Er bestaat een Duits sonnet, geschreven in de winter van 1944-1945, dat er vele jaren over heeft gedaan om zijn rechtmatige plaats te krijgen in de dichtbundel waarin het van oorsprong thuishoorde. Dat sonnet, op papier gezet in een Berlijnse gevangenis door de Duitse dichter, geograaf en diplomaat Albrecht Haushofer, draagt als titel ‘Bombenregen’ (‘Bommenregen’) en maakt deel uit van zijn tachtig gedichten tellende bundel Moabiter Sonette. Van die bundel verscheen in Berlijn in 1946 de eerste handelseditie. Omdat de uitgever de Romeinse nummering van i tot lxxx bij de titels van de sonnetten heeft weggelaten, valt het in eerste instantie niet zo op. In het nawoord wordt zelfs nog bedrieglijk gerefereerd aan ‘achtzig Gedichte’, maar wie de opgenomen gedichten zorgvuldig natelt, komt erachter dat er in deze uitgave maar 79 sonnetten te vinden zijn. Het sonnet met het oorspronkelijke nummer il (49) is stilletjes geschrapt. De uitgever, Lothar Blanvalet, vond het naar verluidt tactloos ten opzichte van de geallieerde bevrijders van nazi-Duitsland om een gedicht af te drukken waarin een gevangene op poëtische wijze de bombardementen op Berlijn beschrijft, zoals die vooral in de laatste oorlogsmaanden het leven in de Duitse steden tot een hel op aarde maakten.

Door die valse Duitstalige start van de Moabiter Sonette ontbreekt het omstreden sonnet ook in de Franse editie van de bundel, met vertalingen van Jacques Rébertat, in 1954 verschenen bij uitgeverij Pierre Seghers, evenals in de Italiaanse editie uit 1966, van de hand van vertaler Ervino Pocar, en in de Noorse uit 1974. Wat staat er in dit 14-regelige gedicht dan wel niet voor beschamends of verwijtbaars dat men het drie decennia na het einde van de oorlog nog altijd beter vond om ‘Bombenregen’ niet te publiceren?

Dubbelzinnigheden

Ook – of juist – van een afstand van meer dan zeventig jaar sinds zijn gewelddadige dood in 1945 is Albrecht Haushofer een intrigerende en enigszins ongrijpbare figuur. In Duitsland zelf wordt hij dezer jaren opnieuw ontdekt, hetgeen onder meer resulteert in een met Duitse grondigheid aangepakte meerdelige uitgave bij Peter Lang Verlag van zijn Gesammelte Werke, waarvan in 2014 een eerste band van een deel I met theaterstukken is uitgekomen. Misschien zal een vollediger beeld van zijn literaire werk ook de persoonlijkheid van Haushofer scherper in beeld brengen, maar bij ontbreken van een hedendaagse biografie (de meest grondige poging daartoe dateert alweer uit 1970) zijn de dubbelzinnigheden in zijn betrekkelijk korte levensgeschiedenis duizelingwekkend.

De eerste in het oog springende dubbelzinnigheid is die van de dichter versus de wetenschappelijk geschoolde diplomaat. Het dichterschap, de muzische kant van zijn karakter, dankte de in 1903 in München geboren Albrecht Georg Haushofer vooral aan zijn moeder, Martha Mayer-Doss. De wetenschappelijke en diplomatieke gaven kreeg hij meer van zijn vader mee, die uit een conservatief Beiers geslacht stamde. Die vader, Karl Haushofer, zou het in de Eerste Wereldoorlog tot generaal-majoor brengen en later tot hoogleraar in de nieuwe wetenschap van de geopolitiek. Als zodanig werd hij een van de vroege theoretische inspiratiebronnen en raadgevers van de jonge Adolf Hitler. De gevolgen die deze blijvende ideologische verbinding ook voor Albrecht (en in mindere mate voor zijn jongere broer Heinz) zou hebben, waren ingrijpend. Het schrijven van gedichten en van toneelstukken, het maken van poëzievertalingen en het spelen van piano waren voor Albrecht misschien wel evenzovele vluchtpogingen uit de bezwarende en onhanteerbare sociale en politieke omstandigheden waarin zijn levensloop – in het voetspoor van zijn vader – verzeild raakte.

