Begin november stond de verontruste echtgenote bij Louise aan de deur. ‘Ik wil weten wat er gaande is.’ Misschien verdiende ze een eerlijk antwoord, maar ze werd belogen met een verhaaltje over vriendschap.

Bij het afscheid omhelsde ze Louise. Je bent een prachtmens, zei ze, en: Ik vertrouw je. 

Louise vond zichzelf geen prachtmens. Ze wist dat de andere haar best deed, met van die plechtige formules, om te bezweren wat onafwendbaar was.

De sms van een uur later was aandoenlijk: Winter, spring, summer or fall, all you have to do is call.

Misschien lag het aan de Gordon Scotch. 

Louise hield niet van Carole King.

Ze had Noël in oktober ontmoet op een jazzconcert. Een kennis met een extra ticket had haar uitgenodigd, een Klara-presentator. En hoe het concert was? Ze zou het niet kunnen zeggen, ze was erg afwezig die dagen. Tijdens de pauze was de presentator zijn muzikale voorkeuren aan het opsommen, genres die ze vaag kende, namen die ze niet kende, live-uitvoeringen in metropolen. Noël klampte hen aan, betaalde een rondje, nam de conversatie over en toen hoefde ze niet meer te knikken en enthousiast te doen.

Want ook Louise deed immer haar best. Toen ze nog getrouwd was bijvoorbeeld, superlatieven voor de poetsvrouw (oogverblindende ruiten, machtig opgeblonken kranen),lofzangen voor haar man (oorverdovende retoriek, machtig opgeblonken pleidooien). 

Tegen zoveel lof is niemand bestand.

De poetsvrouw nam lange koffiepauzes en rookte sigaretten in de woonkamer. 

Op een dag zei haar man dat hij een andere vrouw had. Een vrouw die hem voor uitdagingen stelde. 

Louise moest verhuizen naar een appartement. Ze nam twee weken ziekteverlof om het in orde te brengen. Ze begreep niet wat haar overkwam. Voor hun dochter werd co-ouderschap geregeld. De scheiding aanvechten was zinloos; van het advocatenkantoor Lucien Mourin kon je niet winnen.

Toen ze terugging naar haar werk stonden die eerste dag telefoongesprekken op het programma. Dat stuk cursus had ze ooit zelf opgesteld, voor de grap vertrouwde namen in de dialoogjes verwerkt. 

Pourriez-vous me passer monsieur Mourin? en in het meer familiaire register Je voudrais parler à Lucien. 

Maar de receptioniste zei niet Ik verbind u door. Ze zei Hij is er niet. Je suis désolée, il n’est pas là pour l’instant. 

En in die klas onder de neonlampen begreep ze plots dat er geen thuis meer was, geen plek om te schuilen tegen programma’s, vergaderingen en gangen; dat hij haar niet meer wou, ­Lucien Mourin. 

In huilen uitbarsten voor een groep studenten was gênant. Sommigen vluchtten de klas uit, een klein groepje kwam rond haar staan, een meisje gaf voorzichtige schouderklopjes. Een student ging een Mars halen uit de automaat, voor haar. Toen vroegen ze Gaat de les nog door, mevrouw. En mevrouw zei Neen.

In de trein at ze de Mars op. Doorheen de wagons ritselde het nieuws van de dood van een zanger. Een meisje uit zijn geboortedorp was aangedaan, hij kocht vroeger brood bij haar moeder. Er werden liedjes beluisterd. Dat was de maandag van de mislukte telefoongesprekken, de Mars en de dode zanger.

Louise ging vroeg naar bed en keerde de volgende dag terug naar school. Ze kreeg een ticket voor een jazzoptreden.

Een week na het concert belde Noël ‘s ochtends bij haar aan. Toen de lift op de derde verdieping stopte, verwelkomde ze hem zenuwachtig en raapte in de hal spullen van haar dochter Lucy op: een turnbroek, een sok, een atlas. Ze droeg een geruite pyjamabroek en een slodderig T-shirt en toen ze zich bukte, zag hij haar borsten.

Noël was al lang op zoek, hij zag overal signalen, tekens, voorboden. De ontmoeting in De Werf was zo’n teken geweest, en nu haar borsten, en vooral haar verwarring.

Ze dronken koffie en hij sprak over poëzie en declameerde een paar verzen van Pessoa. Op straat kreeg ik een glimlach die het toeval me gaf. Hij was eindredacteur bij een uitgeverij die biografieën van Belgische biljarters, voetballers en cyclocrossers publiceerde, maar verkoos ­poëzie.Je hebt trouwens een mooie glimlach, zei hij. Een mooie glimlach en prachtige krullen. Dat had hij gemerkt die avond van het concert, maar ook daarvoor, toen hij haar met een vriendin zag voorbijfietsen. Hij woonde twee straten verder.

