Mijn man zit am Tisch, mijn kinderen zitten aan tafel en Tisch. Ik zit − wanneer mijn kinderen meer neigen naar Tisch − steeds uitdrukkelijker aan tafel.

Ik ben met mijn man in ons tweetalige huis als de zeeën in het noorden van Nederland en Duitsland. Daar bestaan verschillende interpretaties van het precieze verloop van de Nederlands-Duitse zeegrens, bij de monding van de Eems.

Op www.waddenpost.nl las ik een bericht uit 2013 met als kop ‘Grensconflict opgelost’. In het stuk wordt vervolgens een poging gedaan om uit te leggen waarom dat toch nog niet helemaal gelukt is. Ook uit andere berichtgeving over het conflict komt vooral naar voren dat men het geschil niet onnodig groot wil maken. Er is − zo lijkt men stilzwijgend te willen zeggen − genoeg gestreden.

Maar toch: ‘De zeegrens is al sinds 1464 een twistpunt. Het was toen de Oost-Friese rijksgraaf die de Duitse keizer om klaarheid vroeg. Frederik III meende dat de Eems bij Oost-Friesland hoorde. Tegenwoordig is dat Duitsland. De bewoners van de westoever, nu Nederlands grondgebied, vonden dat maar niks. Zij wilden de grens meer oostelijk.

In 1960 tekenden Nederland en Duitsland het Eems-Dollard-verdrag waarmee dat conflict was opgelost, tot aan drie zeemijlen uit de kust. De discussie over het gebied ten noorden van die lijn was daarmee nog niet geluwd. Tot aan 12 zeemijl uit de kust bleef de grens vaag.’

Gaan we nog voetbal spelen?’ vraagt mijn zoon.

‘Voetballen, bedoel je?’ corrigeer ik, terwijl ik me had voorgenomen dat niet meer te doen.

‘Versprochen ist versprochen,’ zegt hij met een ernst die ik niet anders kan omschrijven dan als Duits.

‘Versprochen’ is niet hetzelfde als ‘beloofd’. ‘Beloofd’ is een woord dat je kunt uitademen en inslikken. ‘Versprochen’ staat gebeiteld in steen, van een soort die alleen nog in mijnen in het Ruhrgebiet wordt aangetroffen.

‘Ja, gisteren heb ik dat versprochen, toen de zon scheen, maar nu hagelt het en kunnen we misschien iets anders gaan doen.’ Ik moet het er nodig met mijn man over hebben dat het niet altijd goed is om je aan afspraken te houden.

‘Het leven is niet altijd voorspelbaar,’ zeg ik tegen mijn zoon. ‘Je kunt niet alles regelen met afspraken. Je moet ook flexibel leren zijn.’ En dat klinkt redelijk overtuigend.

‘Papa?’ probeert mijn zoon.

‘Ik lees hier dat de Nederlandse taal maar 80.000 woorden kent, 80.000 maar. De Duitse taal heeft er wel 5,3 Millionen!’ hoor ik mijn man triomfantelijk roepen vanachter zijn Frankfurter Allgemeine Zeitung.

5,3 Millionen! galmt het na in mijn hoofd.

‘Het Engels heeft er 620.000,’ klinkt het op neutralere toon, als om de klaroenstoot van zonet te vereffenen.

Mijn zoon rekent uit dat het Duits zeker zestig keer meer woorden heeft dan het Nederlands.

Fronsend kijkt hij me aan. ‘Dat kan toch niet waar zijn?’ zegt hij.

Ik pak mijn rekenmachine erbij.

‘Ja, dat klopt,’ zeg ik en ik verzwijg dat het zelfs 66,25 keer meer is.

Ik moet me inhouden om niet Gogol te citeren over de accuraatheid van de Duitsers, die kennelijk in de negentiende eeuw al opvallend was.

‘Wie heeft die woordentelling gemaakt?’ vraag ik bits, alsof er nog iets te redden valt.

Ik krijg het benauwd, wanneer ik bedenk dat ik werk in een taal die mogelijk de krapste woordenschat van Europa heeft. Zou het denken in het Nederlands beperkter zijn, wanneer er minder woorden zijn om uitdrukking te geven aan… Zouden de Duitsers om hun goed ontwikkelde taal zoveel filosofen… Zou ik me beter in het Duits kunnen uitdrukken dan…

Ik heb geleerd om niet onmiddellijk kwaad te worden, of om in ieder geval te doen alsof ik het niet ben, wanneer het gaat om culturele bedreigingen aan mijn adres.

Mijn ‘adres’? Is dat soms mijn nationaliteit? Sinds wanneer voel ik me Nederlands, en sinds wanneer weet ik wat dat is, een Nederlander?

Het antwoord daarop − ik kan er niets anders van maken − luidt: sinds ik met een Duitser ben getrouwd.

Mijn man vindt het grappig om te zeggen dat het Nederlands een dialect is van het Duits. Het is me nooit gelukt daarom te lachen. Ik kan zelfs niet doen alsof.

Ik heb tot op de dag van vandaag niet durven uitzoeken of hij gelijk heeft.

Waarom kun je in het Nederlands zo goed gedichten schrijven,’ zeg ik tegen mijn zoon, mijn man negerend. ‘Een enkel woord kan in het Nederlands meerdere betekenissen hebben. Het is dus in feite een gelaagdere taal dan het Duits,’ hoor ik mezelf beweren.

Ik hoor mijn man lachen.

Ik wil het niet ik wil het niet maar in mij begint een woede op te laaien.

‘Waarom,’ zeg ik, ‘hebben Duitsers altijd de behoefte alles zo exact mogelijk weer te geven en liefst in hun eigen voordeel? Wat ligt er aan die grootheidswellust ten grondslag? Een klein minderwaardigheidscomplex misschien? En nee, het heeft niets met de oorlog te maken, dat was al zo in de negentiende eeuw. Ik heb het zelf gelezen bij Gogol, in Dode zielen.’

Ik ben niet meer te houden.

‘En hoe, hoe komt het dat de Duitsers zo schraal blijven met al die woorden die ze tot hun beschikking hebben en lukraak verzinnen en samenstellen? Geen wonder dat ze zoveel woorden nodig hebben.’

Mijn zoon zegt: ‘Nou, ik ga even voetballen.’

‘Hier,’ zeg ik. ‘Gogol schrijft over de Duitse taal als afspiegeling van de Duitse geest: “Ingewikkeld en niet voor iedereen toegankelijk is het verstandelijke, schrale woord dat een Duitser verzint.”’

Een zee van gelijkhebberigheid stroomt door het huis en weet van geen wijken meer. Wat wil ik eigenlijk bewijzen?

Op de website van het ministerie van Defensie lees ik dat het grensconflict tussen Nederland en Duitsland nog altijd heerst: ‘Nederland en Duitsland zijn het nog niet eens over de grens van de territoriale zee nabij de monding van de Eems. Wel bestaat er een verdrag waarin afspraken staan over samenwerking: het Eems-Dollard-verdrag. Bij dit verdrag hoort een Aanvullende overeenkomst. In de Aanvullende overeenkomst staan alleen afspraken over opsporen en winnen van aardolie en aardgas. De grenzen van het Verdrag en de Aanvullende Overeenkomst komen niet met elkaar overeen.’

Kommt ihr zu Tisch?’ roept mijn man.

‘Aan tafel!’ roep ik harder.

We leven in een vorm van harmonie die in stand wordt gehouden door wederzijdse onwrikbare verdedigingslinies. Tot aan 12 zeemijl uit de kust blijft de grens vaag.

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verscheen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur