Het regent. Onafgebroken. Toch is het drukkend warm, in de kamer hangt een klamme geur van mais. Of is het de geur van schimmel? Je bent nog maar half wakker, trapt de lakens van je af. Op je boxershort dansen groenspuitende ananassen en groenspuitende palmbomen tegen een knal­oranje achtergrond. 

‘Jij en je vrolijke printjes,’ zeg ik. 

Je hand, als een zwarte spin, wandelt over mijn huid.  

Hierbinnen is alles afgeleefd. Overvraagde stoelen. Een uitgeputte matras. Daarbuiten, aan de andere kant van het open raam, zie ik eindeloze schakeringen van groen. Druppend, druipend, en alles in beweging – klimmend, kruipend, hangend, staand, wuivend, slingerend, alles in bezit nemend waar het niet wordt teruggedrongen. Boombasten bruin gespierd. Of dik en puistig. En in de oksels van de vertakkingen woekert het voort, de bladeren gekarteld, gezaagd, geschulpt, geveerd, gewimperd, gegolfd, gestekeld, gevingerd. 

Ik herken enkele van mijn kamerplanten en grinnik. Zoals dat daar worden ze nooit, daar helpt geen lieve plantenspuit aan. Je vraagt waarom ik lach. Ik probeer het je uit te leggen, maar ik zie het al, het verhaal komt niet echt aan.

Vandaag zullen we naar het bos gaan. Het feest voor Oxóssi, de god van de jacht, is aanstaande en er moet groen loof komen om de tempel te versieren: geurende aroeira om op te binden langs de pilaren; grote, gespleten palmtakken voor langs de muren; stelen van de dendezeiro, uiteengepulkt tot ijle franjes die de wind zullen vangen; bladeren van de mangoboom, afgeritst om de vloer te bedekken; bossen van de São-Gonçalinho-struik, die de mensen doet dansen…  De offerdieren zullen worden geslacht – eerst de tweepotige, dan de vierpotige – en de hele dag zal er gekookt worden, in immense pannen. Geitenstoof en kippendijen. Gebakken longen. Lever met pepers. Rijst en bonen. Daarna zal het altaar worden opgetuigd: met een veelheid van vruchten, kunstig doormidden gesneden als immense, zoetgeurende bloemen, met half ontblote maiskolven, met gespleten pompoenen en kalebassen die wellustig hun zaad tentoonspreiden. Er zullen schalen worden aangedragen met bergen polenta, borden met geraspte kokos en geroosterd cassavemeel, grote kommen met schuimend bloed. Waaiers van sigaren zullen worden uitgestald op felgroene bananenbladeren. En te midden van dit alles, in een cirkel van kaarsen, zal de kop van het gehoornde offerdier worden geplaatst, versierd met trosjes druiven, veren en bankbiljetten. Het tromgeroffel zal oorverdovend zijn. Het lauwe bier zal rijkelijk vloeien. De flessen met sterke drank zullen van mond tot mond gaan. Het zal niemand aan iets ontbreken wanneer Oxóssi uit het bos komt om zich onder de mensen te begeven.



Oxóssi de jager, de god van het bos. Het is niet moeilijk te zien dat jij zijn zoon bent, zoals je daar nog ligt te soezen, je donkere huid bedrukt met de ingeweven bloemmotieven van het muskietennet. Een tanig lichaam, lange ledematen, grote grijphanden. Je gaapt, rekt je uit. Ik zie een lome boskat. Gisteren stond je erop mij te laten zien dat je vanuit stilstand een salto kan maken. Je flikflakte en buitelde over het strand. Daarna een grote grijns. Triomfantelijk. 

Ik weet eigenlijk niet of je ooit al werd genomen door Oxóssi. Je initiatie is nog niet afgerond, en spreken over de mysteriën doe je niet, dat is taboe. Maar op de terugweg van het strand meende ik een manifestatie van jouw Oxóssi waar te nemen. We zaten in mijn auto, en moesten wachten omdat een geldtransport ter hoogte van de Banco do Brasil de weg blokkeerde. Je raakte letterlijk in een staat van opwinding. Als in: hitsig. Als in: ik wil daar naar binnen. Nu. Onmiddellijk. Er verschenen kleine zweetdruppeltjes op je slapen, je neusgaten verwijdden zich. Ik zag hoe je naar je kruis greep, volgens mij had je het zelf niet eens door. Al je aandacht ging uit naar dat gepantserde voertuig, tot de nok toe gevuld met bankbiljetten, en naar het idee dat je daar, linksom of rechtsom, toegang toe zou kunnen krijgen. Je fluisterde ‘um carro forte, um carro forte’, als lag je al in de hinderlaag van waaruit je erop af zou snellen om dat pantser open te breken en je bedolven te weten onder de vloed van bankbiljetten die uit de wagen zou stromen. Nooit meer gebrek voor jou en de jouwen. Nooit meer honger.

