Op 8 april 2005 vertrokken drie Asmat-Papoea’s samen met de kunstenaar Roy Villevoye1 en zijn Nederlandse reisgenoot per motorboot uit het dorp Sawa-Erma. Ze hadden genoeg ingeslagen om uitgebreid te gaan picknicken: koffie, suiker, rookwaar, oliebollen, blikjes sardines, super-mie en heet water in een thermoskan. De reis ging richting Pupis, een stuk regenwoud dat door Rufus Sa-ti was uitverkoren om in Villevoyes nieuwe film het paradijs te vertegenwoordigen. Een van de grote voordelen van het christelijk paradijs is dat je er behalve eventuele aflaten of andere duur betaalde toegangsbewijzen niets mee naartoe hoeft te slepen omdat het je nooit meer ergens aan ontbreken zal. Maar zo veel vertrouwen was er niet. Het gezelschap wist dat het om een eendagsparadijs ging waar je maar beter niet op Gods catering kon rekenen. Er zou vermoedelijk even weinig te eten zijn als in de wijde omtrek erbuiten en koffie kon je er al helemaal niet krijgen. Dit was hoogstens het paradijs voor de weight watcher, om eens diepgaand te bespiegelen over het nut van de vasten of de ramadan.

Rufus Sa-ti en Villevoye zijn al ruim vijftien jaar bevriend. Villevoye bezocht Sa-ti en zijn extended family al vele malen tijdens de reizen die hij sinds 1992 naar de Asmat ondernam, en in het jaar 2000 verbleef Sa-ti, samen met zijn jongere broer Omo-ma, zes weken lang in Nederland. De buitenboordmotor achter aan de boot waarmee de tocht naar het paradijs werd ondernomen herinnerde daar nog aan. Die maakte ronkend duidelijk dat de gewaagde expeditie naar het spullenparadijs Nederland door de twee broers tot een goed einde was gebracht. Als helden waren zij destijds ingehaald nadat ze heelhuids, en beladen met geschenken voor familieleden en vrienden, waren teruggekeerd uit Nederland.

Het lag voor de hand dat Villevoye Sa-ti als eerste benaderde om de mogelijkheden te polsen voor een korte film over het oudtestamentische paradijs. Wist hij in het dorp misschien een man en een vrouw te vinden die willing en able waren om Adam en Eva te spelen? Ze zouden alleen maar quasizorgeloos door het paradijs hoeven te banjeren, wel naakt natuurlijk. En was er in de nabije omtrek een stuk regenwoud te vinden dat voor hem het bijbels paradijs het dichtst benaderde? Geen enkel probleem. Sa-ti wist vrijwel onmiddellijk waar het paradijs lag en had binnen de kortste keren een stel weten te interesseren voor de rol van Adam en Eva: een jonge man, met het uiterlijk van een krijger, en zijn zwangere en nog jongere echtgenoot, een nichtje van Sa-ti.

In het Oude Testament wordt de geografische ligging van het paradijs zo vaag gehouden dat je de Hof van Eden zelfs met de meest godgeleerde TomTom niet zou kunnen vinden. Ja, de tuin zou ‘in het Oosten’ liggen. Juist doordat die locatie mythologisch mistig in plaats van geografisch exact is gehouden, laat het alle ruimte aan de verbeelding van de lezer. Een wijs mens zal het paradijs in eigen hoofd zoeken en zichzelf zo oncomfortabele reizen en onnodige kosten besparen, maar wie de tekst letterlijker neemt, kan toch in elk geval zijn eigen reisbestemming kiezen. De Hof van Eden zou ergens in het huidige Irak hebben gelegen, een idyllische hortus conclusus waarin Adam en Eva naakt liepen, zorgeloos en onschuldig, genietend van hun intieme relatie die nog niet was bezoedeld door gevoelens van schuld en schaamte. Het gebied zou begroeid zijn geweest met bijzondere planten en bevolkt met allerlei soorten dieren, met en zonder slagtanden, die genoeglijk met elkaar keuvelden over de meest uiteenlopende onderwerpen. Anderen meenden dat het paradijs zou hebben gelegen in het huidige China of Armenië. Stuk voor stuk plaatsen die je tegenwoordig eerder met wreedheden en genocide zou associëren dan met het paradijs. Zelfs Zuid-Amerika werd ooit voor de Hof van Eden gehouden. Toen Columbus tijdens zijn derde reis in opdracht van de Spaanse koningin Isabella en koning Ferdinand op de Zuid-Amerikaanse kust stuitte, was hij ervan overtuigd de Hof van Eden te hebben gevonden; zo veel vriendelijke en aantrekkelijk ogende indianen die in hun kano’s op zijn schepen af peddelden, al die schitterend gevormde en zoete vruchten die ze in grote hoeveelheden als geschenken hadden meegenomen, en dan de niet alleen schitterend gekleurde maar ook sprekende papegaaien die ze kwamen aanbieden. Je verstond dan wel niet wat ze zeiden, maar het was duidelijk dat een indiaan en zijn papegaai veel te bespreken hadden. Voor Columbus bestond er geen twijfel over dat dit onbekende continent met zijn onuitputtelijke voorraad zoet water het paradijs was waarnaar hij zo hevig had verlangd. Het duurde niet lang voordat men hem voor een godsdienstwaanzinnige hield.2

