Geblinddoekt lopen ze over de begraafplaats, gelovigen en ongelovigen. Ze worden geleid, ze houden zich vast aan de elleboog van iemand die nog kan zien, en verdwijnen achter de beuken en de monsterlijke Calvarieberg. Als ze weer opduiken en langzaam dichterbij schuifelen, zie ik dat hun gezichten glimmen. Er is hun iets overkomen, ze verkeren in hogere sferen. Even later krijg ik zelf die blinddoek om en vraag me af of ik ook zo’n devote smoel zal trekken, ik die me altijd heb laten voorstaan op mijn ongelovigheid. Kun je gelovig worden zonder het te willen, louter omdat de omstandigheden die kwaliteit als vanzelf bij je opwekken? Een gelovige ongelovige, een bekeerling die niet gelooft?

De man die de processie zal voorgaan, heeft lang haar, een snor en een zacht gezicht, en op zachte toon vertelt hij ook wat er zal gebeuren. We krijgen een speciaal voor de gelegenheid ontwikkelde geluidsblinddoek om en zullen op onze wandeling dichter bij de heilige Oda worden gebracht. Haar geluiden zullen we horen, geluiden die haar wereld uitmaakten tot zij als door een wonder ineens kon zien en overspoeld werd door visuele indrukken. Het zijn geluiden uit het ruige, lege Schotland, waar ze opgroeide.

Geluidskunstenares Cilia Erens gaf haar project op het kerkhof van Sint-Oedenrode de titel Terug naar Oda, een geluidsrelikwie (2007-680). We onderwerpen ons op deze late septemberdag aan een ritueel, we dragen Oda’s geluiden met ons mee zoals in processies met haar botten wordt gezeuld.

Oda’s levensverhaal werd omstreeks 1250 opgetekend door de kanunnik Godefriedus van Rode, haar verering begon een eeuw eerder. Volgens de legende werd ze eind zevende eeuw in Schotland geboren, in dezelfde periode waarin Willibrordus Nederland kerstende. Ze was een mooie prinses, maar vanwege blindheid ongeschikt als huwelijkskandidaat. Dus stuurde haar vader haar naar Luik, waar bij het graf van de heilige Lambertus wonderbaarlijke genezingen plaatsvonden. Ze genas er, maar trouwen wilde ze niet. Ze ontvluchtte haar vader en vestigde zich uiteindelijk in het buurtschap Rode. Daar wijdde ze zich geheel aan God. Na haar dood bezochten velen haar graf om genezing te vinden, ze was vanzelfsprekend vooral bedreven in het genezen van oogkwalen. En toen haar botten in de twaalfde eeuw werden opgegraven, verspreidden ze een aangename, zoete geur. Dat was helemaal zoals het hoorde, ze deed het prima als heilige, al werd ze in de jaren zestig wel door de paus geëxcanoniseerd vanwege al te veel onduidelijkheden in haar verhaal.

De geluiden van Sint-Oedenrode zijn nauwelijks meer te horen, in mijn oren alleen het klateren van een beek. Onzeker en een beetje angstig zet ik mijn eerste passen. Loop ik nergens tegenop? Tuimel ik niet in een gat? Ik heb geen keus, ik moet me overgeven aan degene die me leidt of de blinddoek afrukken. Ik zal moeten geloven dat me niets zal overkomen en ook dat de wandeling zin heeft, dat het ertoe doet dat ik op die plek wandel en nergens anders. Het is nog geen geloof in God, maar er is al wel heel veel geloof nodig om aan de geluidswandeling mee te doen. Zoals eigenlijk elk kunstwerk geloof nodig heeft. Zonder geloof is er geen overgave en gebeurt er niets, blijven schilderijen, beeldhouwwerken en composities dode beelden, dode klanken.

Heiligenverhalen zijn aanstekelijk, ook voor ongelovigen. Heiligen zijn volmaakt. In hen zijn lichaam en geest niet langer gescheiden en komt het leven tot rust. Ze refereren aan onze staat van voor de zondeval, toen het bewustzijn ons nog niet opzadelde met een schrijnend maar evolutionair uiterst productief besef van onvolmaaktheid. Het geloof in heiligen is met ons bewustzijn gegeven. Het is een ventiel om stoom af te blazen, een raam in de benauwde cel van ons dialectische denken. De wonderen van heiligen zijn daarom altijd een omdraaiing van hoe we de werkelijkheid doorgaans beleven en duiden. Hun dode lichaam ruikt naar jasmijn, ze genezen wat ongeneeslijk was, ze goochelen met tijd en doen voorspellingen, ze vliegen als het zo uitkomt rond kerktorens en komen pas écht tot leven na hun dood. Onverklaarbaarheid is een voorwaarde; wat verklaard kan worden, behoort tot het banale leven en verliest elke religieuze luister.

Dove heiligen bestaan bij mijn weten niet, de oren moeten wijd open voor het woord Gods, de influistering van engelen. Maar Oda was zeker niet de enige heilige die blind was. Blindheid bleek zelfs voor de oude Oedipus een spirituele kwaliteit; als apotheose van zijn gekwelde leven loste hij op in het licht. En van de christelijke heiligen wordt gezegd dat ze niet met hun ogen zien, maar met hun hart. Ogen zien alleen de buitenkant, het hart de binnenkant, de ziel. Daarom draagt blindheid het ultieme geestelijke in zich, en wie weet ook het wonderbaarlijke.