Ook ik ben een zoon van Oxóssi. Het is mij keer op keer verteld. Zelfs wildvreemden stellen het onmiddellijk vast, op de markt, in de tempel, bij de fruitkraam, bij de kapper: jij bent er een van Oxóssi. Geen idee wat ze dan zien, als ze me zo aankijken en tot deze uitspraak komen. Niets lenigs of katachtigs, laat dat duidelijk zijn. Feit is echter dat niemand ooit een van de andere goden opperde – de wijze Oxalá, de moederlijke Iemanjá, de ijzervretende Ogum, de vurige Xangô, de bevallige Oxum of de pokdalige Obaluaê, om er maar enkele te noemen. Ook het schelpenorakel heeft inmiddels bevestigd dat mijn wezen toebehoort aan de schuwe jager uit het bos, die komt en gaat, die zich nooit zal voegen, die zich nooit zal binden, maar wiens gulle gaven uit het woud fartura brengen, de rijke kost die magen vult. En ja, nu ik dat zo opschrijf vermoed ik dat dit is wat jullie zien: een man van elders, die komt en gaat en geeft. Een gringo in een huurauto, tot de nok toe gevuld met bankbiljetten.

‘Quero te comer,’ fluister je in mijn oor. Ik wil je opeten. Alles is hier altijd lichaam.



Dat viel me gisteren weer zo op: bij het versieren van de tempel is er geen enkel overleg. Iedereen weet wat er moet gebeuren, waar het heen moet, hoe de grote feesthal er aan het einde van de dag uit moet zien. Het beeld dat eenieder voor ogen lijkt te hebben is een gestileerde versie van het woud. Inderdaad, datzelfde woud dat hier min of meer om de hoek begint, en waar we eerder het groene loof waren gaan halen, maar dan teruggebracht tot een arrangement van weloverwogen beeldcitaten.

Lucas dos Santos Pereira

Ik vroeg aan Dona Didi waarom jullie het bos eigenlijk namaken. Het bos is immers overal, je zou het feest toch ook gewoon direct in het bos kunnen houden? Ze keek me aan of ik gek was. Jij probeerde je lachen in te houden. Geen mens loopt hier zomaar het bos in. En dat wist ik eigenlijk ook wel. Gisteren nog, bij het verzamelen van het decoratieve groen, stond iedereen zo’n beetje in te hakken op de bomen en struiken in de berm van de weg. Niemand verliet het asfalt. Mijn huurauto werd angstvallig in het zicht gehouden. 

Dona Didi wist naar aanleiding van mijn vragen wél te vertellen dat een gevederde caboclo-geest eens in haar was gevaren, om vervolgens het bos in te rennen. Het was tegen het einde van een feest geweest, en hij was er samen met nog enkele andere caboclos, en een flinke hoeveelheid drank, vandoor gegaan. Herinneringen had ze er niet aan, het waren enkel haar lijf en leden die daar door het bos hadden gedoold. Maar de dag erna had heel haar huid onder de schrammen en schaafwonden gezeten, en overal had ze venijnige stekels uit haar armen en benen moeten trekken. ‘De caboclo mag altijd komen,’ zei ze. ‘Maar God verhoede dat hij me dit nog een keer flikt.’ 

Hoezeer jullie ook lonken naar het bos, en de wezens en krachten die daar huizen, jullie alledaagse houding ten aanzien van het almaar oprukkende groen is bepaald vijandig. Daarin onderscheiden jullie je nauwelijks van jullie stadgenoten. Overal wordt de woekering tegengegaan door fanatiek te hakken, te zagen, te snoeien en te wieden. In de hoofdstraat zijn de ficusboompjes met hun witgeverfde stammen tot kubussen en bollen geschoren. Eentje heeft de vorm van Mickey Mouse. De plantsoenendienst omvat een heel leger van in het groen geklede dames die er dagelijks op uit trekken om de opkomende vegetatie tussen de stoeptegels uit te krabben. Gemaskerde mannen met jerrycans op hun rug spuiten verdelgingsmiddelen in het rond. Anderen gebruiken brullende kortwiekers, om ieder bloemetje dat de kop op steekt te onthoofden. Het bos moet zijn plaats kennen. 

Zo ook in de tempel. Tijdens een recente verbouwing verving de priester, Pai Ro, de houten planken op de vloer door glanzende plavuizen. Hij koos voor witte muurtegels, strak in het gelid; en voor het koude, schaduwloze licht van spaarlampen. Alleen de lemen vloer in de grote feesthal liet hij onberoerd. Dat laatste was een opdracht van gene zijde, zei hij met een ietwat verongelijkt gezicht. Oxóssi had via het schelpenorakel laten weten niet op plavuizen te willen dansen.



Het bos moet op afstand blijven. Het bos moet binnen handbereik blijven. Tussen die moeilijk te verenigen opdrachten wordt hier al eeuwenlang gelaveerd. ‘Een land met bomen, zover het oog reikt,’ schreef Pedro Vaz aan de koning van Portugal over de nieuw ontdekte wereld. De mensen liepen er bloot in rond, ze plantten niets, hielden geen vee. ‘Ze eten slechts de wortels, zaden en vruchten die door het land en de bomen worden afgeworpen.’ In de kerken die de kolonisatoren hier vervolgens bouwden portretteerden ze zichzelf als verdwaalde heiligen in een woud van gouden ornamenten. De wind rukt aan hun stijfgolvende gewaden. Ze hebben halfgeopende monden en verschrikte gezichtsuitdrukkingen, ontzet door het schitterende geweld. God toonde zich in de nieuwe wereld als voortkrullende overdaad; een allesbezettende pracht; een extatische woekering die je belemmert bij zinnen te blijven: het vergulde acanthusblad is een grijnzend masker; uit de wijnrank ontspruit een vrouwenfiguur; zwaluwen nestelen aan de rand van een openbrekende hemel.

Niemand heeft hier ooit afscheid willen nemen van dat visioen van een onuitputtelijke tropische natuur. Zonder woekering geen weelde lijkt de onderliggende logica van het wingewest te zijn. Plant hier een zaadje en morgen heb je een boom, zei eenieder elkaar na. Meesters en slaafgemaakten, grootgrondbezitters en landlozen, rijken en armen: ze vonden elkaar in de fantasie van een natuur die enkel geeft, in overstelpende hoeveelheden. En hoezeer het bos ook werd teruggedrongen om plaats te maken voor de rechte rijen van suikerriet en koffie en soja, steeds weer wezen jullie naar het onophoudelijke bewegen van het woud. In steen gehouwen plantmotieven kruipen over de gevel van de barokke Sint Franciscuskerk. Op de babyblauwe muren van de São Gusmão barsten de cornucopias uit hun voegen, de druiventrossen, korenaren, granaatappels en maiskolven, onhoudbaar, rollen je tegemoet in sierlijke rococokrullen. Weelderige, gietijzeren bloemenkransen verlenen het monument voor de onafhankelijkheid haar belle époque-allure, ananassen en bananen sieren de hoofddeksels van Carmen Miranda, icoon van Braziliaanse sensualiteit. Varens, palmen, lianen, bromelia’s en paradijsvogelbloemen woekeren voort in gordijnen, behangpapier, meubelbekleding, beddengoed, zomerjurkjes en bermuda’s. Heel die bloemlezing van de wildernis spreekt van niet-aflatende pogingen om toegang te krijgen tot al die schakeringen van groen. 

Het visioen van de overvloed duikt niet alleen op in barok beeldspektakel. Je liet mij de stekken zien die je onlangs had geplant. Ik keek naar een rij planten in blikken en doorgezaagde plastic flessen die op een verhoging op de veranda stonden uitgestald. Ik zag met hoeveel zorg hier een esthetisch arrangement was gemaakt, hoe de stekken uit de omringende natuur waren gehaald om een sprekend contrast te vormen met het cement en kale beton van een half afgebouwde woning. Je bent er de man niet naar om over dit soort zaken te jubelen (zoals ik mijzelf hoorde doen), maar ik zag de diepe tevredenheid in je ogen die vaststelden dat de afgescheurde twijgen die je eerder in een pot met aarde had gestoken hadden geworteld en nieuwe scheuten voortbrachten. 