Fantasieën over de ligging en het aanzien van het paradijs kwamen niet alleen voor in de Oudheid en in de tijd van Columbus, maar ook nu nog. De projecties duiken op in de vreemdste vormen en gedaanten. Sinds halverwege de vorige eeuw figureren ook regenwoudbewoners als de Asmat in de westerse ideeën over het paradijs. Is het niet een schitterend woud vol ‘nobele wilden’? Dat de Asmat voor wie het gebied nooit bezocht al snel paradijselijke trekken vertoont, zou zijn wortels kunnen hebben in de al te beknopte oudtestamentische poëzie. Want er wordt in de Bijbel weliswaar aangegeven hoe je je dient te gedragen om in het paradijs te eindigen, maar hoe het eruitziet en wat je er allemaal kunt doen, wordt wel erg summier beschreven. Het is alsof je op de website van een pretpark wel een routebeschrijving met entreeprijzen en kortingsregelingen treft, maar nergens kunt vinden welke fantastische attracties de bezoeker verwachten kan.

Dat Asmatters een levensverwachting hebben van hoogstens een jaar of veertig – al een enorm verschil met Europeanen, maar nog een veel groter contrast met Adam die ruim negen eeuwen oud moet zijn geworden –, dat Asmat-vrouwen niet zelden gewelddadig onderdrukt worden, en dat je er tot voor kort in voortdurende doodsangst moest zitten omdat je een flinke kans liep door sluipmoordenaars uit een naburig dorp te worden vermoord, wordt voor het gemak vaak vergeten door hen die het paradijs in de Asmat situeren. Asmatters hebben een zeer rijke cultuur waarvan het bijzondere gelukkig wordt herkend, maar met het paradijs heeft die weinig te maken. Of het moest zijn dat het aantal mensen per vierkante kilometer zo gering is. Hier wordt de natuur nog niet volledig door de mens gedomineerd en naar zijn hand gezet.

Villevoye signaleerde niet alleen dergelijke projecties van vooral Europeanen op de Asmat, maar bracht ze ook in verband met de soms emotionele en afkeurende kritiek op zijn eigen werk. Had die misschien te maken met de vermeende idylle van het traditionele Asmat-bestaan? Want van zo’n idyllische plek, menen deze critici, heb je als Europeaan die ook nog eens zou behoren te worstelen met schuldgevoel over het koloniale verleden, af te blijven. Die laat je met rust opdat onze ‘hedendaagse voorouders’, zoals deze Papoea’s door sommigen wel worden beschouwd, zo zuiver en onbeïnvloed mogelijk geconserveerd blijven voor… ja voor wie? Voor de eeuwigheid, voor de paleo-antropoloog, voor de geneticus, voor de linguïst, voor de natuurbeschermer, of voor de toerist die first contact wil komen maken met deze geïsoleerde paradijsbewoners? Vermoedelijk mag niemand aan die Asmat komen omdat daarmee fantasieën over het paradijs verstoord zouden worden.

Hoe de Asmatters zelf over deze kwestie denken wordt, hoezeer dat ook voor de hand ligt, niet gevraagd. De critici, die vanwege hun principiële bezwaren vanzelfsprekend niet in het gebied komen, hebben nog nooit een Asmatter in levenden lijve ontmoet. Projecteren op afstand volstaat, net als het veroordelen van Villevoyes werk. Die wordt niet geacht in het Asmat-paradijs te komen, maar als hij zich daaraan toch bezondigt, zou hij dan zo correct willen zijn om niet te filmen of te fotograferen? En mocht hij zich ook op dat punt niet kunnen beheersen, laat hij dan in elk geval zijn werk niet exposeren, of nog erger, te koop aanbieden. Liever één ongeziene Papoea in het paradijs dan tien voor je neus aan de muur van de galerie.

