De door Pontius Pilatus bevolen
kruisiging […] was geen verheven
meditatie of contemplatie,
maar actie, uitgevoerd door
romeinse soldaten van de genie,
gepaard gaande met geweld en
geschreeuw, getimmer en gehuis.

– Harry Mulisch, Het licht

Hoe arm zou onze taal zijn zonder ‘ridder van de droevige figuur’, zonder ‘kameel door het oog van de naald’, en zonder dat er ‘meer is tussen hemel en aarde’ – hoewel al deze uitdrukkingen op vertaalfouten berusten. There are more things in heaven and earth, Horatio,/ Than are dreamt of in your philosophy. Zelfs Gerrit Komrij, die natuurlijk wel beter weet, vertaalt het als: ‘Er is meer tussen aarde en hemel…’ Precies dat ‘tussen’, daar gaat het mij hier om.
Rond mijn elfde, twaalfde, toen bij ons, zoals de dichter zegt, de godsdienst nog zwaar tegen de hanenbalken hing, deed ik in het middaguur vaak boodschappen voor mijn moeder. Heen, naar de winkels langs de Mierloseweg, fietste ik niet voorbij het huis van Petra. Terug wel. Ik had mezelf opgelegd altijd eerst Hem te groeten: de houten Christus aan zijn kruis onder het groen uitgeslagen, door vogelkledders wit genopte afdak. Ik stapte niet af, maar verhief me uit piëteit op de horizontaal stilstaande pedalen, en fluisterde dan in zelfbedachte huiver, met het begin van een erectie: ‘Hier hangt Hij’ – ofschoon Hij, met Zijn voeten op een uitstulpend houtblok, eerder stond dan hing.
Als ik op de terugweg door de Tricotstraat Petra’s ouderlijk huis passeerde, dacht ik uit alle macht: hier woont zij. Ik durfde de woorden niet te fluisteren, bang dat zij, op de uitkijk achter de vitrage, mijn lippen zou zien bewegen. Omdat mijn ketting knarste, hield ik ook hier de pedalen in. Ik begon pas weer te trappen als de tas vol boodschappen aan het stuur mijn fiets bijna omtrok.
’s Avonds, tussen de molton winterlakens, ging ik eerst intens met Hem in gesprek, en raakte dan vanzelf met Petra aan de praat – en aan de wandel. In het donker namen de woorden al snel beeld aan: rond de roerloze gehangene tot wie ik mij richtte, kolkte het van de visioenen. Zonder eerst vurig Hem aan te spreken, en zonder vervolgens in smerig realisme de statiën van Zijn kruisweg op te roepen, zouden mijn belevenissen met Petra flets zijn gebleven. In mijn visioenen, tastbaar tot aan het stiksel van haar regenjas, was ze nooit jonger dan negentien – ongetwijfeld omdat mijn verder zo preutse moeder zich eens dromerig had laten ontvallen dat ‘de geheimzinnige leeftijd’ te vinden.
‘Is het er zo een die aan haar truitje plukt?’ had mama afkeurend over de nieuwe verloofde van haar jongste broer gevraagd. Nou, Petra wel, die plukte ’s avonds in mijn gewijde duisternis koket de pluisjes van haar trui. De regenjas, die was trouwens pastelgroen: haar paardenstaart witgoud. Ik voerde haar langs de etalages, en ze mocht van mij voor onze uitzet en haar garderobe uitzoeken wat ze wilde. Alleen voor het plezier van het verliefde steggelen sputterde ik van tijd tot tijd tegen dat een jurk te duur was. ‘We moeten ook nog de wieg.’
Zo plastisch als mijn visioenen waren, ze werden nooit vleselijker dan de verstrengeling van handen of een kus met droge lippen. ‘Onthou goed, jongen,’ zo had mijn vaders enige voorlichting geluid, in dronkenschap, ‘van de nek af helemaal naar beneden is het de tweede deur.’ Toch was daar op een avond, na een inleidend gesprek met Hier Hangt Hij, ineens onze zoon. Hij was een jaar of zes, en droeg een houten zwaard door de pijp van zijn korte broek. Op zijn hoofd stond wiebelend, bij wijze van helm, het oude vergiet van zijn oma. De zon scheen door de gaatjes, die in groepjes van negen door het metaal geponst waren, zodat het net was of de kleine jongen een muskietenvoile van pure lichtstipjes voor zijn gezicht droeg. Ergens links bleken onder het verschilferde email de gaatjes naar elkaar doorgeroest: het was daar dat het zonlicht op de oorschelp een gaaf klavertjevier projecteerde. Het bewijs van mijn vaderschap.
Het kruisbeeld aan de Mierloseweg kan ik me niet goed meer voor de geest halen. Grote kunst zal het niet geweest zijn. Toch heeft in later jaren elk hoogwaardig beeldhouwwerk voorstellende de kruisdood of de kruisafname van Jezus de Geldropse Christus onder zijn bezwadderde afdak voor me geroepen. Ik had het voor ’t eerst als jonge lifter, toen ik in Perpignan voor een houten gekruisigde uit de veertiende eeuw stond. Een teveel aan ribben, de halsspieren nog over de dood heen als in uiterst verzet gespannen, een vlechtwerk van kabeltouw bij wijze van doornenkroon – bij alle gebrek aan realistische anatomie was het uitgebeelde lijden bijna te obsceen om aan te zien.
Terug naar het molton holletje van mijn roze winterlakens. Mijn zesjarige zoon uit de tijd dat ik twaalf was. Ik beweer niet dat de gehangene mij, via associaties rond zijn kruisiging, deze kleine Romeinse soldaat had toegespeeld. Wel houd ik staande dat ik zonder Hem nooit tot de visioenen was geraakt die zo lucide uitpakten dat ik het klavertjevier nog bij het ontwaken, de volgende dag en tot op de dag van vandaag, op mijn eigen oor voelde branden.
Op mijn veertiende verliet ik, na een stompzinnige ‘beatmis’ op zaterdagavond, de moederkerk voorgoed. Ik zou er alleen nog in terugkeren om er werken te bekijken met dezelfde kracht als de Christus van Perpignan. Visioenen, erotische en literaire, ben ik blijven ontwikkelen. Ik heb er mijn werk van gemaakt. Wie mij vraagt naar wat er rest van mijn religieuze beleving, zal ik grijnzend meenemen naar de kast met mijn gewrochten.
‘Hier hangt Hij. Hier woont zij.’