Dichters krijgen de meest vreemde verzoeken. Het afgelopen jaar werd ik onder meer benaderd om ‘een ode aan de met uitsterven bedreigde albatros’ te schrijven, ‘iets prikkelends voor de opening van een vergadering over de aow’ en ‘een serie over de aanleg van de tweede Maasvlakte’. Je kunt gelukkig weigeren. Maar soms is dat niet mogelijk. Omdat je degene kent die het vreemde verzoek doet, of omdat je diegene graag zou willen kennen. Omdat er een vergoeding tegenover staat. Of omdat je de lijst reeds benaderde dichters zo indrukwekkend vindt, dat je er graag op zou staan.
Ik verstop me achter een ‘jij’. Een stevige jijboom stel ik me voor, met uitwaaierende je- en jijtakken, waarachter niemand mij hoort of ziet.
Mensen verschuilen zich graag achter de jijboom, wanneer ze het moeilijk vinden iets over zichzelf te vertellen.
Een uitzondering op dit gebruik wordt gevormd door voetballers. Zij spreken altijd over zichzelf in de tweede persoon. Anton Korteweg laat in het gedicht ‘Vreemde man’ uit de bundel Tussen twee stilten (1982) zien hoe dat gaat:

Dwalend op voetbalschoenen en in rood en wit,
straat in, straat uit, huilend: je moet
tegen Benfica in het Parc des Princes
en hebt nog een kwartier, krap – dat gevoel
dat ken je toch? En dat er dan ineens
iemand die ook die kant op moet je bij je naam
roept – Johan dus –; je stapt snel in en droogt
je tranen, hij geeft gas en rijdt
glimlachend de andere kant op – dat gevoel.

Wat ik moeilijk vind om over mezelf te vertellen: ik laat me te gemakkelijk verleiden tot het schrijven in opdracht. De uitnodiging hoeft maar te openen met een compliment en ik heb al toegezegd.

Toen ik een brief kreeg waarin Anna Enquist me vroeg een gedicht te schrijven bij het afscheid van Anton Korteweg als directeur van het Letterkundig Museum hoefde ze me niet eens een compliment te maken. Ze schreef me vanuit haar functie als voorzitter van de Vriendenvereniging van het Letterkundig Museum. Maar ik liet me verleiden door Enquist de dichter.
Ik hoorde haar tijdens een Nacht van de Poëzie een gedicht voorlezen over een foto van een voetballer. Deze man heeft zijn mond geopend als de muil van een woest dier. Het is niet duidelijk of hij schreeuwt in triomf of van pijn. Een beeld dat mijn hoofd is binnengedrongen.
Ik vind het een wonder dat dit mogelijk is: woorden, uitgesproken door een kalme stem, vormen een beeld in mijn gedachten dat zich daar nestelt als een eigen herinnering. Ik zie de gang waarin de foto hangt. Ik zie de zweetdruppels die als een kroon van licht om het hoofd van de voetballer spetteren, al geloof ik niet dat Enquist melding maakte van zo’n kroon.
Het hoofd schreeuwt de pijn uit van de dichter. Ze heeft de voetballer gebruikt als jijboom.

Maar wat een onmogelijke opdracht! Het afscheid van een directeur, die mijn directeur nooit is geweest. Wat heb ik daarmee te maken? Korteweg blijft Korteweg de dichter, van wie we nog lang geen afscheid nemen. Wat moet ik hiermee? vroeg ik me af.
Zwakte van de geest – een mengeling van ambitie en bewondering – deed mij zwoegen op een gedicht dat een afscheid moet voorstellen dat een afscheid weigert te zijn. Zoals elk afscheid een toenadering maar ook een weigering is.

Ik bleek niet de enige die zich graag aan de lijst reeds benaderde dichters zag toegevoegd. Werkelijk elke dichter die ik ooit een fatsoenlijk gedicht heb zien maken, was uitgenodigd. De bundel die hiervan werd samengesteld, was bedoeld als persoonlijk geschenk aan Anton Korteweg. Alleen hij en de dichters die zich hadden laten verleiden tot het schrijven in opdracht, en een enkele medewerker van het lm, zouden dit project onder ogen krijgen.
Ik las een bizarre verzameling gedichten. Een enkel gedicht kwam me bekend voor. (Er is geen afspraak die bepaalt dat je voor opdrachten niet een al bestaand gedicht kunt inleveren. Als de verzoeker er niet uitdrukkelijk bij vermeldt dat hij een nieuw werk verwacht, kun je eindeloos recyclen. Misschien is er wel een gedicht dat op alle vreemde verzoeken van toepassing is. Als het nog niet bestaat, is het een poging waard dit te maken.)
Ik kreeg het idee dat het eeuwig zonde zou zijn als de verzameling niet openbaar gemaakt zou worden.
Ik begon anders naar de gedichten te kijken.
De gedichten gaan wel en niet over Anton Korteweg. De dichters schrijven wel en niet over zichzelf. Uiteindelijk heb ik het persoonlijke aspect van het geschenk aan Korteweg, dat het nu juist zo mooi maakte, moedwillig aangetast, omdat ik zag dat dit project aan het strikt persoonlijke ontstijgt.
Ik zag zo veel manieren om afscheid te nemen, zo veel manieren om toenadering te zoeken. En zo veel manieren om te weigeren het bij een afscheid te laten.
Afscheid is een ruimte die je naar eigen believen kunt inrichten. Je kunt er beloven dat je elkaar zult blijven zien. Je kunt er een feest geven, en zeggen dat je nooit meer terugkomt.

Korteweg zelf weigert afscheid te nemen, terwijl hij afscheid neemt in een gedicht, ‘Op mijn praesenium’ (uit de bundel Ouderen zijn het gelukkigst, 2009). Ik hoor het hem voorlezen. Onderkoeld, met een scherpzinnige ironie waar zijn persoonlijkheid van gonst.
De wanhoop is groot. Maar de zelfrelativering, als mens en als dichter, is minstens even groot. Het hele gedicht leidt naar de dood. Daar is niets aan te doen. Je kunt lachen om het feit dat deze man zichzelf – vanachter een jijboom – een oude en geen ouwe lul noemt. Dat maakt hem nog ouder dan hij al was.

Ondertussen zijn de beelden waarlangs je naar de dood afglijdt als objecten, scherp afgetekend en glashelder.

Ik raak ze stuk voor stuk aan:

Een smaller wordende weg,
een alleenstaande oude eik,
een herfstblad in de wind,
een platgereden egel,
een achtergebleven glas,
een speeltuin in de regen.

Waarom is iets niet wat het is
maar moet het zo nodig verwijzen
en dan nog als ’t kan naar de dood?

Het antwoord weet je best –
je bent een oude lul.

Ik wil Anton Korteweg namens De Gids bedanken voor het delen van zijn geschenk met onze lezers. Dank komt ook toe aan gastredacteur Sjoerd van Faassen, Hoofd Collecties van het Letterkundig Museum, die het interview van Ad Fransen met Korteweg en de artikelen van vijf biografen over hun werk met de archieven van het museum initieerde.

Anton, tot ziens!

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verscheen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur