Het regende. Ik naderde over de brede Via Merulana de Santa Maria Maggiore, een van de oudste kerken in Rome. Het is de basiliek waar elke zomer op 5 augustus Maria-ter-sneeuw wordt gevierd om een mirakel te herdenken. Maria zou in de vierde eeuw in een droom zijn verschenen aan een Romeinse patriciër en zijn vrouw om te vragen een kerk voor haar te bouwen op de plek waar het de volgende dag zou sneeuwen. In de nacht van 4 op 5 augustus sneeuwde het op de Esquilijnse heuvel. Toen de patriciër en zijn vrouw zich bij paus Liberius voegden, vertelde hij eenzelfde visioen te hebben gehad. Rond het jaar 350 werd de basiliek ter ere van Maria gebouwd, op de plek waar het had gesneeuwd.

Toen ik zeven was, werd ik door mijn ouders meegenomen naar de herdenking van het wonder in de Santa Maria Maggiore. Tijdens de mis daalde uit een hoge koepel een dichte sneeuw van witte rozenblaadjes neer. Ik zag het vieringsritueel aan voor een mirakel. Pas toen de bloemensneeuw minder dicht werd, zag ik handen met mandjes over de rand van het balkon uitsteken en hoorde ik mensen lachen. Hoewel ik teleurgesteld was dat ik geen getuige was geweest van een wonder maar van theatrale oefeningen, pakte ik een rozenblaadje van de grond om het de volgende dag in een schrift te plakken.

Dit schrift werd mijn eerste dagboek. Inmiddels heb ik drie grote verhuisdozen vol met dagboeken geschreven; ik schrijf nog steeds geregeld op wat mij te binnen schiet. Het schrijven in een dagboek is voor mij een bezigheid geworden als eten, drinken en slapen. Ik meen het nodig te hebben.

Het schrijven is voor mij begonnen toen ik begreep dat als je wilt dat er iets uit de hemel komt, je het zelf zal moeten opschrijven. En in het kader van deze gedachteoefening over God en kunst wil ik opperen dat schrijven een vorm van aanbidden is. Ik schrijf weliswaar niet aan God, maar wel aan een eventuele aanwezigheid, die mij (mijn woorden) de schijn van eeuwigheid verleent die ik als sterveling nodig heb. Ik geloof namelijk dat er in de toekomst iemand zal zijn die mijn woorden wil lezen. Deze lezer zal over mij oordelen, en dat maakt het schrijven van een dagboek als biechten. Met enige gêne moet ik vaststellen dat ik me minder bezwaard voel wanneer ik mijn gedachten aan het papier en daarmee aan een eventuele lezer heb toevertrouwd.

Het regende inmiddels zo hard dat ik een paraplu wenste. Vooruit, dacht ik, laat ik bidden om een regenscherm. Wat onwennig formuleerde ik een schietgebedje. Ik dacht daarbij aan Jonathan Coe die in zijn roman The Rotters Club een jongen laat bidden om een zwembroek. Wie zijn zwembroek vergeet, moet op King William’s Grammar School in Birmingham naakt zwemmen. Ben Trotter kan zich geen grotere vernedering indenken dan dát, en hij belooft God eeuwige trouw in ruil voor een mirakel. Wanneer hij na zijn vurig gebed in zijn locker kijkt, ligt er een zwembroek. Het is riskant om te bidden.

The Rotters Club is een verhaal over adolescentie en politieke onzekerheid in de jaren zeventig. De persoonlijkheden binnen het groepje schooljongens rond Trotter tekenen zich steeds scherper af. Ze maken een schoolkrant, en een aantal vormt een aan Tolkien schatplichtige band Gandalf’s Pikestaff. Maar wanneer de punkbeweging eindelijk tot Birmingham doordringt, veranderen ze hun naam algauw in The Maws of Doom. De ira pub bombings, New Labour en de racistische politiek van Britain’s National Front krijgen een rol in het boek.

Het geloof van Ben Trotter – met het tastbare bewijs van God als zwembroek – is aanstekelijk. Het zou mooi zijn geweest als Coe het daarbij gelaten had. Maar in The Closed Circle, het boek dat op The Rotters Club volgt, wordt veel tenietgedaan. Zo gemakkelijk als Trotter in God is gaan geloven, zo gemakkelijk verwerpt hij Hem weer. Trotter – inmiddels van middelbare leeftijd – is teleurgesteld in zichzelf, in zijn vrouw en in zijn omgeving. Hij is ondanks jeugdige beloften in die richting nooit schrijver geworden. Door Trotter zich tot een wel erg vlakke persoonlijkheid te laten ontwikkelen, die in weinig meer lijkt op de complexe dromer van vroeger, stelt Coe de lezer teleur.

Jonathan Coe laat Ben Trotter in The Closed Circle ontdekken dat God niets te maken had met de zwembroek in zijn locker. Door een onwaarschijnlijk toeval legde iemand het kledingstuk er neer. Wanneer Trotter daarachter komt en daardoor zijn geloof verliest, raakt het boek zijn kracht kwijt. Van het verhaal, dat tot dan toe een overtuigende geschiedenis is van jongensvriendschappen en liefdes, wordt de constructie pijnlijk zichtbaar. Het argeloze geloof van de jongen blijkt opeens onderdeel van een groter plan, en het geploeter van de schrijver aan zijn plot krijgt de overhand. De alwetende verteller die de schrijver eerst was, een schrijver die ik kon aanbidden, juist omdat ik hem alleen kon vermoeden, wordt een aandoenlijke man met te veel ambities.

De patronen van zijn plannen worden alweer pijnlijk zichtbaar. Aan het slot van The Closed Circle blijkt bijvoorbeeld dat de twee boeken deel uitmaken van een raamvertelling. De beweging van het boek is zo rond als de titel, en tot overmaat van ramp zitten de twee raamvertellers in de wentelende kop van de Berlijnse televisietoren langzaam rond te draaien.

Tot mijn ontsteltenis lag er vlak voor de ingang van de Santa Maria Maggiore een opengeslagen paraplu. Was dit het werk van een schrijver die voor god speelde en mij uitdaagde een rol te spelen in zijn verhaal? Of zou God zich eindelijk aan mij hebben geopenbaard? Deze laatste gedachte beviel me wel. Ik keek om me heen of iemand me zag en mompelde wat onwennig ‘dankuwel’ richting basiliek, en knikte aarzelend richting hemel.

Maar het werd me al snel duidelijk dat geloven geen gemakkelijke aangelegenheid is. De twijfel sloeg toe. Werd ik op de proef gesteld door de duivel en zou ik me schuldig maken aan diefstal als ik de paraplu oppakte of zou ik God beledigen als ik zijn gebaar niet aanvaardde? En hoe onwaarschijnlijk is het eigenlijk dat er een paraplu voor de ingang van een kerk ligt, vroeg ik me af. Ik zag voor me hoe een kerkganger de paraplu er had neergelegd voordat hij naar binnen ging om geen spatten achter te laten in het heilige huis. Hij zou ervan overtuigd zijn dat niemand iets zou durven stelen onder het wakend toezien van God.

Ik zag mijn kans schoon en greep de paraplu.

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verscheen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur