Beste Michaël Zeeman,

Als ik je goede vriend en biograaf Willem Otterspeer mag geloven, was je een ‘vakman, handelaar, sjacheraar, reiziger, dief, droombrenger, herdenker, manipulator, snel en slim, ongrijpbaar en welsprekend, vechter en verzoener, “met opzet door Zeus voortgebracht om de schepping af te maken”’. In zijn biografie In alles ben ik groot schetst hij het beeld van een gepassioneerde intellectueel en beroepsprovocateur met een scherp gevoel voor humor die door vrouwen, ruzies en schandalen werd achtervolgd. Kortom: een echte schelm.
Je past zo in het rijtje met andere beruchte ‘mediamannen’ als Jan Blokker, Theo van Gogh, Hugo Brandt Corstius en Ischa Meijer. Jullie domineerden het culturele klimaat van de twintigste eeuw, schrijft Marja Pruis in De Groene Amsterdammer (‘Dit was hem blijkbaar’, 25 oktober 2025). Ik zou Anil Ramdas aan dat rijtje willen toevoegen. ‘Erudiet ja, maar ook te vol, te luid, te veel spatsies, ongeremd in en ongegeneerd over alles,’ aldus Pruis. Deze mannen boezemden ‘ontzag en angst’ in. Schelmen waren het, stuk voor stuk. Het is een noemer die Pruis niet gebruikt, maar die toch zeker van toepassing is. De kans dat ze vandaag de dag gecanceld zouden worden, is groot.
Zou het een uitstervend type zijn? En is dat erg? Dat weet ik niet. Ook ik ben niet ongevoelig voor de charmes van de schelm. Toch wegen die meestal niet op tegen zijn vervelende eigenschappen. Zijn hang naar avontuur legt het vaak af tegen zijn ego. Hij is scherp en vilein; gevoel voor humor heeft hij zeker, maar eigenlijk altijd ten koste van de ander. (Wie zong ook alweer treiterig op de redactie van de Volkskrant, op de wijs van Liever Kips leverworst…: ‘Liever Kutzwagerman dan gewone Zwagerman’?). De schelm overschat zichzelf. (Ook het grootste deel van jouw oeuvre bleef ongeschreven.) Hij is het charmant soort man dat vrouwen gijzelt met al te boude stellingen, sterke verhalen en geestige anekdotes. Meestal worden die begeleid door een grensoverschrijdend klef handje op je knie of onderrug. Maar op een gegeven moment blijft er van zo’n donjuan niet veel meer over dan een vage schittering in zijn troebele ogen bij de herinnering aan zijn streken van weleer, en een paar vijanden in café De Zwart, die zich in net zo’n rap tempo terugtrekken als zijn haarlijn. (Godzijdank is dat lot je bespaard gebleven!) Of denk je dat ik de schelm tekortdoe als patriarchaal cliché en hem te veel vereenzelvig met een bepaalde generatie mannen in de literatuur en media? Kortom: Is de schelm nog te redden? Of is hij een achterhaald archetype?
Hoe komt het eigenlijk dat vrouwen zelden dit predicaat krijgen? Vrouwen die zich verzetten tegen de heersende normen worden vaak weggezet als heksen, loeders, hoeren of feministen. Zijn er onder hen ook misverstane schelmen?’Heb ik wel begrepen wat een schelm is?’ hoor ik je uitroepen, terwijl je met een vuist op de speciaal voor jou verhoogde tafel slaat, waar alle lezers in ons gezelschap zich als dwergen omheen hebben verzameld. Weet je hoeveel verschillende gedaantes die kan aannemen? Een dergelijke aanmoediging is precies wat ik nodig heb! Daarom klop ik bij jou aan, Zeeman. Aan wie kan ik mijn pen beter scherpen dan aan een echte schelm? Om deze vragen te kunnen beantwoorden zullen we in de geschiedenis van de schelm moeten duiken.
