Als een kat moet je hem benaderen. Op de loer liggend. Spiedend. Achteloos de nagels in- en uittrekkend. Je moet die nagels vijlen als een dame, onderwijl keuvelend over schijnbaar triviale zaken. Want al vindt de componist alles belangrijk, bij de verkeerde toonzetting wordt dat alles opeens tot vervelens toe banaal. Te gewild en te gekunsteld. Toch ging het eigenlijk al bij binnenkomst fout. Achter hem aan drentelend naar de keuken op de tweede verdieping van zijn huis aan de Keizersgracht, was de pose weliswaar uitgekiend – ik leunde losjes op het aanrecht – maar de uithaal te direct. Fout! Ik pakte het te groot aan. Je moet klein kijken en doen. Geen koffie gefilterd door papier. Die moet pruttelen in zo’n klein Italiaans koffieapparaatje. Dat is belangrijk, zegt Louis. Maar de kaas die nooit in de koelkast mag, ligt daar nu wel, zag ik. Een verandering in de orde van dienst. Kaas moest toch zweten in het keukenkastje? ‘Bij welk kunstwerk heb jij een religieuze beleving?’ Hij maakt zijn blik even los van de koffie die hij inschenkt: ‘Ik beleef niets. Alleen dat woord al. Beleving.’ Zo wordt de gedachtewisseling over verheven zaken aan het aanrecht zonder slag of stoot stopgezet. Ach nee, natuurlijk. Muziek betekent alleen zichzelf, hoevele malen heb ik hem dat niet horen roepen terwijl dikke programmaboekjes als begeleidende teksten van zijn composities voor mijn geestesoog uiteenwaaierden. Want waarom nu tekst en uitleg geven aan iets dat alleen zichzelf betekent? En meteen is het duidelijk: hier komen geen kathedralen, geen romans, geen schilderijen aan de orde. Voorlopig komt er helemaal niets aan de orde. Jawel, het rechteroog dat recentelijk aan staar gelaserd is. Dát komt aan de orde: ‘Ik zag een spectrum van kleuren. En een soort propellervliegtuigje voor mijn oog toen ze met een sonar bezig was.’ De hemel moet opengegaan zijn. Zo kan ‘het religieuze’ toch nog ter sprake komen. Niet te hard drukken, laat staan trekken. Beter met neergeslagen ogen de nagels blijven vijlen en denkbeeldig slijpsel nuffig wegblazen: ‘Wat denk je dat het was?’ ‘Mijn oog. Wat anders?’ Louis zag zijn oog. Wel geestig. Maar hij zag zijn eigen oog helemaal niet natuurlijk. Hij zag het licht. Te groot. Te bombastisch. Zo kom je nergens. We praten over Jeanette, zijn vrouw die 6 februari overleden is. ‘Haar ziel blijft nog wel zo’n 36 dagen bij ons rondzweven, heb ik gehoord.’ We knikken plechtig, maar tellen niet de hoeveelste dag ze dan nu al aan het zweven is. ‘Ik ben nog naar het rouwcentrum gegaan om het haar op haar voorhoofd goed te doen. Het moet rommelig zitten. Dat vindt ze belangrijk. “Tot straks” heb ik gezegd toen ik wegging.’ De tot op de draad versleten badjas die hij een slordige halve eeuw geleden tijdens zijn hofmakerij droeg toen hij Jeanette op het strand opzocht, komt ook langs. De vrouw stelde zijn dissonantie zeer op prijs. Decennialang is de badjas als relikwie bewaard gebleven. Meteen word ik bevangen door het visioen van een verward-harige Beatrice die Dante in badjas liefdevol opwacht. Het ligt voor de hand, te zeer voor de hand: Louis’ La Commedia, geïnspireerd op Dante, gaat op het Holland Festival in première. De hel, de loutering en de hemel. ‘Het is je magnum opus,’ zeg ik. Louis schudt zijn hoofd: ‘Nee. Het is veel meer dan dat.’ ‘De hemel,’ probeer ik loerend. Ik bespeur een zekere gelatenheid bij hem nu. Louis heeft altijd een moeizame verhouding tot schoonheid gehad. Het zevende visioen van Hadewijch uit zijn Materie; het hemelse moest en zou met het slijk der aarde verbonden blijven. Zoiets dien je te horen. Facing Death schreeuwt zenuwslopend op vioolsnaren om verlossing. Getergd verliet ik het Concertgebouw. De Tijd houdt me gevangen in de spanning van het eeuwigdurende ogenblik. Alsof het nooit voorbijgaat. Er wordt niets opgelost. Meeslependheid is uit den boze. Net als ik denk vergezichten te zullen aanschouwen, gaat het luifeltje naar beneden. Het mag nooit helemaal kloppen. Beethoven moet een scheetje laten. Anders deugt het niet.

Het moet allemaal nog veel alledaagser. Ja, inderdaad, hij neemt nog steeds een heet bad ’s ochtends. Aangekomen bij de kunstpagina van het nrc van de vorige dag zet hij de kraan open. Pas veel later wordt er geschoren, vanwege de huid die onder het dampende water geleden heeft. We knikken instemmend. Men moet de huid ontzien. Zeker die van een roodharige. En dan, zo tegen halfelf, op de Keizersgracht aangekomen met een kop koffie naar boven. Sinds decennia speelt Louis Bachs Wohltemperierte Klavier op de vleugel op zolder: ‘Bijna elke dag ontdek ik iets nieuws. Opeens is daar dan een losse akkoordverbinding die daar eigenlijk niet hoort. Geen componist heeft ooit zoiets gedaan. Ja, er is wel harmonie. Dat is belangrijk om te weten en dan, daar heb je dat akkoord weer dat er niet hoort maar dat er toch is.’ Louis gebaart naar zijn hoofd, de ogen nog steeds een beetje slechtziend: ‘Daar gebeurt het. Ik ruik de geur van mijn jongenskamer boven. Ik hoor het akkoord en ik ben daar in die kamer. Wonderlijk. Als dat gebeurt, als ik op zo’n losse verbinding stuit en dat kamertje gaat open, dan pak ik mijn potloodje en boven die noot schrijf ik thuis. Want het is zo weer weg.’ Thuis. Kijk, zo doe je nog eens zaken. ‘Ik ga je naar de Amstel brengen,’ zeg ik, ‘het is al laat.’ En buiten in de donkerte van de avondlucht vraagt Louis: ‘Waar denk je aan?’ Na een minuut stilte vervolgt hij: ‘Mijn vader zei dan altijd: “Je hoeft het niet te vertellen, hoor.”’