Dat heeft zeker ook te maken met een tweede dubbelzinnigheid, die erin bestond dat Albrecht Haushofer enerzijds, na een studie geografie en een aansluitende wereldreis, een wetenschappelijke carrière aanving, die hem gaandeweg – en zeker na de machtsovername van de nazi’s in 1933 – in steeds woeliger diplomatiek en zelfs politiek vaarwater bracht, terwijl hij anderzijds volgens de in 1935 ingevoerde Neurenberger rassenwetten als zoon van een half-Joodse moeder formeel in zijn steeds hoger geplaatste functies niet te handhaven viel. Slechts de bescherming die Haushofer genoot van Hitlers officiële plaatsvervanger Rudolf Hess, een lievelingsleerling en bijna een aangenomen zoon van vader Karl Haushofer, zorgde ervoor dat hij zijn precaire positie kon behouden en zelfs jarenlang werkzaam kon zijn als adviseur op het ministerie van Buitenlandse Zaken onder Joachim von Ribbentrop.

In privécorrespondentie aan zijn ouders maakt hij al vroeg in de jaren dertig duidelijk hoe zijn ware houding tegenover Hitler en zijn trawanten is, maar het duurt tot in de oorlog voordat Albrecht Haushofer, heel behoedzaam en tussen de diplomatieke coulissen opererend, iets van daden bij die woorden voegt. Na de spectaculaire vlucht naar Schotland van Rudolf Hess op 10 mei 1941 had Haushofer ook minder speelruimte, zijn machtige beschermheer was immers weggevallen. Deze derde dubbelzinnigheid bestaat in de schijnbare onverenigbaarheid tussen een begaafde en kosmopolitisch ingestelde intellectueel, die zich jarenlang althans in uiterlijke trouw laat gebruiken door het naziregime, maar die tegelijkertijd in privégesprekken en in persoonlijke brieven (in elk geval vanaf 1941) geen misverstand meer laat bestaan over zijn ware antinazistische gezindheid. Enerzijds een aan het Hitler-regime loyale diplomaat en politiek adviseur, anderzijds een geheime dissident en samenzweerder. Die betrokkenheid bij de krachten die zich tegen Hitler keren gaat zo ver, dat er direct na de mislukte moordaanslag op de Führer van 20 juli 1944 een arrestatiebevel tegen Haushofer wordt uitgevaardigd. In weerwil van een vlucht naar zijn Beierse geboortegrond wordt hij enkele maanden later gearresteerd en op 13 december 1944 in Berlijn gevangengezet.

In de periode van iets meer dan vier maanden gevangenschap, tot zijn gewelddadige dood in de nacht van 22 op 23 april 1945, ontstonden de tachtig sonnetten waarin postuum de vele dubbelzinnigheden uit het leven van Albrecht Haushofer op hun plaats vallen: de gewiekste politiek geograaf en diplomaat, die een schuilplaats zocht in de poëzie en het toneel, de nazi die geen nazi wilde zijn en bovendien eigenlijk een kwart-Jood was, en de man die ondanks zichzelf twaalf jaar lang het Hitler-regime had gediend om uiteindelijk in de gevangenis te belanden als een samenzweerder die nooit werkelijk enige verzetsdaad pleegde. Zoals hij het onder de titel ‘Schuld’ (nummer xxxix) in een van de andere Moabiter Sonette machteloos, maar glashelder verwoordde: ‘Ik wist al vroeg waarheen de ramp zou gaan./ Ik heb gewaarschuwd, maar niet hard genoeg!/ Pas nu besef ik welke schuld ik droeg.’

Bombardementen

De grote, naar Engels model in de jaren 1842-1849 gebouwde gevangenis aan de Lehrter Strasse in de Berlijnse wijk Moabit, waar Haushofer van 13 december 1944 tot en met 22 april 1945 opgesloten zat, lag zo’n beetje ingeklemd tussen het Lehrter Bahnhof, de plaats waar tegenwoordig het station Berlin Hauptbahnhof staat, en het rangeerterrein van het bijbehorende goederenstation. Dergelijke infrastructurele knooppunten waren in de oorlog natuurlijk logische doelen voor geallieerde luchtaanvallen. Maar de waarheid is dat de Engelsen en de Amerikanen, ondanks schone beloftes van de geallieerde leiders, op geen enkel moment tijdens de Tweede Wereldoorlog in staat zijn geweest om steden in Duitsland zo doelgericht te bombarderen dat een station of een spoorwegemplacement wél zou worden getroffen en de daarnaast gelegen wijk of gebouwen niet.

Die schone pleidooien voor een oorlog die niet tegen burgers gericht zou mogen zijn (Roosevelt) en waarin het opzettelijk bombarderen van burgerpopulaties illegaal moest heten (Churchill), werden al verbroken voordat ze goed en wel uitgesproken waren. Het eerste stadsbombardement op Berlijn, uitgevoerd met 103 bommenwerpers, dateert van 25/26 augustus 1940. Het was een represaille voor het bombardement dat de Luftwaffe daags tevoren, op 24 augustus 1940, bij vergissing op Londen had uitgevoerd, terwijl men eigenlijk de havens aan de monding van de Theems had willen treffen. De wraakzuchtige geest van de bewuste stadsbombardementen die toen is ontsnapt, is in feite nooit meer terug in de fles gekomen en het argument van vergelding vormt de eerste van drie uiteenlopende rechtvaardigingspogingen die van de kant van de geallieerden zijn aangevoerd voor de genadeloze tapijtbombardementen op Duitse steden, die bij elkaar zo’n 500.000 burgerslachtoffers zouden maken. Een ontegenzeggelijk feit is immers dat het de Duitsers waren die met grootscheepse bombardementen op steden en dus burgerdoelen waren begonnen, zoals niet alleen de bevolking van Londen, maar bijvoorbeeld ook die van Rotterdam al aan het begin van de oorlog had ondervonden.

Een tweede reden waarom de geallieerden niet zo gemakkelijk konden besluiten om zich te beperken tot het bombarderen van militaire, industriële en andere niet-burgerlijke doelen, is dat het woord ‘precisiebombardementen’ eenvoudiger klinkt dan het in die tijd was. Factoren als slecht zicht, zeker bij beroerde weersomstandigheden, een nog tamelijk primitieve radar, het moeten ontwijken van luchtafweergeschut en van vijandelijke jachtvliegtuigen, terwijl er bovendien naast de te treffen doelen (zoals vliegtuigfabrieken en rangeerterreinen) arbeiderswijken stonden, zorgden ervoor dat met name de Amerikaanse politiek van precisiebombardementen bij daglicht gruwelijk mislukte. Daarvoor werd zowel door burgers op de grond als door bemanningen in de lucht een hoge prijs betaald. De Britse aanvallen, onder verantwoordelijkheid van de fanatieke luchtmachtgeneraal Sir Arthur ‘Bomber’ Harris, werden om redenen van bescherming van de vliegeniers en hun toestellen bij voorkeur ’s nachts uitgevoerd, wat doelgericht bombarderen nog verder bemoeilijkte, voor zover men daar al naar streefde.

Het derde, moreel getinte argument voor de zogeheten ‘area bombing’ van Duitse steden was dat het ondermijnen van het moreel van de vijandelijke bevolking voor een verkorting van de oorlog zou zorgen en dat die verkorting van de oorlog op haar beurt veel levens zou sparen, met name aan de zijde van de geallieerden. Dat is dezelfde redenering waarmee in 1945 de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki zijn gerechtvaardigd: aangezien aan het uiteindelijke doel niet te twijfelen viel, waren in feite alle middelen geoorloofd.

Alles bij elkaar zorgden deze drie factoren ervoor dat de pleidooien respectievelijk goede voornemens van Roosevelt en Churchill in de loop van vijf oorlogsjaren zozeer verbleekt waren dat in de winter van 1944/1945 – kort gezegd – het uitvoeren van tapijtbombardementen op zo veel mogelijk Duitse steden als een legitieme oorlogsstrategie was gaan gelden. En van die Duitse steden gold de hoofdstad Berlijn natuurlijk als het belangrijkste doelwit.

Gevangenschap

Voor Albrecht Haushofer was de periode vanaf zijn aankomst aan de Lehrter Strasse op 13 december 1944 een afwisseling van uiteenlopende vooruitzichten. In de eerste weken werd hij ondervraagd over zijn veronderstelde betrokkenheid bij de mislukte aanslag op Adolf Hitler en werd er een aanklacht tegen hem voorbereid, die zou moeten resulteren in een strafproces voor het gevreesde Volksgerichtshof. Maar al spoedig kreeg hij een betere behandeling, aangezien de nazi’s toch nog rekening hielden met de mogelijkheid van vredesonderhandelingen en Haushofer daar, gegeven zijn achtergrond en zijn internationale ervaring, een nuttige rol bij zou kunnen vervullen. Hij kreeg rook- en schrijfwaren tot zijn beschikking, en zette zich aan het schrijven van een gevangenisdrama over zijn historische lotgenoot Thomas More en van een reeks sonnetten.

