Naar Roemenië moest ik, om de stuifwolken van koren
op de wegen, verliefde kleur voor bijen en horzels
ik vroeg waarom, het is daar de heet gewassen hemel
omdat je er nooit weer komt, zoveel weet jij wel.
Thuis leg ik het ruwe kleed van Sapâna onder de jachttafel
waaraan ik met blijven zitten begin.

Hier veel kauwtjes op klapperende afspraken
ze vliegen in patronen en twijfelen zelden, als de zon ze
zwarter maakt, blijven ze stil, met pincetbekjes open.
Hoe kiezen ze de liefde voor één andere kauw, hun veren
graven hetzelfde de lucht wrakkig? Droevig maakt het
dat denken in mensen in dierenkoppen.

Ik ben een twijfelaar, maar een van de meest zekere
want de dingen worden pas precies in mijn handen
mijn tengels hoeven geen oog, zo ik weet zeker
dat ik doodga tegelijk met de zon. Wanneer hij doodgaat?
Over vijf miljard jaar. Over je dood heen regeren is een zonde
over de zon ook. Ik hoor je wel.

Mijn linkerarm vergat ik uit het huwelijkse huis
de neushoorn van Dürer bleef boven ons staalzwarte bed.
Wat de tekenaar lukte zonder het schubdier ooit maar
gezien te hebben, mislukte in mijn eigele kamers.
Mijn man, mijn zoon, wat ik ook schreef, ze bleven weg
en ik haalde mijn arm op die er de pest in had.

Geen groot probleem is het, al zijn de problemen
slecht te overzien, maar zolang mijn zinnen happy worden
zoals John Austin me leerde (sstt) doen mijn pennen
het nog, zelfs daar in de spugende zon. Wist je dat Austin
meer praatte dan hij schreef? Wat kan het je schelen en
je bent er toch.

Balkons, repeterende uitgebouwde kamers, schoorstenen
Morandi was hier. Een Afrikaanse gebruikt haar dunne
balkon als kledingkast, mijn buurman jaagt de duiven
angst aan met drie kraaien die Walpurgisnachten voor mij
opvoeren, ik taxeer de mensen, maar doe hun geen recht
moet ik?

Kun je iets begrijpen wat je niet kunt noteren, omschrijven
uitleggen, verklaren? Bijvoorbeeld dit: dat die vlier alleen
bestaat als ik hem zie? Geloof ik de oude buurvrouw
als ze zijn witte tuilen brengt die snel bruin worden
omdat ze hun afkomst vermommen? Witte Fernanda
want het is zondag, tot op haar aderen wit.

Stil even, als onze taal happy is, dan ook onze daden
of is het juist andersom? Nee, als onze daden happy
zijn, dan onze kauwen, onze bomen, onze doden
jij en ik, geen ons is ons te veel! Natuurlijk hebben we
genoeg mankop voor vergetelheid, zo ken ik je weer.
Wat trillen mijn handen?

In Roemeense rokken huilde ik, om het zure stof
de arme Roma, de kettinghonden, om wat jij zingt over
een meisje in het land van citroenen waar ze door haar eigen hand
stierf, om Mignon, haar naam als van een supermarkt waar
de citroenen nauwelijks rimpelen en je ze kunt eten zonder
dat je tong krult, bijna onbeleefd.

Als altaarschellen, de bellen van de koeien, rinkelend tegen
de tinten groen, de schel drukte zachtjes op je lendenen
je blaas, ze pisten erbij of verdwenen in nevel na hagel
bij hitte. Is de zondvloed nou al geweest of moet ik daarvoor
teruggaan? De wereld maak ik gelijk met de taal, wat
verwacht je anders van mij?

De letter ‘n’ is mijn vader (zijn tengere benen die van jou)
want de vorm is een daad, een wiskundig programma
kan berekenen van wie een gedrukte tekst is. Is één woord
een te kleine beweging? Vogelvrij, zonder eigenaar?
Met één letter kun je ontsnappen, maar met mijn dood
verdwijnt mijn vader als ‘n’.

Je wilt de voorwaarden weten, dat bederft alles. Als happy
deugdelijk is, gelukkig noch ongelukkig, niets ontsnapt
of over het hoofd wordt gezien, jij er bent zoals lakens op de bleek
zich spiegelen naar het licht. Ik verzin niks, als dat het is.
Je gelooft me best, maar eerst strekken we ons uit in elkaar
zonder katoen.

De bomen, een vlier, een kastanje, nog een naamloze
grote, een paar kleintjes ervoor waar mijn zicht stopt
ik at er mijn enige lauwerkrans, voor de vuist weg
in grote en kleine stukken, net wat mijn handen wilden.
Wist je dat Judas zich ophing aan een vlier, wie zegt me
dat het niet die boom daar is?

Vaak kleine vuren in de binnentuinen, je hoort ze
als van ver, gordijnen geweven uit matte regen of een bui
die net voorbij is en laatste klapjes uitdeelt. Ik wil je horen
waar de Agneskerk haar ballen tegen elkaar klinkt, waar de wolken
grijnzen met vuurtanden, kom dan voor mijn mos
in de oksels van mijn muren.

Darwin zegt dat ik huil enkel om mijn ogen te smeren
ik word er goed in, zorg voor genoeg zout en vocht.
Ik moet in mijn kracht gaan zitten. Waar haal je die zin vandaan?
Mijn meubels zijn te vers, geen huid gewend, hier is alleen
vocht en droogte. Onder mijn jachttafel ruiken
de vossenkoppen drift.

Toen ik kleiner was, leerde ik dat alles daad is, toen
ik daarvoor nog kleiner was, was de daad mij. In de bergen
van Rucar lag een dood hondje met brede bek en mager
witgekookt lijfje, zijn maag leeggegeten. Het is te weinig
keren doodgegaan om happy te worden, net als ik
vraag ik te veel?

Jij zegt dat de hele santenkraam uit ons bestaat.
Beloer de kauwen, ze wringen zich paar na paar
door het gat van hun verblijf, herhaling is iets van ons
houd ze eens beter uit elkaar: het zwartblauw
het loodzwart, het ijzer. Of ik kan stoppen met praten
over kauwen. Ik zie je altijd door mijn vingers.
En wat doen mijn handen nu? In het midden zijn ze
waar Venus licht over heeft, ik stuiter de woorden
uit mijn zinnen over de harde lucht als over een vijver.
Had ik zes voeten, ik liet de vossen los voor mijn jacht
had ik zes woorden, ik leefde zes levens en het was genoeg
genoeg voor alle keren erna.

Sasja Janssen (1968) is dichter, docent Nederlands als tweede taal en docent schrijven. In 1999 debuteerde ze met proza in Revisor, waarna ze twee romans publiceerde: De kamerling en Teresa zegtPapaver (2007) is haar poëziedebuut, gevolgd door de bundels Wie wij schuilen (2010), Ik trek mijn species aan (2014, nominatie VSB Poëzieprijs) en Happy (2017).

Meer van deze auteur