I. RUIMTEKIJKERS

En nergens een teken
van levens
en iets wat verwijst naar jou en mij
desnoods de voorstelling van een cirkel hoog hangend
bloedstollend beangstigend
transparant en stil waarin een kubus ook
penisvormig soms een vaginadriehoek met knipperlichten en
schitterend bladgoud als nog meer ogen iets
wat zwijgend spreekt van verbondenheid.
Iets wat verbeeldt:
zolang wij het licht verstaan valt geen afstand te overbruggen
tijd speelt met ons een balspel en
staat nooit stil. Onze lijven vallen niet samen met onze
gedachten salueren wij voor elkaar.
Ik wil jouw gelaat zien. De zoektocht gaat
verder. En ik schrik niet meer van jouw aanwezigheid bij
hemellichamen die worden verkend. Ik herken jou.
Ik ken je.


II. LETTERGREPEN

Lichaamstijd is beperkt als elke
ruimte. Het heelal is denkbeeldig niet ruimtelijk
geen grenzen te bekennen mogelijk
iets anders als sterven.
Wat een lichaam heeft groeit en is
object van tijd en geruisloos verval. Het universum weet niet
iets van lichamelijkheid niets van aftakeling en raakt
nimmer naakt zoals
jij en ik.
Zo is liefde een denkbeeld
opdoemend als licht dat mij eindelijk vindt
mij verhit en grenzeloos is geen houvast biedt geen
geborgenheid geen kalendertijd.
Mijn lief als een lettergreep van biljoenen
verlangens van alles en niets
weten van tot de dood
ons scheidt.


III. WATER

Zoveel tijd heb ik niet over om
jarenlang van de ene oever naar de andere
te staren. Wat oceaan was werd woordenzee en
stroomt over als rivierencrises.
Amazonebuien dagenlang bij volle maanstanden. Dan
drijft de herinnering rond
met eigen natte periodes van bloed
lekken van moederschap weigeren van maandelijks
verband leggen.
De andere kust van wat ons scheidt
zie ik liever moeder.
Jij bent daar. En zoals velen hun vermogen vergrootten
schrijf ik afstanden af tot wij opnieuw
een lichaam zijn geworden geborgen in het bekken van ons
geboorteland.
Dan ligt onze tijd stil voor eeuwen. Dan is er geen afstand. Alleen regenwolken. Oceanen. Sterrenlicht.


IV. VIEREN

Ik heb een droomhuis waar gasten
komen die ik liefheb
Tamar woont er en haar broertjes en
mijn zus met de Noordse roepnaam. Ik kom er
niet dikwijls meestal rond verjaardagen
zoals vannacht.
De zee glom als tropenhemel en ik hoorde onze
moeder lopen – ja, het is een woning met een sponzen vloer
zonder dak – aan de Noordzee bij Kijkduin.
Keuls parfum dat ik ruik komt aanwaaien in grote vlokken
zeeschuim zoals in Monkstadt op Skye. Brengt
diep geluk dat vanaf mijn navel
gloeit naar mijn tenen naar mijn kruin. En ik
ontvang verwanten.
Het is maar een zoet festijn geweest
op twee mei in Paramaribo: zo’n droom van glas
vastgeraakt op mijn tijdpad. Het Noordzeehuis woont
in mij. Niet afdrijven denk ik dan.

Astrid H. Roemer (1947) probeert al meer dan vijftig jaar taal te maken van dingen die zich niet makkelijk onder woorden laten brengen. In 2019 verscheen haar roman Gebroken wit, die door media en publiek goed is ontvangen. Nieuw is Ik ga strijden moeder, een bloemlezing van haar gedichten samengesteld en ingeleid door Koos van den Kerkhof. Momenteel verblijft de auteur in haar geboorteland Suriname.

Meer van deze auteur