(In een vraaggesprek vertelt Robert Bresson over de inspiratie voor zijn film Le pickpocket. ‘Ik was op het platteland, bevond me met de gastheer in een kamer. Bij ons was een derde. Ik wist, de gastheer wist, dat die persoon ons zou bestelen, of al bestolen had…’ Die sfeer van dreiging had hij in zijn film willen overbrengen. Maar ook de gruwelijke eenzaamheid van de dief.)

A, B en C.

A en B is een echtpaar. C al enige tijd een huisvriend. Een erudiet man, welbespraakt. Doet wat mysterieus over zijn achtergrond, maar dat is interessantmakerij die ze hem gunnen.

De kamer is ruim, hoog. Een haardvuur brandt, het is na de maaltijd.

Opeens is het kwaad in de kamer.

WAAR IS DE WATERNIMF? DAARNET STOND HIJ NOG OP DE SCHOORSTEENMANTEL…

A ontdekt het, schrikt, kijkt naar B, die ontdekt het via zijn blik. Ze kijken elkaar aan, geschrokken, rode hoofden.

Mijn god, hij heeft het gestolen…

Misschien heeft hij het gebroken en de scherven snel onder de kast geveegd?

Nee, nee… Het bolt op in zijn zak, kijk…

(Dat alles slechts verteld via blikken.)

De twee die nu weten van de misdaad van de derde kunnen hun weten niet uitspreken. Dan zou de situatie meteen in een rechtbankscène veranderen, iets saais, katholieks zou er ontstaan.

IK WEET DAT JE HET GEPAKT HEBT…

NEE, NEE…

JE HEBT HET NU IN JE ZAK. IK VERGEEF HET JE, MAAR ZET HET TERUG.

Hij haalt het tevoorschijn. Geeft het terug. Betoont spijt. Het licht gaat aan (want er heerst tot dan toe schemerdonker in die noodlotskamer).

EN NU WILLEN WE JE NOOIT MEER ZIEN.

Nee.

A en B zijn verbonden in hun weten en niet kunnen uitspreken. Misschien merkt de dief dat zij weten? Voelt hij niet iets? Nee, als dat al zo was, stelt hij zichzelf algauw gerust: ze hebben het niet in de gaten, ik ben opgewonden, ik interpreteer hun blikken verkeerd.

Het gestolen goed brandt in zijn zak. Een kleinood, een kostbaar beeldje. Op de stoffige schoorsteenmantel is de plek waar het stond nog duidelijk te zien.

Het wordt stil in de kamer. Iedereen is sprakeloos. De dief zou – toch ongerust – misschien zijn daad ongedaan willen maken. Maar terugzetten is onmogelijk. Dat is te veel gevraagd van het lot. Het stelen lukte ongemerkt, het terugzetten zal nooit ook ongemerkt kunnen verlopen… Hij zou zich verraden in de poging zijn daad ongedaan te maken.

Bovendien denkt hij nog steeds dat hij ERMEE WEGKOMT. Hij is optimistisch, hij is opgewonden, zijn bloed klopt.

Hij is gaan zitten.

De wetenden, A en B, kunnen niet zitten. Ze dwalen rond door de kamer, kijken uit het raam, mijden C aan te zien.

Hoe is het mogelijk? C die ze dachten zo goed te kennen, god weet hoogachten, blijkt een dief te zijn. Er is een masker gevallen. Er is een les geleerd. Je kunt niemand kennen…

Heeft C het nodig, het gestolen goed? Of is het een verderfelijke neiging, heeft hij de opwinding van het stelen, het betrapt kunnen worden, nodig om te voelen dat hij leeft? Hebben ze al weleens eerder spullen gemist? Wordt nu duidelijk dat al die kleinoden, verdwenen boeken met hem mee uit huis verdwenen zijn? (Het missen van spullen… een rommeligheid, onhelderheid in je huis die je in eerste instantie jezelf verwijt.) Liggen ze bij hem in een lade, waar hij ze af en toe bekijkt, al dat toch eigenlijk zinloze geroofde goed?

Of heeft hij het wel degelijk materieel nodig? Verbergt zich achter zijn jovialiteit stille armoe? Maakt hij de spullen te gelde? (Hier kruipt iets ouderwets binnen, Dostojevski, pandjesbazen…)

A en B denken er niet aan hun vermoeden uit te spreken. De schaamte zou te groot zijn. Maar hoe om te gaan met die zo plots veranderde persoon, die C? Die aardige man in wie zich opeens het kwaad manifesteert.

A en B zijn aardige mensen. Ze zullen C ten slotte wel vergeven. Ach, die waternimf… Maar hem voortaan mijden. Niet omdat ze hem zo zijn gaan haten. God weet is hij door zijn daad juist interessanter voor ze geworden. Maar ze zouden niet meer weten hoe met hem om te gaan. In hun misdaadloze wereld past C niet meer.

Misschien zal B – de vrouw – jaren later als ze het huis van C passeert toegeven aan een impuls, aanbellen omdat ze hem zien wil. Er eindelijk over spreken wil, over die gebeurtenis waar ze af en toe met weerzin aan terugdenkt. GET IT OFF HER CHEST.

Maar C woont er niet meer.

Is dat wel wat haar beweegt? Of komt de impuls aan te bellen voort uit een verlangen C te zien? Gaat van zijn misdaad een bekoring uit? Ging op het moment van de ontdekking van het gemiste beeldje ook haar bloed sneller kloppen, was het het laatste moment van opwinding in haar saaie bestaan met A? Is het kwaad aantrekkelijk? Is het net zo verslavend beroofde te zijn als het is rover te zijn?

Want C is een verslaafde. Hij móét het doen, moet in een zekere fase van een vriendschap zijn vrienden kwaad doen. Moet teleurstellen, moet verraden, dat is zijn levensvorm, steeds weer die gang gaan: van vertrouwen winnen naar vertrouwen beschamen.

Zo zwerft hij door de stad, met zijn charme mensen veroverend, om ze vervolgens steeds weer te bedriegen en daarmee te verliezen.

Maar terug naar dat moment. Het moment van het besef: HIJ HEEFT HET GESTOLEN. Die zware stilte die volgt.

C die zit, A en B die door de kamer dwalen.

Er is MACHT in het zitten van C.

KOM TOCH ZITTEN. Zegt hij misschien zelfs.

Ten slotte gaan A en B ook zitten. Moeizame conversatie, die vaak hapert. Eindelijk, eindelijk zegt C: DAN GA IK MAAR EENS.

Als C dan weggegaan is, na al die stroperige stilte… Met een smoes het pand verlaten heeft, de waternimf brandend in zijn zak… In de lift heeft hij nog het gevoel van macht, omdat het hem gelukt is. Hij loopt stralend het flatgebouw uit, hij lacht luidop. I DID IT AGAIN!

Dan bekruipt hem het gevoel dat hij wel degelijk betrapt is, maar dat de gastheren niets hebben laten merken. Dat bederft zijn stemming totaal. Hij haalt het beeldje tevoorschijn, het lijkt hem opeens waardeloos toe, niet het risico waard dat hij genomen heeft, de vriendschap die hij er misschien mee verspeeld heeft. Hij gooit het in een afvalbak, mikt het in de gracht…

Maar waarom leek het hem zo begeerlijk toen hij het zag daarnet? Wist meteen: ik moet het hebben? De straling die een begeerd voorwerp omgeeft.

De twee die achtergebleven zijn. In die kamer waar het kwaad nog aanwezig is, nog hangt als een te zwaar parfum van een allang vertrokken gast.

Die stofloze plek op de schoorsteenmantel…

God weet kijkt een van de twee C na door het raam.

Ze kijken elkaar aan.

WAAROM HEB JE NIETS GEZEGD?

WAAROM HEB JIJ NIETS GEZEGD?

Schouderophalen. Ze weten dat spreken onmogelijk was geweest.

Misschien had een van twee alleen, tot slot, met afgewende blik kunnen zeggen: IK WIL DAT JE NU WEGGAAT.

C zou niet vragen: WAAROM?

Hij zou gaan. Gebogen hoofd. Nee, dat zouden ze niet willen. Dat beeld zou hen nog jaren later ineen doen krimpen. Maar ook zonder die pijnlijkheid zal deze avond hun nog jaren later kromme tenen bezorgen bij de herinnering.

Toch zou zich twijfel kunnen nestelen tussen de twee. Het valt de een van de ander tegen. Maar nee. Ze zijn verenigd in hun schrik, in hun verdriet om de verloren vriend.

C komt thuis, in een kaal appartement. Zit een tijdje in het donker, jas aan. Kijkt naar het beeldje dat hij voor zich neer heeft gezet op een lage tafel. Doet zijn best het zijn begeerlijkheid terug te geven. Dat lukt niet. Hoe kan het, dat het zo kleurloos, zo nietsig is geworden, na de hoge prijs die hij ervoor heeft betaald?

Zo gaat het altijd, maar dat verandert niets aan het verlangen te willen stelen, dief te zijn.

Gaat dan weer naar buiten, naar een bar, gaat nieuwe vrienden maken.

(Deze scènes zien, verfilmd door Bresson.)