In die op vijf blaadjes A4 met potlood geschreven gedichten maakt Haushofer een rondgang langs zijn intellectuele en culturele inspiratiebronnen, zijn lectuur, zijn reizen uit de voorbije twintig jaren, alles bij elkaar een scherpzinnige en weemoedige reflectie op de ineenstorting van de Duitse cultuurwereld waaronder hij als een machteloze eenling bedolven wordt. In enkele sonnetten schrijft hij ook wel iets over zijn dagelijks bestaan in de gevangenis: twee mussen die hem in zijn getraliede venster gezelschap komen houden, de domme boerenkinkels die als cipiers dienstdoen, de muggen, de gevangenisarts die zijn medische roeping trouw blijft, de oorlogsgeluiden die tot in zijn cel doordringen. Maar het overgrote deel van de Moabiter Sonette valt toch vooral te lezen als een intellectueel, cultureel en persoonlijk testament van een belezen en bereisde geleerde, die zich ook in een aantal vooroorlogse theaterstukken eerder als een boekige literator dan als een lyricus had laten kennen.

Al die maanden moet Haushofer geweten hebben dat in het bijzonder Heinrich Himmler en Martin Bormann hem uitsluitend in leven lieten vanwege zijn inzetbaarheid als pion in eventuele vredesonderhandelingen, maar dat zijn leven voor het overige zo goed als niets meer waard was. Dat gold in die laatste oorlogsmaanden voor alle Berlijners, zelfs voor de president van het vermaledijde Volksgerichtshof, dr. Roland Freisler, die op 3 februari 1945 na het klinken van het luchtalarm nog bezig was met het opbergen van een strafdossier, toen hij bij een directe treffer door het instorten van zijn gerechtszaal werd verrast. Het gerucht over Freislers dood verspreidde zich tot in de gevangenis en inspireerde Haushofer tot het schrijven van het sonnet ‘Nemesis’. Met de verwijzing in dat gedicht naar het ‘hogere gerecht’ dat de gehate Freisler ter dood had veroordeeld, lijkt Haushofer eerder te doelen op de tijdloze almacht van het noodlot dan op de goddelijke gerechtigheid, een concept dat slecht zou passen in zijn bovenal cultureel geïnspireerde omgang met het religieuze.

Na dat bombardement op 3 februari volgden nog meer zware Amerikaanse aanvallen, afgezien van de geregelde nachtelijke bombardementen door de Engelsen. En om het vagevuur compleet te maken openden op 16 april de Russen vanuit het oosten hun beschietingen van Berlijn, teneinde de stad rijp te maken voor inname door het 2,5 miljoen man sterke Sovjetleger. In de vroege ochtend van 21 april vond de laatste geallieerde luchtaanval plaats. De val van Berlijn was vanaf dat moment een kwestie van nauwelijks meer dan een week. Het is dit historische tafereel, teruggebracht tot het onafwendbare noodlot van één dichter in een gevangeniscel, dat in het sonnet ‘Bombenregen’ wordt geschilderd.

Poëzie

Een sonnettencyclus is geen dagboek, maar er is veel voor te zeggen dat het sonnet ‘Bombenregen’ is geschreven naar aanleiding van het bombardement dat plaatsvond op 18 maart 1945. Het ging om Missie nr. 261 van de Amerikaanse 8th Air Force, uitgevoerd door een vernietigingsvloot van meer dan 1200 bommenwerpers. Die aanval geldt als het zwaarste geallieerde bombardement op Berlijn in de hele Tweede Wereldoorlog. Vanaf 10.57 uur in de ochtend duurde het bombardement ongehinderd en ononderbroken tot 12.45 uur. Vooral het noorden en noordwesten van de stad had het zwaar te verduren, met inbegrip van de wijk Moabit waarin Haushofers gevangenis was gelegen. Die gevangenis liep geen directe voltreffers op, maar de urenlange bommenregen moet voor de aldaar opgesloten gevangenen een onaards spektakel zijn geweest.

In zijn cel nr. 202 zal Albrecht Haushofer, die vanwege zijn expertise in het verzamelen en interpreteren van inlichtingen in de gevangenis de bijnaam ‘Informationsminister’ droeg, in die weken hoe dan ook al hebben beseft dat de Amerikaanse en Engelse suprematie in de lucht een definitief gegeven was en dat de opmars van de Russen niet meer gestuit kon worden. Maar na de benauwde uren op 18 maart in de schuilkelders van het grote, stervormige gevangeniscomplex aan de Lehrter Strasse, hoek Invalidenstrasse, zal hij met nog meer reden overdacht hebben hoe gering zijn overlevingskansen waren geworden. Tegen die achtergrond vraagt hij zich in zijn gedicht hardop af in welke van drie gedaanten het noodlot hem zal treffen: een Duitse strop, een Russische kogel of een Britse bom.