Je nam me mee naar het fruitstalletje van Dona Célia, daar bij de toegangsweg naar Santo Amaro. Immense jacas, met hun geelgroene reptielenhuid, manden met knalrode jambos en acerolas, oranje-gele siriguelas, vlammende cajus, bleekgroene umbus, geschubde pinhas, mango’s in alle soorten en maten, watermeloenen en bananen, cassavewortels en zoete bataten. En papaja’s, die hier mamão heten, grote tiet. En zo hangen ze er ook wel een beetje bij, aan die rare boom die ze voortbrengt. Als je er een opensnijdt zie je honderden zwartglanzende, kogelronde zaadjes in het zoete vlees. 

‘Het moet er wel aantrekkelijk uitzien,’ zei Dona Célia toen ik haar vroeg naar haar uitstalling. Van een modderige berg ongedopte pinda’s pakte ze er een paar, die ze openbrak en teruglegde, om zo de zachtroze, dicht tegen elkaar aanschurkende nootjes zichtbaar te maken. Ze zei: ‘Ik moet ervoor zorgen dat de auto’s stoppen. Je wilt niet weten hoe snel mijn fruit begint te rotten in deze hitte.’ Ik zag de bezorgde frons op haar gezicht. Ze vertelde dat ze hier al meer dan twintig jaar fruit staat te verkopen. Haar dochter had cursussen gedaan – ‘boekhouden en zo’ – maar dat leverde hier geen werk op. Dus die hielp nu maar mee met de fruitstal. En Davi – ze trok een bebrilde achtjarige naar zich toe – was haar kleinzoon. Die deed het heel goed op school. 

Ik zag hoe ze onder het vertellen haar hand achteloos door de kers-achtige acerola’s liet gaan. De vruchten rolden onder haar handpalm vandaan, vol en sappig.



Alles is hier altijd lichaam. Het verlangen genomen te worden door Oxóssi is het verlangen naar het bos, maar het is geen stil beleden verlangen, als opgewekt door een natuurdocumentaire. Of de roulerende foto’s van de Californische kust die mijn iMac automatisch uitserveert wanneer ik weer eens ben vastgelopen in mijn zinnen. Of het plaatje dat ik schoot toen ik de berg had bedwongen. Als Oxóssi je neemt sta je niet tegenover een beeld. Dan ben je een lichaam dat is vervuld met alles dat bos is. Die ervaring laat zich niet bekijken of beschrijven, al was het maar omdat je er, op dat moment, helemaal niet meer bent om zulks te doen. Geen wonder dat je zwijgt over de mysteriën.

Dona Didi, die wat loslippiger is, wilde nog wel kwijt dat niets zo gevaarlijk is als bezeten te worden door santos brutos. Dat zijn wilde geesten die nog niet geleerd hebben zich te gedragen. Wanneer je ze hun gang laat gaan veroorzaken ze waanzin, of erger, vernietigen ze het lichaam waar ze toegang toe hebben verkregen. Ze vertelde over vrouwen die bezeten raakten, en ‘met wel zes man’ in het gareel moesten worden gehouden. Vastgebonden met dikke touwen werden ze in een kamer opgesloten, grommend en gillend en vuilspuitend. Uma força terrível, zei Dona Didi met een gezicht dat zowel angst als ontzag verried. En ze liet er geen misverstand over bestaan: het is die verschrikkelijke kracht die je tot je handlanger wil maken. Want wie de krachten van een wilde geest aan zich weet te binden heeft de beschikking over oneindige schakeringen van groen, onophoudelijke beweging, en alles wat daaruit voortkomt.



Daar liggen we dan, aan de rand van het bos. Twee van Oxóssi, en die dansen niet op plavuizen. Het regent nog steeds. Dat gaat niet meer ophouden vandaag. Die klamme geur hier tussen de lakens, ik denk dat ik nu wel weet wat dat is. Ik wuif hem naar me toe, snuif hem op. Ik draai me nog een keer om. Ik zie een kolibrie. Hij zoemt van bloem naar bloem, in schichtige bewegingen. Een vogelinsect. Een insectvogel. Of misschien is de kolibrie wel iets heel anders: een wildheid waar onze bedenksels helemaal niet aan kunnen raken.

Mattijs van de Port (1961) is als visueel antropoloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en de VU. Hij doet onderzoek in Brazilië en brengt verslag uit over zijn bevindingen in boeken, artikelen en films.

Meer van deze auteur