De eerste schelmenroman is Lazarillo de Tormes, geschreven in het Spaans door een anonieme auteur. Het boek werd direct na publicatie in 1554 een groot succes. Aan het woord is Lazaro, een typische antiheld, afkomstig uit een slecht milieu. Met het nodige gevoel voor ironie schetst hij zijn levensloop. Als jonge jongen gaat hij in de leer bij een blinde kwakzalver, een agressieve oplichter die hem slecht behandelt en vaak slaag geeft. Uit wraak laat hij hem tegen een zuil aan lopen, om er vervolgens vandoor te gaan, niet wetend of de man nog in leven is of niet. 
We volgen zijn kruimelcarrière als hulpje van geestelijken, koopmannen en politieagenten: alle bevolkingslagen komen voorbij. De hypocrisie en kleingeestigheid van zijn meesters zijn stuitend. Uiteindelijk vindt Lazaro zijn geluk bij een vrouw die al verschillende kinderen van andere mannen heeft. Ze zeggen dat ze een vrouw van losse zeden is, maar wat dan nog? Hij houdt van haar en daar gaat het om. Voor de goede zeden hoeft de lezer bij de mannelijke schelm niet aan te kloppen.
‘Picareske romans presenteren een hoofdpersoon die een wereld doorstaat die chaotischer is dan wat een mens normaal gesproken kan verdragen, maar die dichter bij onze eigen wereld (of bij de geschiedenis) staat dan de werelden van satire of romantiek,’ aldus Ulrich Wicks (The Nature of Picaresque Narrative. A Modal Approach, 1974). Andere kenmerken zijn volgens Wicks dat schelmen­romans zijn geschreven vanuit de eerste persoon, die uiteenvalt in een verteller en een ik die de gebeurtenissen ondergaat. De geboorteomstandigheden van de schelm zijn vaak ingewikkeld, de schelm ondergaat meerdere initiaties met groteske of verschrikkelijke incidenten. In een handomdraai ondergaat de schelm een metamorfose of verandert hij van rol.
Naast romans over de picaro, de mannelijke schelm, wonnen vanaf begin zeventiende eeuw ook romans over de picara — de vrouwelijke schelm — aan populariteit. Volgens Ann Daghistany (‘The Picara Nature’, in Women’s Studies, volume 4, 1977) heeft de picara een unieke positie in de literatuurgeschiedenis: De picara is engel noch moederfiguur, maar ze voldoet ook niet aan de eigenschappen van stereotiepe slechte personages als de sirene, de moordenares of de kwaadaardige getrouwde vrouw. Ze is een buitencategorie die zich minder makkelijk laat beschrijven dan de picaro.
Haar oorsprong ligt in de klassieke oudheid. De eerste picara is het personage Quartilla uit Satyricon (66 na Christus) van Petronius. Deze Romeinse schelmen­roman draait om het mannelijke hoofdpersonage Encolpius. Quartilla is een aanhanger van de god Priapus. Samen met een paar dienstmeisjes overmeestert ze Encolpius en zijn gezelschap als die proberen de geheimen van haar geloofscultus te ontrafelen. Seksuele martelingen zijn hun straf en Quartilla neemt enthousiast deel aan een orgie. Ze presenteert zich als een listige en seksueel uitbundige vrouw.
Het bekendste voorbeeld van een vrouwelijke schelm is waarschijnlijk Moll Flanders uit The Fortunes and Misfortunes of the Famous Moll Flanders (1722) van Daniel Defoe. Moll wordt geboren in de Newgate-gevangenis in Londen als dochter van een ter dood veroordeelde crimineel en groeit op in een pleeggezin. Als ze als huishoudster gaat werken, worden beide broers uit het gezin verliefd op haar, en uiteindelijk trouwt ze met de jongste. Met hem krijgt ze twee kinderen. Als hij overlijdt, gaat ze ervandoor en laat ze de kinderen bij haar schoonfamilie achter. We volgen de avontuurlijke Moll, die een spoor van huwelijken en kinderen achterlaat, terwijl ze zich bekwaamt als dievegge. Uiteindelijk belandt ze in dezelfde gevangenis als waar ze ter wereld is gekomen. Aan het einde van de roman toont ze berouw om het immorele leven dat ze heeft geleid. Hier is dus wel sprake van een verhaal met een moraal.

