vreemd, net als die planten, stel ik me zo voor. Ik betrap mezelf erop dat ik mijn bezoek altijd op een rustig moment plan om andere bezoekers te vermijden, alsof ik alleen met de planten wil zijn om ze te zien en te verstaan.

Ik word treurig van een cactus die heel klein en eenzaam op een namaakrots de afwezige zon zoekt terwijl ik weet hoe hoog ze kunnen worden in hun natuurlijke omgeving, bij oma aan de voet van de Atlas. Het exposeren van exoten raakt me diep. De rubberboom in een plantenbak in de kou, een dadelpalm die nooit vrucht zal dragen, de olijf die wetenschappelijk ingekaderd wordt. Het is een beetje alsof mijn familieleden naakt ingelijst worden en met nieuwsgierige ogen worden bewonderd door vreemden. Dat is het ongemak dat ik voel wanneer ik daar met vreemden loop die verbaasd kijken en quasiwetenschappelijke dingen zeggen over die planten.

Nee, dat is geen vreemde kleur van de absintalsem, dat is shiba, de remedie tegen kou, elke zichzelf respecterende Marokkaanse winkel heeft dit kruid in december en januari tussen de munt en de koriander liggen. En nee, dat is geen christusdoorn maar natuurlijk prikkeldraad tegen vreemde katten, die ook nog eens het hele jaar door mooi bloeit. In een kas staat een piepkleine Argania spinosa, ik heb ze nog nooit zo klein en teer gezien in mijn leven. Dat is targant, de grootmoeder der bomen. Eens per jaar halen we een deel van de oogst van het platteland, bomen die al eeuwen op de grond van mijn grootvaders en moeders staan. Een tajine zonder argan is als eten zonder zout voor mijn familie. En nee, het is geen vrucht van Barbarije, nee, het is een krachtige vrucht die maag- en leverkwalen geneest en het evenwicht herstelt in je verteringsstelsel. De vijgenbomen zijn door, jawel, Hugo de Vries zelf geplant. In die tuin van mijn grootouders stonden op zijn minst vier soorten vijgenbomen, tazarien. Elke soort had vruchten met een eigen smaak, kleur en vorm. Behalve dat ze een groot deel van mijn dagelijkse voedsel in de zomer vormden, waren de bomen ook meesters in het voorzien in schaduw door hun geweldig grote en stevige bladeren. Maar ik was niet de enige, ook slangen en schorpioenen zochten de koelte. Met z’n allen lagen we daar zonder elkaar in de weg te zitten. De groene slang verstopt in de boom, de schorpioen in een holletje in de stenen muur en ik op de grond.

Veel planten die in botanische tuinen staan, zijn in ons geval ooit met de VOC-schepen als exotische sier- en specerijenplanten uit verre oorden, de kolonies, meegenomen met de handel in c.q. roof van grondstoffen, mensen, dieren en planten. Zo zijn vele van onze exotische maar ook alledaagse planten in Nederland terechtgekomen, zoals de tomaat en het afrikaantje, die van oorsprong geen Afrikaan maar een Zuid-Amerikaan is. Niet zelden waren deze planten en specerijen zelfs de spil van zeer grote economische belangen, denk aan het monopolie op nootmuskaat en de genocide op de Banda-eilanden, 90 procent van de bevolking moest het ontgelden om ruimte te maken voor die kostbare noot, die in die tijd alleen maar daar groeide.

In januari 2020 bezocht ik in Framer Framed de geweldige expositie On the Nature of Botanical Gardens, die een mooie hedendaagse kijk gaf op de effecten van kolonisatie en de relatie met de donkere kant van de botanische tuinen. ‘Planten kunnen worden beschouwd als levende archieven die ons inzicht bieden in historische leemten, subversieve verhalen en collectieve trauma’s. De handel en uitwisseling van planten, de totstandkoming van botanische beschrijvingen en de formulering van classificatiesystemen is sterk beïnvloed door de historische en politieke machtsstructuren,’ aldus curator Sadiah Boonstra.


Wat mij het meest raakt is niet het feit dat deze planten uit hun natuurlijke omgeving zijn ontvreemd, of de manier waarop, maar de namen die ze hebben gekregen en het feit dat ik deze namen óók hanteer.

Tot op de dag van vandaag spreekt men over de ontdekking van een plant of diersoort. Ontdekking? Deze levende wezens of organismen bestaan vaak al miljoenen jaren in hun natuurlijke habitat en de lokale mensen kennen en gebruiken deze planten en leven met ze samen. Hoe kunnen ze ineens ontdekt worden door een Heinrich Claudius (Duitse apotheker en arts) of Georg Everhard Rumphius (VOC-koopman en natuurliefhebber)? Ze waren nieuw voor de kolonisten, maar dat betekent niet dat ze toen pas door de mensheid werden ontdekt. Hierin ligt een cruciale misvatting die nog steeds bestaat. Nee, we ontdekken niets, we komen achter het bestaan van planten en dieren die Europeanen niet eerder kenden. Wat we zogenaamd ontdekten gaven we vaak een nieuwe naam. Dat is het probleem, want met die nieuwe naam wordt het bestaan ervan tot dat moment, de geschiedenis, betekenis en naam die het al had in een andere cultuur, ontkend, afgesneden en ontkracht. Deze nieuwe namen vertellen ons meer over de superieure visie en houding van de ontdekkers (en impliciet dus van het hele koloniale project).

De geschiedenis is tenslotte geschreven door mannen die de macht hadden om hun overwinningsverhalen op te (laten) schrijven.


Piet Retief-broodboom, Biesiekraanvoël, Wandering Jew, Kretenzische dadelpalm, Oost-Kaapse broodboom, Tasmaanse boomvaren, Natal beestong, paarse schrijfcactus, blind prickly pear, kleiaalwijn, Sekelblaarplakkie, Lotte’s kussenbromelia, Sandsteenvygie, Eve’s pin cactus, schoonmoedersstoel, monk’s hood, bisschopsmuts, Vetmensie, voetangel, parapluplant, Alexandrapalm, bitterblad, dancing girl ginger, floss-silk tree, creeping ox-eye, Queen Sago, yesterday today and tomorrow, haaklelie, drakenbloedboom.

Het is tijd dat we de geschiedenis van de gewone en gemarginaliseerde mens, dier en plant opnieuw vertellen, schrijven en een naam geven, want naamgeving is bestaansrecht verlenen en woorden zijn nog steeds wapens.

Nisrine Mbarki (1977) is schrijver, dichter, literair vertaler en programmamaker. Ze schrijft poëzie, theaterteksten en korte verhalen. Ze vertaalt uit het Arabisch naar het Nederlands. Haar werk verschijnt regelmatig in literaire tijdschriften als De Gids, Tirade en Poëziekrant. Ze neemt het stokje over van Persis Bekkering, die de afgelopen twee jaar de Kroniek & Kritiek schreef.

Meer van deze auteur