Villevoye wilde zijn nieuwe film bewust beginnen met stereotiepe beelden van een paradijs dat in de Asmat was gesitueerd. Hedendaagse Asmatters zouden de rol van paradijsbewoners vervullen en Sa-ti zou aan de vormgeving bijdragen. Zouden hun Adam en Eva onze kijker overtuigen? Nadat Adam en Eva hun oliebollen en koffie met veel suiker op hadden, konden de opnamen beginnen. Kleren uit, camera aan.

Het is natuurlijk de vraag of de kijkers willen geloven dat deze Asmat-idylle echt is. Sommigen onder hen waarschijnlijk wel, al zal de enigszins geïnformeerde kijker wel weten dat Asmatters al lang niet meer naakt lopen. Zelfs voordat het Nederlands koloniaal bestuur en de katholieke missie zich in de jaren vijftig met dit gebied gingen bemoeien, droegen vrouwen normaal gesproken schaambedekking, hoe miniem ook. Mannen liepen destijds wel rond met onbedekt geslacht, maar dragen inmiddels meestal een korte broek en een T-shirt, vaak met een westerse opdruk.

Aarzelend lopen de naakte Adam en Eva minutenlang door open plekken in het regenwoud. Ze lijken niet goed te weten wat ze moeten doen. Even later drinken ze uit een stroompje dat symbool zou kunnen staan voor de splitsing van de rivieren de Pison, Gichon, Eufraat en Tigris. Een stroompje in een paradijs waar geen paradijsvogel te horen is. Ook van de casuarissen, koeskoezen, kalongs en wilde zwijnen ontbreekt elk spoor.

Waar zitten we eigenlijk in het verhaal? Is dit het paradijs dat God aan de mensen gaf? Duidelijk is dat Eva al is geschapen, maar van de zondeval was kennelijk nog geen sprake, laat staan van verdrijving. Want dan zou hun schaamte immers bedekt zijn geweest (En de Heer, God, maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmee). Zou deze Eva wel weten dat er in het Oude Testament staat dat zij elke maand zal bloeden en dat de pijn wanneer zij een kind zal baren gruwelijk zal zijn? Al die akelige onheilstijdingen. Ik hoop van harte dat deze Asmat-versie van Eva de moed zal hebben te zondigen en zich niet door het dreigend onheil laat intimideren. Want waarom loop je anders in een paradijs? Een paradijs wordt pas paradijs als je hebt gezondigd en verdreven bent. Een paradijs waarin niet is gezondigd, is helemaal geen paradijs. Dat is een Vinex-wijk.

Hier gebeurt voorlopig niets. Er is zelfs geen boom van de kennis van goed en kwaad te bekennen, laat staan een verboden vrucht die hangt te blozen. Ik heb altijd gesympathiseerd met de zondigende Eva. Het getuigt van branie om je niets aan te trekken van de dreigementen van een wrede tiran die er in de eerste plaats op uit is zijn onderdanen zo bang te maken dat ze zich naar zijn wil gedragen. En het staat me tegen dat hedendaagse Asmatters als projectiescherm moeten dienen voor deze achterhaalde verhalen over erfzonde en verlies van onschuld. Alsof zij het niet al zwaar genoeg hebben. Zondig, Eva, alle emancipatie begint met het eten van een verboden vrucht. Eerst zondigen en dan een Teleac-cursus evolutiebiologie als voorbereiding op een liederlijk bestaan.

In een indringende scène leest een tweede naakte vrouw, die met bijbellezing meer ervaring heeft dan het nichtje van Sa-ti, voor uit Genesis. Hoe God Adam en Eva schiep, naakt en zonder schaamte. Dan is er hard gesneden en volgen er beelden van een blanke Adam en Eva in een tweede, Europees tegenparadijs. Villevoye vond het, na terugkomst uit de Asmat, in de Noord-Hollandse Kennemerduinen. Een paradijs in een enclave van Natuurmonumenten. Nederlands oerlandschap met openings- en sluitingstijden dat in principe voor alle leden van Natuurmonumenten en dagkaarthouders toegankelijk is. Dagelijks worden zij die zich daaraan niet wensen te houden door boswachters in plaats van engelen uit het paradijs verdreven.