‘Ik heb nu een intellectueel aan mijn been,’ zei Louise tegen haar psychiater.

‘Dat ben jij toch ook?’

Maar Louise was het niet zeker, een lerares Frans is niet per definitie een intellectueel. Haar lievelingscollega las nooit een gedicht.

De aandacht van Noël doorbrak de verdoving waar ze haar dagen in doorbracht. Meer dan een boswandeling op donderdagvoormiddag had Noël niet te bieden, meer kon hij niet bedingen thuis. Hij maakte duidelijk dat hij zijn gezin niet zou verlaten, zijn vrouw en twee dochters, daar mocht geen twijfel over bestaan.  

Hoe een gezin kan leven en ademen en betekenen, de eigen anekdotiek en het eigen taalgebruik, het lichaam met de vertrouwde littekens, hij was er fier op. 

Misschien wou hij Louise jaloers maken met dat gezinscredo, maar ze was niet jaloers; op die momenten had ze alleen maar heimwee naar haar eigen man en hun bed, naar het huis waar ze ooit een plaats had, naar de varens in de tuin en de dode bladeren op de terrassen. Naar de oogverblindende ruiten. 

Sinds haar scheiding was ze een litteken zonder lichaam. Lucy bracht de meeste tijd door bij haar vader, met de nieuwe vrouw, in het mooie huis. Noël maakte het draaglijker.

Maar het duurde niet lang of hij wou de zoete gezinsadem ontvluchten. Als seizoenen zo voorspelbaar zijn de mensen.

Dan had hij het over keurslijf of gevangenis. Een mooi gedekte tafel werd een lege vitrine, een avond met vrienden een avond verveling, een kinderziekte een hindernis, een gezinsuitstap verloren tijd.

Zijn vrouw was bang geworden. Zij was het die de gespreksavonden organiseerde.

‘Waarom,’ zei Gwen, ‘zou ik er niet bij mogen horen?’

Die eerste ontmoeting met Louise had haar niet helemaal gerustgesteld. En zo zaten ze met drie rond de tafel, de tafel van Louise. Gwen wou het niet bij hen thuis, voor de kinderen. Gemiddeld twee keer per maand, ook dat hing af van Gwen, van haar angsten en observaties.

‘Ik ben hun relatietherapeut,’ zei Louise tegen haar psychiater. ‘Ik denk dat ze zich vervelen.’

Ruth van Beek

Wat Gwen en Louise van elkaar wisten, was onduidelijk, Noël hield zijn werelden gescheiden. Het was Gwen die de donkere zone aftastte. ‘Hoe zijn jullie wandelingen?’ vroeg ze telkens opnieuw aan Louise. ‘Zijn het mooie wandelingen? Is Noël een goede gids?’De antwoorden bleven beperkt tot natuurverschijnselen en bosfenomenen (drie eekhoorns, tien centimeter sneeuw, een perceel gehakte naaldbomen). Gwen incasseerde of trok ten strijde (de saunamiddag met Noël, het kinderfeestje met Noël als indianenopperhoofd, de onverwachte ruiker). Gezinsgeluk als wapen. Soms was het moeilijk voor Louise om de vijandigheid te weerstaan.

‘Ik word erin geduwd,’ zei Louise tegen haar psychiater, ‘ik voel me erin rollen.’ 

‘Misschien verveel jij je ook,’ antwoordde hij.

De allianties wisselden. Heel soms plaagden Gwen en Louise in vrouwelijke eensgezindheid Noël (‘Hij kan niet tegen oud worden’ – ‘Ik weet het’), maar meestal vertelden Gwen en Noël over hun gezamenlijke geschiedenis terwijl ze aan elkaars rug en handen pulkten (‘Ik heb haar hand gevraagd aan haar vader’ – ‘Ja, dat was een magisch moment’). Zij zaten naast elkaar, Louise tegenover hen. De alliantieNoël-Louise was ontoelaatbaar.

‘Het zijn exhibitionisten,’ zei Louise tegen haar psychiater. ‘Ik ben hun publiek.’

En bij elke samenkomst klonk hetzelfde zinnetje, de mantra van Gwen, soms met nadrukkelijk brandende ogen (Alleen as zal overblijven), soms achteloos terwijl ze haar mantel dichtknoopte bij het afscheid: Als het fysiek wordt, is hij me kwijt, ben je me kwijt. Met drie spreken is moeilijk. En niet alleen door de persoonlijke voornaamwoorden. Waar Gwen zo bang voor was, had zich reeds lang voltrokken. Maar ze knikten met uitgestreken gezichten dat ze het goed begrepen hadden, dat het zeker niet fysiek mocht worden. Noël keek zelfs een beetje verontwaardigd. Fysiek?