Picaro’s en picara’s hebben veel gemeen, betoogt J.A. van Praag in Handelingen van het Filologencongres (1935): ‘Zij zijn van lage afkomst, en vaak niet-arisch.’ Maar de avonturen van de oorspronkelijk Spaanse picara’s zijn in tegenstelling tot die van de picaro’s eerder geënt op romantiek dan op die van de klassieke verhouding tussen hulpje en meester. Ook ziet hij dat picara’s over het algemeen wat sympathieker zijn, minder tegenslag hebben dan picaro’s en meestal goed terechtkomen. Ook speelt armoede een minder bepalende rol. In tegen­stelling tot dat van de mannelijke picaro is het financiële en maatschappelijke lot van de picara nauw verbonden met haar seksualiteit. ‘Zij maken gebruik van hun schoonheid en zij speculeeren op het medelijden van den man. Hun slachtoffers zijn veelal antipathiek, in hoofdzaak vrekken, oude schuinsmarcheerders en spilzieke studenten, meestal vreemdelingen. Zij krijgen hun verdiende loon en de pícara fungeert in zekeren zin als wreekster der maatschappij,’ schrijft Van Praag. Kortom: de picara verhoudt zich als hoedster van de moraal tot mannen, de amorele picaro verhoudt zich tot zijn meesters. Hij verzet zich niet tegen sociaal onrecht, maar probeert gewoon zijn eigen hachje te redden. Zij is verantwoordelijk voor de opvoeding, terwijl hij de goedgebekte vrijbuiter en charmante oplichter uithangt.
In de zeventiende en achttiende eeuw verspreidde de picareske roman zich vanuit Spanje naar West-Europa. Hoewel de eerste schelmenroman officieel van 1554 dateert, zien we dat de mannelijke schelm als karakter al eerder zijn intrede deed: denk aan Van den Vos Reynaerde (1257–1271) van Willem die Madoc Maecte of Tijl Uilenspiegel (± 1500), in romanvorm gegoten door Charles de Coster in 1867. Andere bekende schelmenromans zijn Don Quichot (±1600) van Miguel de Cervantes, Oliver Twist (1838) van Charles Dickens, Dik Trom (1891) van C.J. Kieviet en De blikken trommel (1959) van Günter Grass. Inderdaad, het zijn de mannelijke schelmen die in West-Europese literatuur de overhand hebben, Zeeman. 
Otterspeer schrijft in In alles ben ik groot: ‘Onze helden: Faust, Don Quichot, Don Juan, Robinson Crusoe. Maar wat wist je eigenlijk als je die leeslijsten had afgewerkt?’ Tja, eigenlijk niet veel meer dan dat de focus in de Renaissance op het Europese mannelijke individu lag. Hoewel je zelf niet vrij was van seksistische leeshoudingen (en een voorkeur voor mannelijke auteurs aan de dag legde), was je ook een hartstochtelijk pleitbezorger voor minder denominaties en meer culturele diversiteit. In 2000 zei je bij de opening van het academische jaar in Groningen: 
‘Als Cultural Studies iets duidelijk maakt, dan is het wel dat de cultuur en haar canon stoutmoedige uitwassen zijn van diepgewortelde autoritaire, imperialistische of ronduit koloniale behoeften en pretenties.’
Hoewel de picareske roman een Europees verschijnsel was, betekent dat niet dat er geen picaro’s in bijvoorbeeld Afrikaanse verhalen aanwezig zijn. Wat te denken van de listige spin Anansi? Dergelijke figuren zijn lang geduid als ‘oplichter’ in plaats van als schelm. Is dat terecht, vraagt Robert Cancel zich af in ‘The Rogue in African Literature: Trickster or Pícaro’ (in: Journal of the African Literature Association, 2025). Denk je niet dat het cultureel perspectief van de lezer mede bepaalt wie als schelm te boek staat, Zeeman? Ik vermoed dat racistische en seksistische vooroordelen hierbij een grote rol spelen.
De achttiende-eeuwse schrijver en feminist Mary Wollstonecraft (1759–1797) bijvoorbeeld mag dan niet onder de noemer ‘schelm’ de geschiedenis in zijn gegaan, eerder als ‘vogelvrijverklaarde’, maar haar levensloop toont wel zeer picareske trekken. Ze groeide op in Londen met een geldverkwistende en zeer gewelddadige vader. Op negentienjarige leeftijd ontvluchtte ze haar ouderlijk huis om gezelschapsdame van een weduwe in Bath te worden, wat ze verschrikkelijk vond. Haar afhankelijke positie frustreerde haar: als arme maar betamelijke ongehuwde vrouw waren haar carrièreperspectieven beperkt. Daarom besloot ze op een gegeven moment om alles op alles te zetten om schrijver te worden. Dat was een gewaagd en ongebruikelijk voornemen voor een vrouw van die tijd. Ze vond een baan als assistent van een liberale uitgever. Ook leerde ze Frans en Duits, zodat ze als vertaler aan de slag kon.
Ik hoef jou natuurlijk niet te vertellen over haar baanbrekende boek Thoughts on the Education of Women (1787), waarin ze vrouwen stimuleerde om zich intellectueel te ontwikkelen. Of Vindication of the Rights of Men (1790) — een reactie  op Edmund Burkes conservatieve pamflet Reflections on the Revolution in France (1790) — waarin ze haar liberale ideeën over de Franse Revolutie uiteenzette. Twee jaar later verscheen haar bekendste pamflet: A Vindication of the Rights of Woman (1792). Hierin komt ze op voor gelijke rechten voor vrouwen en benadrukt ze het belang van onderwijs, zodat ook vrouwen een volwaardige rol in de maatschappij kunnen spelen. Ze zal, kortom, een vrouw naar je hart zijn geweest, Zeeman! Ook door progressieve intellectuelen van haar tijd werd het pamflet enthousiast ontvangen, maar door conservatieven werd ze verguisd. Alle ophef zorgde er echter voor dat het boek direct een bestseller werd.
Wollstonescrafts avonturen in de liefde waren minder fortuinlijk. Ze had net als jij een grote aanleg voor liefdesdrama. De mannen op wie ze verliefd werd waren bezet of onbetrouwbaar. In 1793 raakte ze in Parijs (ongehuwd) zwanger van de Amerikaanse avonturier Gilbert Imlay. Na de geboorte van hun dochter Fanny ging hij ervandoor. Toen ze hem twee jaar later opzocht in Londen, wees hij haar af. Ze was kapot van verdriet en deed een zelfmoordpoging met gif. Imlay zou haar hebben gered. Ook een tweede poging, waarbij ze zichzelf probeerde te verdrinken in de Theems, slaagde niet, omdat een voorbijganger haar zag springen en haar uit het water haalde. Daarop besloot ze dat ze dan maar door moest leven. Een hartstochtelijke liefdesrelatie met politiek filosoof William Godwin, met wie ze ook trouwde, bracht het geluk weer terug in haar leven. Dat was van korte duur, want negen dagen na de geboorte van hun dochter Mary Shelley (auteur van Frankenstein) stierf ze aan complicaties bij de bevalling.
Wollstonecraft verzette zich tegen de maatschappelijke norm en leefde buiten die norm: ze leidde een (intellectueel) afwisselend bestaan met de nodige amoureuze (in de ogen van anderen ‘zedeloze’) avonturen, ze daagde de macht uit en ze veranderde meermaals van rol. In haar pamfletten schuwt ze ‘ik’ en de persoonlijke anekdote niet. Dus wat denk je, Zeeman, mag Wollstonecraft worden opgenomen in het rijk der schelmen? Ik vind van wel.
Maar hoe zat het met de minder ambitieuze achttiende-eeuwse meisjes en vrouwen uit eenvoudige milieus die net als Wollstonecraft weleens op reis of op avontuur wilden? Zij moesten andere listen bedenken. Denk aan ‘meisje loos’ uit het gelijknamige liedje, waar heel verschillende versies van bestaan, zoals beschreven in Onder de Groene Linde, verhalende liederen uit de mondelinge overlevering (1991). Zij vermomde zich als matroos om mee te kunnen varen.

Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen, die wou gaan varen,
Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen voor zeematroos

Natuurlijk breekt het moment aan waarop zij haar werk niet goed heeft uitgevoerd en naar de kajuit van de kapitein wordt geroepen voor een pak slaag. ‘Zij sprak: Kapteintje, sla mij niet, Ik ben een meisje, ik ben een meisje’. In plaats van een pak slaag krijgt zij ‘iets anders’ van het Kapteintje.

Eer het schip nog was aan wal
Had ze een jonge, had ze een jonge,
Eer het schip nog was aan wal
Had ze een jonge matroosje al.

Wat een tragiek! Ze begint als avonturier op zee, maar eindigt aan wal als gevallen meisje met een kind. Verkracht door de kapitein, maar dat woord werd niet gebruikt. Zo zwaar worden de andere matrozen niet gestraft. Toch denk ik dat ‘meisje loos’ een belangrijke rol speelt in de verbeelding van de ‘vrouwelijke’ schelm. En Zeeman, wat te denken van de jonge ‘genderbending’ dichter Orlando? ‘ Hij — en er viel niet te twijfelen aan zijn geslacht, hoewel de mode in die tijd ertoe bijdroeg dit te verhullen — stond juist gereed het hoofd van een Moor te klieven dat aan de hanenbalken bengelde,’ luidt de openingszin van Virginia Woolfs speelse roman Orlando (1928). Een paar hoofdstukken later bekijkt Orlando zichzelf in de spiegel en terwijl hij zich kortstondig terugtrekt in de badkamer, ‘kunnen wij niet ontkennen dat Orlando een vrouw was geworden. […] Orlando was tot zijn dertigste een man; toen werd hij een vrouw en dat is sedertdien gebleven.’ Daar voegt Woolf nog vrolijk aan toe dat we de hele kwestie van sekse en seksualiteit beter aan anderen kunnen overlaten: ‘wij stappen zo gauw mogelijk van zo’n gruwelijk onderwerp af.’ Ondertussen draait de hele roman om het spanningsveld tussen het mannelijke en het vrouwelijke. De onweerstaanbare Orlando reist door het eigen lichaam en door de eeuwen heen. Hij is gezant aan het hof van Constantinopel, trekt op met zigeuners en dicht, zij trouwt in Londen en wordt moeder van een zoon. Orlando leidt een avontuurlijk bestaan, hij is voortdurend in beweging, in transformatie, en daarmee ongrijpbaar: de ultieme ontsnappingskunstenaar. Een echte schelm en misschien wel een sleutelfiguur voor de hedendaagse schelmenroman. Tot op de dag van vandaag zijn gender en seksualiteit terugkerende thema’s in schelmenromans over niet-mannelijke schelmen. Denk bijvoorbeeld aan Fanny (1980) van Erica Jong, over de avonturen van de achttiende-eeuwse Fanny die probeert uit te vinden hoe ze als vrouw moet overleven in een mannenwereld, of de autobiografische roman Sinaasappels zijn niet de enige vruchten (1985) van Jeanette Winterson over de avonturen van een wees die opgroeide bij godsdienstfanatici en ontdekt dat ze op vrouwen valt. De hoofdpersonages kunnen niet anders dan feminist zijn, want om zich als een schelm te kunnen gedragen moet zij/die zich van de gendernormen ontdoen. Maar niet iedere feminist is een schelm. Dat is een kwestie van stijl. Spot en gevoel voor ironie kleven de schelm aan. Een echte schelm kan het niet zonder gevoel voor humor stellen, want wat zijn diens streken dan nog waard? Daar weet jij alles van, Zeeman.  Ook Tobi Lakmaker heeft dat goed begrepen. ‘Eigenlijk heb ik overal naast gezeten. Naast de jongens en naast de meisjes, naast het juiste antwoord en nog belangrijker: naast de juiste vraag,’ schrijft Lakmaker in zijn onverschrokken  romandebuut De geschiedenis van mijn seksualiteit (2021). Verteller Sofie buitelt van het ene in het andere seksuele avontuur met jongens en later met meisjes. Lakmakers cynische ondertoon, scherpe gevoel voor humor en doorzichtige pogingen bekende mannelijke schrijvers als ‘Sufferd D.’ en ‘de Griezel’ te ontmaskeren, maken van dit debuut een onvervalste schelmenroman. Net zoals Overgave op commando (2025) van Nadia de Vries. Schelvis — het is onduidelijk of we met een mannelijke of vrouwelijke verteller te maken hebben — is net zoals in de vroege picareske romans van ‘lage komaf’, dat wil zeggen: afkomstig uit een kansarm eenoudergezin uit een dorp aan de kust. De verteller probeert zijn /haar / hun lot te ontvluchten en trekt de wijde wereld (Amsterdam) in. Schelvis ontmoet stadbewoners die doen alsof ze de jonge vluchteling willen helpen, maar zich ontpoppen als kwaadaardige opportunisten en wrede oplichters. Met sardonisch genoegen schetst De Vries de werdegang van Schelvis. Wie goed om zich heen kijkt, ziet schelmen in alle soorten en maten. Ik denk aan de Franse schrijver en feminist Virginie Despentes, die haar picareske levensloop met veel gevoel voor humor beschreef in haar manifest King Kong Theory (2006), schrijver en columnist Marian Donner, die onder meer het Zelfverwoestingsboek (2022) schreef (dat getuigt van een zeer schelmse inborst) en misschien ook de pottenbakkende travestiet en schrijver Grayson Perry, die zowel in zijn boeken als in zijn keramische kunstwerken de spot drijft met de kleinburgerlijke moraal… Is de schelm achterhaald? Welnee. De schelm is onverwoestbaar. Ik zie je grijnzen, Zeeman, en om de een of andere reden schiet mij nu ook het beeld van jou verkleed als Xandra Schutte te binnen. Een vrolijke foto in Otterspeers biografie toont hoe jij met krulletjespruik en rood gestifte lippen op de presentatie van haar essaybundel Maskerade (1999) verscheen. Crossdressing en maskerade behoren immers tot het arsenaal aan streken van de schelm. Natuurlijk ben je niet dood, je bent ontsnapt.

Met schelmse groet, Dieuwertje

Ben Clark

Dieuwertje Mertens (1983) is schrijver en criticus. Ze schrijft onder meer voor Het Parool, Trouw en Vrij Nederland. In mei 2026 verschijnt haar tweede roman, Kiefers hand.

Meer van deze auteur