Net als in de Asmat-versie slenteren daar ontspannen een Adam en een Eva door het natuurgebied. Adam, hoe goed gebouwd ook, heeft onmiskenbaar kantoorbillen die een zittend bestaan verraden en Eva bezit, anachronisme, een kleine tatoeage boven haar bilpartij. Al is de paradijselijke droom waarover de blanke Eva in de film vertelt nog zo mooi, je beseft voortdurend dat het allemaal nep is. En dan pas dringt volledig door dat hetzelfde geldt voor de Adam en Eva in de Asmat. Zij zijn even kunstmatig als het stel in de Kennemerduinen. De kijker wordt door die spiegeling geconfronteerd met alle mogelijke vooroordelen. Zeker wanneer Villevoye in een cruciale scène onvoorzien stuit op het spoor voor het vervolg van de film. Sa-ti neemt ongevraagd het woord en betoogt trots en met verve dat hij zich door de Indonesiërs niet laat betuttelen. Onderwijl ritst hij zijn korte broek open en dreigt hem herhaaldelijk uit te trekken. Hij is een Asmatter en als hij zin heeft om naakt te lopen, dan doet-ie dat. Geen Indonesiër kan hem daarvan afhouden. Door de eerdere paradijsscène, die op mij een wat geforceerde indruk maakte, werd Sa-ti geprikkeld om uiteen te zetten hoe hij zich verhoudt tot zíjn ander. De Indonesische overheid die Papoea’s de wet voorschrijft zonder dat zij daar ooit om hebben gevraagd. Indonesiërs bovendien die nota bene nog van de Nederlanders leerden dat Asmatters ‘primitieve mensen’ zouden zijn. Mensen die mensen aten (orang makan orang). De historische gelaagdheid die in die ene scène naar voren komt is complex. De Europese nazaten van kolonialen zouden het liefst zien dat de Asmatters hun kleren weer uit zouden trekken, maar van de Indonesiërs die het hier tegenwoordig voor het zeggen hebben, moeten ze die juist aanhouden. Het is om gek van te worden. Inmiddels is ook Villevoye zelf in beeld gekomen, terwijl hij met de Asmatse Adam en Eva onderhandelt over hun honorarium. Aan het einde van de niet steeds chronologisch gemonteerde film kleden Adam en Eva zich weer aan en worden zij pas echt naakt.

De film die door Villevoye Beginnings werd genoemd, reisde inmiddels de wereld rond en werd, samen met de installatie Red Calico in januari 2007 vertoond in het Erasmushuis in Jakarta. De curatoren maakten zich zorgen. Hoe toon je een film waarin naakte mensen te zien zijn aan preutse moslims voor wie het naakte lichaam taboe is? Gevreesd werd dat dit weleens zou kunnen worden opgevat als een provocatie met alle mogelijke gevolgen voor de Nederlandse ambassade van dien. Daarom werd besloten de film uitsluitend op aanvraag te tonen. De argeloze bezoeker mocht er, alsof het om een pornofilm ging, niet ongevraagd mee geconfronteerd worden. Ik zou het moedig hebben gevonden als de curatoren geen zelfcensuur hadden gepleegd, al is hun angst voor de onverdraagzaamheid van fundamentalistische moslims goed voorstelbaar. Maar de conclusie is wel dat fundamentalistische moslims net als de oudtestamentische God, zelfs zonder zichzelf te laten zien, de wereld een door hen gewenste kant op sturen.

Noten

  1. Van 14 juni-10 augustus 2008 is in Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam een expositie van werk van Roy Villevoye te zien: Detour. De hier afgedrukte tekst zal in het Engels verschijnen in de catalogus bij de tentoonstelling.

  2. Kevin Rushby, Het paradijs. Drie duizend jaar zoeken naar de perfecte wereld, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007. Oorspronkelijke titel: Paradise. A History of the Idea that Rules the World.

Tijs Goldschmidt is gedragsbioloog en essayist. Hij publiceerde onder meer Darwins hofvijver en drie essaybundels, waarvan Vis in bad (2014) de meest recente is. In april 2019 verschijnt een selectie uit zijn brieven: Onvoldoende liefdesbrieven. Hij is adviseur aan de Rijksakademie van Beeldende kunsten en sluimerend gastschrijver van de Artis Bibliotheek.

Meer van deze auteur