Was het dom of naïef van Gwen om op de solidariteit van Louise te rekenen? Eigenlijk niet, sommigen zouden het moedig noemen: de vechtende vrouw.

Maar door de echtscheiding was het hoofd van Louise moe, haar hart verhard, en haar ziel, wat viel daarover te zeggen. 

Toen Louise nog een kind was en over de ziel hoorde en het niet helemaal begreep, zag ze een kwal voor zich, een wiegende massa zonlicht weerkaatsende transparantie, sierlijke tentakels en donkere vlekken. Die zwartblauwe vlekken waren misdaden van mensen. Maar ze voelde geen schuld, geen verraad tegenover Gwen. Op het strand van Zeebrugge schopte ze een kwal tot geleiachtige brokken.

‘We zijn getrouwd,’ zei Gwen op een van de avonden, ‘en dus ben ik nummer 1. Je kan niet een vrouw hebben en daarnaast een beste vriendin.’ Noël repliceerde met Delen en Generositeit. Terwijl Louise hapjes maakte in de keuken, brak er ruzie uit omdat Gwen een sjerp van Noël zag liggen op het salontafeltje. ‘Wat doet die sjerp hier, ik heb hem gebreid, het was een kerstgeschenk, Een Kerstgeschenk! Wat gebeurt hier allemaal?’     

De uitbarsting was heftig.

‘Maar ga naar huis,’ riep Louise geschrokken, ‘ga toch naar huis allebei, Gwen heeft gelijk.’

Ze dacht Vriendschap. Liefde. Delen. Generositeit. Grote woorden, Grote woorden. En dat het allemaal zo groots niet was wanneer Noël met zijn koersfiets in de lift stond (een gestolen moment, niet volgens afspraak).

Nadien vond Louise een schelp op haar hoofdkussen. Die had hij daar gelegd toen hij naar de wc ging. Toen was ze weer vertederd. 

De volgende dag kreeg ze een mail van Gwen met excuses.

Inmiddels was het co-ouderschap van Louise verwaterd tot weekendopvang. Zelfs dan kon ze het moeilijk opbrengen, die verveling zonder vluchtroute, alleen in een appartement met het kind.

Op een avond in februari, na het rampzalige Valentijnsweekend van Gwen en Noël, werd na amper twintig minuten tafelzitten besloten dat Noël en Louise voorgoed afscheid moesten nemen. Dit afscheid ging gepaard met een innige doch strikt vriendschappelijke omhelzing, onder toezicht van Gwen. Die een uur later snikkend bij Louise aanbelde omdat Noël nu zo kwaad was en een gehaktschotel tegen de keukenmuur had gegooid, en geschreeuwd had dat hij nooit zonder Louise zou kunnen. En Gwen zei dat ze aan ‘The Winner Takes It All’ van ABBA moest denken. Wat zal er van ons worden. Tien minuten later stond Noël voor de deur, hij kwam Gwen halen, hij had spijt van wat hij gezegd had, en van de gehaktschotel. Louise haalde twee pakjes lamsfilet uit de diepvries. Hij kuste haar in de keuken en nam zijn vrouw mee naar huis. Haar triomfantelijke glimlachje stond Louise niet aan. De twee vrouwen kusten niet.

‘Gwenoël is zo gierig,’ zei Louise tegen haar psychiater. ‘Ik moet altijd voor de drank zorgen en nu ben ik ook mijn lamsfilet kwijt. The winner takes it all?’ 

Een andere keer stond Gwen op scherp en bracht Noëls zwakheden ter sprake.

Hoe schaamteloos hij gedanst had met een airhostess. Gwen stond erop te kijken en iedereen sprak er schande van.

Zijn paniek wanneer er gedurende een week geen bezoek kwam.

Dat hij ooit verliefd was op Charlotte ­Rampling.

Waarom hij geen kinderen wou, maar Gwen haar wil toch doorgedreven had.

De haarfles, de fles met haar, de fles waarin hij zijn haar verzamelde. Ja, je hoort het goed, Louise, je dacht dat je alles wist, hè, maar wat weet je eigenlijk, het haar dat de kapper afknipt en Noël dan meeneemt naar huis in een plastic zakje, en in een fles duwt. VIND JE HET OOK RAAR?

