‘There is a third path: the path of the stream to the sea.’

– Celia Paul, Letters to Gwen John

Yunie Chae

Het gebeurt dat ik maandenlang in een boek woon. Ik heb het uit maar ik wil er niet uit. Als ik rondloop ben ik nooit verder dan twintig passen van het boek verwijderd, als ik zit ligt het binnen handbereik. Een vingertop halen langs de post-its en de papiertjes met mijn eigen opmerkingen, die als speelkaarten op de spaken van een kinderfiets uit het hoofd van het boek steken, doet me al thuiskomen; moet ik ergens heen, dan moet het boek mee in mijn tas of ik voel me ontheemd.

Deze keer zijn het er twee. Self-Portrait is grijzig blauw, Letters to Gwen John grijzig roze, twee geboortekaartjes van een éminence grise-schilder die nu ook is beginnen schrijven.

Van Celia Paul zag ik enkele moeder- en zusterportretten – liefde op het eerste gezicht, zoals al mijn liefdes voor schilderijen – voor ik te weten kwam dat ze ooit een model en minnares van Lucian Freud was. Ze schilderde al voor ze hem ontmoette. Het was zijn keuze van onderwerpen waarmee ze zich identificeerde, niet zijn stijl. Haar boeken zijn geen afrekening met hem, verre van, maar ze beschrijft zowel haar eigen manier van portretten schilderen als die van Lucian (zeer boeiende materie, ik zou met plezier een essay schrijven over hoe Celia’s werk geest in lichaam is en dat van Lucian macht in vlees), en die verschillen van elkaar als water en vuur, Celia is water, Lucian vuur. Toch wordt zij nooit genoemd zonder dat ook Lucian vermeld wordt, als was hij haar heer en meester, haar land van herkomst, haar bron. In Self-Portrait zet ze hem op zijn geëigende plaats: hij is een deel van haar verhaal, niet omgekeerd zoals overal elders. Met het boek richt ze zich tot vrouwelijke kunstenaars, om hen duidelijk te maken dat er een strategie nodig is voor wie niet slechts het model en de muze wil blijven. ‘One of the main challenges I have faced as a woman artist is the conflict I feel about caring for someone, loving someone, yet remaining dedicated to my art in an undivided way. I think that generally men find it much easier to be selfish. And you need to be selfish.’Lucian betreurde het dat Celia niet meer als Gwen John was, die andere schilder die model en minnares was van een veel oudere kunstenaar: tijdens haar verhouding met Rodin stopte zij met schilderen om zich helemaal te wijden aan zijn kunst.

Celia’s strategie is die van het isolement. Ze is radicaal in het beschermen van haar focus. Haar zoon van Lucian groeide op bij haar moeder, met de dichter die ze huwde heeft ze nooit samengewoond, ze ontvangt nooit bezoek, kookt zelfs niet voor zichzelf, ze leeft en schildert in een uitgebeend appartement.

Maar deze boeken zijn geen pamfletten, Celia donderpreekt niet, ze toont. Ze toont hoe totaal haar toewijding is, hoezeer haar werk haar in beslag neemt, ze toont hoe diep het geluk is dat het werk haar brengt, dieper dan eender welk geluk, en ze toont hoe eenzaam het haar kan maken, ‘and I know that all my loneliness and longing were necessary to bring this new life into the world. I may have done something remarkable’.

Menige gedachtegang of observatie over haar werk(wijze) past als een schoen rond mijn leest, mijn eigen medium. Ik weet niet of dat aan haar schrijven over haar beleving ligt, of aan mijn beleving van mijn schrijven.

Haar schrijven voelt als water. En haar boeken zijn een delta, er zijn talloze stroompjes die me meevoeren, ik kan er hier slechts eentje volgen, ik kies dat over de hand van Hilton Als. Hij is de Amerikaanse schrijver en curator die het essay schreef voor de catalogus van een tentoonstelling van Celia Paul. Ze vertelt over hun eerste ontmoeting. Hij stelde haar voor om samen een eindje te wandelen, dat zou het praten vergemakkelijken. Onderweg nam hij haar hand. Toen ze op een bankje gingen zitten bleef hij haar hand vasthouden. Zie je, hij nam haar hand en hij bleef die vasthouden. Dat raakte me met de heftigheid van ten einde adem boven water ­komen.

Alsof ik het was, met Hilton Als, voelde ik het schokje toen zijn hand de mijne pakte, en daarna de overgave aan palm tegen palm, en de immense dankbaarheid. Die hand is niet de hele mens met al zijn beslommeringen en belemmeringen en behoeftes, die hand heeft geen ego, die hand heeft geen verwachtingen, die hand is louter gulle, volgehouden aanraking. De hand breekt het isolement niet, heft de eenzaamheid niet op, maar hij laat je voelen: ik zie je en ik houd je vast zolang als je het nodig hebt. Onbaatzuchtiger dan liefde.

Celia beschrijft Hiltons hand als groot en warm en zacht. Later zag ik Hilton Als in beelden van een publiek gesprek dat ze voeren op haar tentoonstelling. Ondanks zijn bermuda is hij een imposante man, hij is een GVR met een volumineuze stem, naast hem lijkt Celia een grijs elfje, als hij zijn brede arm rond haar schouders slaat en haar even tegen zich aan trekt lijkt ze op te gaan in zijn zijde. Ik voel fantoompijn in mijn hand.

Aan het eind van Letters to Gwen John keert Celia Paul terug naar de plek in Pembrokeshire waar ze als kind op vakantie ging. Ze vindt er een nieuw ‘motief’, zoals ze het zelf noemt, een focus: op de paden door het landschap. Ze denkt na over hun betekenis. ‘I want to make more studies of the path leading towards the dark mountain, and the path back home. Both paths suggest yearning, but for opposite desires. How do we reconcile these two cravings in ourselves, dearest Gwen?’ Hoe kan ik die tegengestelde hunkeringen in mezelf verzoenen, vraagt ze zich af. Ik wil de vrijheid die de afzondering me brengt, maar ik heb soms zo’n heimwee naar een ‘thuis’, verzucht ze.

En dan herinnert ze zich het derde pad: ‘There is a third path: the path of the stream to the sea.’ Ze schrijft niet wat dat derde pad zou kunnen betekenen maar ik denk terug aan Hiltons hand.

Het is een platitude dat schrijven een eenzame bezigheid is. Ik voel me nooit eenzaam tijdens het schrijven. Het is de staat van het schrijver zijn, wat dat van me eist, ook buiten de schrijfuren, die eenzaam maakt. Dan een hand te voelen die je vasthoudt, palm tegen palm, zolang als je dat nodig hebt.

De waterloop moet naar zee. Hij neemt niet het door mensen aangelegde pad de donkere bergen in, noch het veilige pad terug naar huis. Hij is het derde pad, hij baant zich een weg, een bedding. Maar laat er af en toe een mens die de eenzaamheid herkent zijn grote hand in het water steken, en die daar even houden, het water warm en zacht aanraken opdat het zich even niet zo alleen voelt op zijn eindeloze stroom naar het uitmonden.

Caro Van Thuyne (1970) leeft en schrijft in het Houtland achter de Vlaamse kust. In 2018 debuteerde ze met de verhalenbundel Wij, het schuim. In januari 2021 verscheen de roman Lijn van wee en wens.

Meer van deze auteur