Geluidskunstenares Cilia Erens laat me in Oda’s blindheid delen. Wat opvalt, is dat blindheid verticaal maakt. Mijn voeten tasten de grond af, de oneffenheden, de korreltjes, de natte, plakkerige plekken, en de wind waait door mijn haar en het zonlicht strijkt over mijn nek, over mijn voorhoofd. Even puur zijn de geluiden waarvan Erens me wil doen geloven dat Oda ze in Schotland hoorde. Een klaterende beek, het geblaat van schapen, het blaffen van een hond, het knetteren van vuur, de wind die door de bomen waait, het overweldigende breken van golven en scholeksters die van het ene oor naar het andere vliegen, alsof je zelf die uitgestrekte ruimte omvat. Je zit er helemaal in, in de geluiden. Er is niets tussen jou en de geluiden in, je bént de geluiden. En zo begrijp je hoezeer ogen afleiden en ons bewustzijn activeren, verantwoordelijk zijn voor de afstand die we tot de werkelijkheid ervaren. Onze ogen hebben ons uit het paradijs verdreven; we kunnen ze dus beter sluiten om nog iets te ervaren van wat het was om één met de wereld te zijn.

Gaandeweg vergeet ik dat ik geleid word en in een processie loop. Ik heb me overgegeven en waan me alleen en onbespied, buiten welke sociale context dan ook. Ik ben van de ander verlost, ik hoef mezelf niet meer te beschouwen en zal nu ook wel met zo’n idiote grijns op mijn gezicht rondlopen. Dat is wat deze blinde processie brengt: iets elementairs en kinderlijks dat vrijkomt als ons bewustzijn ons minder in de weg zit en onze sociale conditionering wordt opgeschort. Geen wonder dat een heilige goed met blindheid uit de voeten kan.

Dan word ik naar een stoel geleid. Als ik voorzichtig ga zitten, hoor ik het aanzwellen en weer wegsterven van een brommer, vaag gedruis waarin even een stem opklinkt, een auto die voorbij rijdt, de kerkklok die vier slagen lang alle geluiden doet verstommen. Het is de geluidsoep van het hedendaagse Sint-Oedenrode, en ik weet niet helemaal zeker of ik naar de straat ben geleid of dat die geluiden via de geluidsblinddoek in mijn oren komen.

De blinddoek gaat af en ik zit tegenover de ranke kapel die boven op het heuveltje prijkt waar Oda haar hutje zou hebben gehad. Veel geluiden zijn er ineens niet meer. Een meesje, bladgeritsel. De stilte van zerken. Maar wat overdondert, is wat ik zie: bladeren die schetteren tegen een grijze lucht, hardrode baksteen, het fysiek van de andere processiegangers en het beeld van Oda van ondoordringbaar steen. Het is als een overmeestering, het slaat alles wat er te horen is weg. Ik kan me ineens voorstellen dat Oda teleurgesteld was toen ze kon zien. Ze begreep dat ze er niets mee was opgeschoten. Het wonder bleek een dwaalspoor en had maar één boodschap: haar blindheid postuum op te vatten als een goddelijk geschenk. Ze zonderde zich af en wijdde zich aan God.

Als ik het kerkhof verlaat, wil ik nog even naar haar botten kijken. Nou ja, haar botten: uit onderzoek is gebleken dat ze uit de derde eeuw komen en dus nooit haar botten kunnen zijn. Ze liggen in de Sint-Martinuskerk, maar verder dan het portaal kom ik niet, de kerk is gesloten. Ik ben teleurgesteld. Het is alsof ik de essentie van Sint-Oedenrode heb gemist. Vreemd dat ik zo veel waarde toeken aan een hoopje botten, ridicule overblijfselen van het menselijk lichaam en niet eens ridicule overblijfselen van háár lichaam. Voor mij zijn het niet zomaar botten meer. Ze hebben een bijzondere glans gekregen, aantrekkingskracht. Alleen omdat ik me in Oda heb verdiept en het geluidsritueel heb ondergaan. Uiteindelijk hoef je helemaal niet te geloven om te geloven. Voor je het weet, zit je er tot over je oren in.



Deze tekst is een inkorting van het artikel ‘Oda leeft’, dat op 12 oktober 2007 in het Cultureel Supplement van nrc Handelsblad werd gepubliceerd.

Edzard Mik (1960) debuteerde IN 1995 met de roman De bouwmeester en schreef verder onder meer Mont Blanc (2012) en Goede Tijden (2010). Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s en essays. Zijn meest recente boek, Waar de zee begint, een liefdesroman die zich in Athene afspeelt, verscheen in 2014. Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s voor korte films. Essays over beeldende kunst, theater, architectuur en literatuur publiceerde hij in De GidsNRC HandelsbladVrij Nederland en De Groene Amsterdammer.

Meer van deze auteur