Hoeveel moeite het hem gekost had om zijn eerste liefje te vergeten, hoeveel moeite het Gwen gekost had om hem zijn eerste liefje te doen vergeten. Wás hij zijn eerste liefje wel\
vergeten?

Het werd Noël te veel, hij stormde naar buiten. Gwen liep hem achterna. Louise legde een plaat van Tom Waits op en dronk een paar glazen wijn. Die haarfles was een nieuw gegeven, stemde tot nadenken.

‘Hoe heet dat fenomeen en wat betekent het,’ vroeg ze aan haar psychiater. ‘Is het van dezelfde orde als pis of teennagels bewaren?’ De psychiater zei dat hij het moest opzoeken. Dat antwoord deed Louise twijfelen aan zijn com­petentie.

‘Vergeet je kind niet,’ zei hij ook nog.

Ondanks Gwens pogingen tot sabotage – een dringende klus, boodschappen – kwam de Wekelijkse Wandeling zelden in het gedrang.

‘Spreken jullie dan voortdurend over Proust,’ vroeg Gwen.

‘Ja, en over Montaigne,’ zei Noël.

Proust? Montaigne? Het was april en Louise knielde achter de esdoorns. Hij woelde in haar krullen, klemde haar hoofd vast, ramde tot diep in haar keel. Mijn schat in rood en groen, mailde hij achteraf, want ze droeg die dag een rode wollen jas, en had rode wangen van de kou. Groen waren haar ogen, en het bos.

Vroeger ging hij met mij wandelen, zei Gwen. Het bos was van ons. Het gras was bevroren en we hoorden een specht; we zagen de eerste lisdodde in de beek. We zochten de namen op van de bloemen – herderstasje, ereprijs, ooievaarsbek. We herkenden de bomen, we hadden elk een boom die we de onze noemden. Soms namen we de kinderen mee. Het was geluk.

Die avond vond Louise niets op haar hoofdkussen. We zijn schandalige leugenaars, sms’te Noël, we zijn in overtreding, ik geef mezelf een rode kaart.

Een paar dagen later liep Louise hem tegen het lijf in de supermarkt. Zijn dochters waren verlegen. De oudste had het in de gaten. Een mooi kind met grijsblauwe ogen in een gevoelig gezicht. Onder die blik voelde Louise zich een bedrieger. Ze dacht aan haar eigen kind. Lucy had slechte cijfers. Vergeet je kind niet!

‘Ik wil niet in je ziel graven,’ zei haar lievelingscollega die dus nooit een gedicht las, ‘ik wil niet in je ziel graven, maar het is toch moeilijk voor die vrouw, misschien laat je dit gebeuren door wat er gebeurd is met jou.’

‘Jaja, ik heb het me ook al afgevraagd.’

‘We hebben heerlijk gevrijd op reis,’ zei Gwen op de eerste bijeenkomst na de paasvakantie. ‘Heerlijk, bestiaal, we waren precies op huwelijksreis. Bretagne is mijn thuisland.’ En dat ze op een artisanaal marktje een paar handgemaakte bottines gekocht had. Ter illustratie zwierde ze uitdagend een gelaarsde voet op tafel. Louise slikte de vernedering en verzweeg de hartstochtelijke Bretoense sms’en waarin Noël beloofde de knoop door te hakken. Ze dronk te veel en zei rond middernacht met onvaste stem dat Gwen vast en zeker een afstammeling was van de Kelten, dat haar piekhaar en te korte beentjes daar het bewijs van waren. En haar neus die leek op een menhir. ‘Het is tijd om naar huis te gaan,’ zei Noël, en Louise kon het glas witte wijn van Gwen nog juist ontwijken. Wit maakt minder vlekken dan rood. 

Noël sleurde zijn vrouw mee naar huis.

Achteraf vond Louise een doos galetten van Mère Poulard – à 50 pour cent/ profitez des promotions Auchan – op haar hoofdkussen. Die had hij vast en zeker vóór de ruzie gedeponeerd, want terwijl ze de wijn van de muur aan het deppen was, kreeg ze een sms, streng en koel: Mijn vrouw is me dierbaar. Ik apprecieer niet dat je haar klemrijdt.

Louise stuurde een mail waarin ze haar excuses aanbood en Gwen niet alleen een wijze ­druïde met bovennatuurlijk aanvoelen noemde, maar ook een mooie vrouw, ondanks de imperfecties.

Hierop volgde een lange stilte. 

Geen vervelende avonden, daar kon Louise mee leven. 

Geen boswandelingen, geen mails, lag moeilijker. 

Het ene gemis roept het andere op. En het andere was heviger. Haar plaats in het oude gezin; lente in de tuin die ze aangelegd had; boterbloemen in de wegel naast het huis; haar man toen hij nog hield van haar. 

Maar op een dag klonk de stem van Noël door de parlofoon; er werd hevig verzoend. 

En ze kwamen weer samen met drie. 

Gwen was koel, op haar hoede. Ze droeg nu hoge hakken en een nieuw kapsel. Is dit wat vrouwen doen met elkaar? 

In juni was Louise jarig. Ze kookte een verjaardagsmaal en kreeg zwarte fietstassen van Gwen en Noël.

‘Toch een vreemd geschenk,’ zei ze tegen haar psychiater. ‘Wat moet ik daar nu van denken. Van die postbodetassen, zo enorm en zo zwart. Ze bestaan ook in felle kleuren, met bloemen, maar die hebben ze niet willen kopen. Ze wilden iets zwarts geven. Iets vervelends, zwarte boodschappentassen om naar de Carrefour te gaan, de Colruyt. Het zal wel een idee van Gwen geweest zijn: doe maar boodschappen, Louise, moge je leven zo saai en zo zwart mogelijk zijn. Van ons krijg je geen boek, geen cd, geen bloemen, maar fietstassen voor het wc-papier en de huishoudrollen en het water en de melk en de kattenbrokken, het geeft niet dat het regent, ze zijn waterdicht. Doe maar boodschappen in de regen, wacht maar op een mail, wacht maar op een sms, Noël zit lekker thuis.’

‘Je piekert te veel, misschien moet je toch dat geneesmiddel nemen, die druppeltjes waarover ik de vorige keer sprak,’ zei de psychiater.

Gedurende de maanden juli en augustus waren geen wandelingen toegestaan en ook de avonden met drie waren opgeschort. Dat was een eis van Gwen, omdat het gezin voorging. 

Het strenge vakantieregime was te veel voor Noël: het mail- en sms-verkeer werd opgevoerd.

Eind augustus nam hij zijn intrek bij Louise. Hij verhuisde een paar dozen met boeken, kleren en andere spullen en zette zijn haarfles op een boekenplank. 

Die dag was Lucy bij haar moeder. Ze zei niets, haalde de dierenposters van haar slaapkamermuren en liet zich ophalen door haar vader.



Louise en Noël hielden het twee maanden vol.

Gwen liet niets van zich horen.

Via een vriendin vernam Noël dat ze een verjaardagsfeestje gaf, met vijftig invités. Die zaterdag in oktober nam Noël naaktfoto’s van Louise en opnames tijdens het vrijen. Ze moest wild kijken en wild met haar krullen schudden. Vijf filmpjes in totaal, maar het hielp niet. Dat zijn huis daverde van de feestvreugde zonder hem, was een ondraaglijke gedachte.

Gwen liet niets van zich horen.

In november hield Noël het niet meer uit. Hij miste hen. Zijn vrienden was hij ook kwijt, en zijn schoonfamilie, en zijn hond. Hij huilde door een liedje, hij huilde wanneer hij mensen met kinderen zag. In de wachtrij voor het Louvre bijvoorbeeld, goede gezinnen met kinderen die niet verlaten waren. 

De kerstperiode brak aan.

Op 23 december stemde Gwen in met een gesprek. Dezelfde dag ging hij terug, ook al moest hij op de bank slapen tot de dag dat zij besliste dat hij niet langer op de bank hoefde te slapen. Met doorzetting kon het in orde komen. 

Hij mailde naar Louise dat hij zijn spullen kwam ophalen de volgende dag. Kon ze kartonnen dozen voorzien en ervoor zorgen niet thuis te zijn tussen twee en vier?  

Die avond knipte Louise haar vulva kaal. Ze kreeg de glanzende haartjes met een trechter door de flessenhals. Er was geen aanzienlijk kleurcontrast, maar ze krulden meer dan de rest. Ze schudde de fles. Een klein aandenken. Wat ben ik jullie beu.

Het duurde lang voor Lucy terugkwam; veel tijd ging verloren en helemaal goed werd het niet.   

Tot op heden is daar die spijt; de donkere vlek.

Tot op heden staat de fles op de schoorsteenmantel in de slaapkamer van Gwenoël.

Louise zocht het op, het heet trichofilie.

Sarah Andrea Desplenter (1961) studeerde romanistiek aan de Universiteit Gent en was lector Frans aan de Artevelde hogeschool. Sinds 2019 publiceert ze verhalen, o.m. in Hollands Maandblad en De Gids. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman De verloren hoek en een verhalenbundel.

Meer van deze auteur