Het is die vertwijfelde en machteloze speculatie die de kern vormt van het aanvankelijk gecensureerde sonnet ‘Bombenregen’. Die censuur was onterecht en onnodig, want eerder dan een verwijt aan de geallieerden voor hun genadeloze stadsbombardementen is het een poëtische verzuchting, de hulpkreet van een machteloze die voorvoelt dat het noodlot zich spoedig aan hem zal voltrekken. In die zin laat het gedicht zich lezen in de tijdloze traditie van poëzie geschreven aan de vooravond van een aangekondigde executie.

In het geval van Albrecht Haushofer vond die executie inderdaad plaats, slechts enkele dagen voor het staken van de vijandelijkheden en het uitroepen van de vrede op VE-Day (Victory in Europe) op 8 mei 1945. In de nacht van 22 op 23 april 1945 maakte een SS-commando met een nekschot een einde aan zijn leven en dat van veertien medegevangenen. Haushofers stoffelijk overschot werd op 12 mei aangetroffen op een stukje braakland waar de executie kennelijk had plaatsgevonden, enkele minuten gaans van de gevangenis. In zijn binnenzak zat het manuscript van alle tachtig gedichten die tezamen de bundel Moabiter Sonette vormen.

Via via kwam het manuscript in handen van een aantal officieren van een mobiele vertaaleenheid uit het Amerikaanse bevrijdingsleger. Die lieten nog in hetzelfde jaar 1945 in een oplage van slechts een paar honderd exemplaren een privédrukje van de bundel verschijnen, omdat zij onder de indruk waren van deze dichterlijke getuigenis. Alle tachtig sonnetten staan in dat nu zeer zeldzame bundeltje uit 1945, inclusief het later omstreden sonnet nr. il. Beter dan een reeks latere uitgevers van de bundel begrepen deze militairen dat in de oorlog de ene waarheid de andere soms niet verdraagt, maar dat die tegenstrijdige waarheden in een gedicht heel goed naast elkaar kunnen bestaan.

Albrecht Haushofer

IL Bombenregen

Ein Bombenteppich nach dem andern rauscht
Aus hellem Himmel todesnah heran.
Wie todesnah berechnet ihre Bahn,
Wer eingegittert ihrem Brauschen lauscht!

Wir alle wissen wohl, dass unsre Leben
So billig sind wie Stroh: der deutsche Strick,
Die Russenkugel jählings im Genick,
Die Brittenbombe sind als Los gegeben.

Ein Wunder wärs, wenn uns ein Schicksal gönnte
Noch Dasein ohne Wirkung, Sinn und Ziel ̶
Wir wissens: dennoch danken wir dem Spiel,

Dem Spiel des Zufalls, das uns töten könnte,
Mit jedem Wurf, und heut noch unser schont.
Wer hoffte nicht, dass doch ein Tag ihm lohnt!

IL Bommenregen

Bommentapijten – keer op keer – doorkruisen
Tot dodelijk dichtbij de helle lucht.
Hoe dodelijk berekent uit hun vlucht
Wie achter tralies luistert naar hun suizen!

Ons hele leven, zo beseffen wij,
Is niet meer waard dan stro. Een Duitse strop,
Of van een Rus een kogel door je kop,
De Britse bommen zijn een loterij.

Een wonder zou het zijn, indien het lot
Ons zinloos, doelloos hier laat voortbestaan – 
Wij weten het: toch zijn we dankbaar aan

Het toeval, dat ons in zijn spel kapot
Kan maken, maar vandaag ons heeft gespaard.
Elk hoopt hij blijkt een nieuwe dag nog waard!

Vertaling poëzie: Maarten Asscher

Maarten Asscher (1957) debuteerde in 1992 met de bundel essayistische verhalen Dodeneiland. Sindsdien publiceerde hij een dozijn boeken in diverse literaire genres en een proefschrift over gevangenschap als literaire ervaring (Het uur der waarheid, 2015). In 2020 ver- schijnt bij De Bezige Bij een autobiografische roman over het leven van zijn Engelse grootouders. 

Meer van deze auteur