Juni geeft nog eens, binnensmonds vloekend, een klap op de lichtknop maar er gebeurt niets; het blijft donker. Ze probeert een van de sleutels zonder te zien welke het is, en nog een. De sleutel glijdt in het slot en ze duwt de deur met haar schouder open, haar zware tas bungelend aan haar arm. Ze doet het licht aan met een klap! op het lichtknopje.
Juni zit op de bank en kijkt afwezig de post door. De tv-commercials staan op mute. Juni neemt een slok van haar wijn; een goeie fles. Ze zal een glas voor Dickie bewaren. Haar oog valt op de eettafel in de hoek van de kamer: er is iets dat haar aandacht trekt, of eerder wordt haar aandacht getrokken door het ontbreken van iets.

Juni zet haar wijnglas neer. In haar hoofd is een ballon opgeblazen die geen plek vrijlaat voor gedachten. Ze staat op en loopt naar de tafel, staart naar de leegte die een voorwerp had moeten zijn: een laptop. Adapter. Paperassen. Agenda. Boek.

Hai Juun, Tessa hier. Is Dickie er ook?
Tessa, hai. Dickie is net de deur uit. Eten met een klant.
Weet ik niks van. Waar zou dat ge-eet moeten plaatsvinden dan?
O Tes, je kent me toch, ik zou het bij God niet weten. Belt-ie je strakjes even terug?
Hij belt me strakjes even terug ja, prima Juun. Hoe istie daar?
Z’n gangetje, z’n gangetje. En met jou en Gijs? Hoe is het met het kroost?
Op rolletjes, op rolletjes. Gijs heeft een dipje maar ja, Gijs heeft élke herfst een dipje dus daar maken we ons geen zorgen om.
Zakelijk dipje of mentaal?
Mentaal schat, mentaal. Thank God. Daar zijn ten minste pilletjes voor.
Ach so.
En die kids vermaken zich wel. Luna lijkt haar puberjas eindelijk uitgetrokken te hebben en voilà, er zat een kleine vamp onder. Alle rukkertjes uit de buurt slenteren achter dat kind aan als honden achter een loopse teef. En Hubert, ach. Nichteriger met de dag, zal ik maar zeggen. En maar klagen dat geen meisje hem ziet staan. Kom toch uit die kast, denk ik dan. Toch, Gijs? Vindt Gijs ook. Niet opstaan, schat, je hebt een dipje, laat mij dat maar doen. Afijn. Juun?
Ja?
Ik ga je hangen, kind.
Ja.
Dickie belt me strakjes even?
Dickie belt je strakjes even.
Wie is de knapste vrouw van heel het universum?
Dat ben ik.
Zo is het maar net. Kusjes.
Kusjes.

Dickie heeft niet alles meegenomen wat van hem was. Juni legt Dickies achtergebleven bezittingen op de houten vloer van de woonkamer, in een lange polonaise van willekeurige objecten: sokken (groen) – sokken (met ruitje) – flosdraad – usb-stick – boek (Koken voor macho’s) – boek (Godfried Bomans) – boek (Dan Brown) – boek (Understanding Basic Electronics) – vulpen – leren handschoenen – anti-roosshampoo – polaroidfoto (van een avond waar Juni niet bij was; Tessa en Gijs staan er wel op, rood aangelopen van de alcohol en verliefd) – cd (Rosenberg Trio) – trouwring. (De trouwring lag op haar hoofdkussen. Geen briefje, geen telefoontje, geen boodschap doorgegeven aan een goede vriend ((Gijs of Tessa, Kees, Pascal, Lieselotte Lindeman, zijn rare broer desnoods)), wel een trouwring.)
Juni schroeft haar eigen strakke trouwring van haar ringvinger en legt hem naast die van Dickie. Aan de binnenkant van haar ring staat gegraveerd: Voor altijd Dickie. Aan de binnenkant van die van Dickie staat: Het is altijd Juni. Ze houdt de Voor Altijd Dickie-ring in haar ene hand en de Het Is Altijd Juni-ring in haar andere. Ze beweegt de ringen zoals ze vroeger haar poppen liet bewegen, dansend over de houten vloer alsof ze lopen.
Hallo Juun, zegt Het Is Altijd Juni.
Hallo Dickie, zegt Voor Altijd Dickie.
Ik moet je wat vertellen, Juni.
Je noemt me nooit Juni. Je zegt schatje of liefje of Juun of Juuntje. Je noemt me nooit Juni.
Vandaag noem ik je Juni.
Wat wil je me vertellen, Dickie?
Ik ga bij je weg.
Waarom ga je bij me weg?
Omdat ik je saai vind. Omdat ik een ander heb. Omdat ik een gezin wil en jij niet. Omdat ik je niet meer aantrekkelijk vind. Omdat ik vind dat je nooit naar me luistert en altijd zeurt, hoewel dat strikt genomen natuurlijk helemaal niet waar is. Omdat ik homo ben. Omdat ik nog maar drie maanden te leven heb en ik als een kat een rustig plekje opzoek om helemaal alleen dood te gaan. Omdat ik niet goed genoeg voor je ben.
Ik begrijp het.
Het spijt me.
Blijf je altijd van me houden, Dickie?
Nee, jij blijft altijd van mij houden, Juni.
Zie ik je nog een keer?
Nee, nooit meer.
Als Juni de ring terugschuift om haar vinger, is het niet de Voor Altijd Dickie maar de Het Is Altijd Juni. Haar eigen trouwring rolt ze in het balletje groene sokken. De polonaise van Dickie-spullen – de sokken, sokken, flosdraad, stick, boek, boek, boek, boek, pen, handschoenen, shampoo, foto, cd – gaan in een kunststof opbergdoos die ze bij de deur zet. (De doos gaat a) met het vuil mee, wordt b) opgeborgen op zolder of c) in de garage of d) alle spulletjes gaan terug op hun plek, alsof de gedachte aan Dickie nog een paar nachtjes blijft slapen.)

Juuntje, Tessa hier.
Tes, hai.
Is die man van je al eens komen opdagen?
Hij kwam, hij ging, ik zit weer alleen. He-le-maal vergeten om je belletje door te geven.
Hè, wat jammer nou. Staat z’n gsm ook nog eens uit. En op mijn smeekmails geen respons. Ben jij nou met die slapjanus getrouwd?
Ik ben met die slapjanus getrouwd.
Gaat-ie wel een beetje, Juun? Je klinkt pips.
Niks aan de hand, lieverd, gewoon een beetje moe.
Je bent zwanger.
Ik ben niet zwanger.
Je bent zwanger.
Ik ben niet zwanger.
Waarom ben je nou niet zwanger?
Waarom moet ik zwanger zijn?
Lieverd, ik gun je alle wijsheid, alle liefde, alle succes en verrukkelijke seks maar boven alles gun ik je de eindeloze voldoening van het moederschap.
Tes.
Ja.
Ik ga je hangen.
Oké, lieverd. Dickie belt me strakjes even?
Dickie belt je strakjes even.
Wie is de knapste vrouw van heel het universum?
Ik ben de knapste vrouw van heel het universum. Geef klapzoenen aan Gijs en Luuntje en Huub.
Doe ik toch. Kusjes.
Kusjes.

De polonaise gaat niet mee met het vuil. De doos blijft naast de buitendeur staan. Juni laat de deur naar de hal een stukje open zodat ze hem vanaf de bank kan zien. Het duurt een week voordat ze het deksel eraf schuift en haar ringvinger (Het is altijd Juni) nog eens langs de boeken laat glijden. Ze pakt het bolletje geruite sokken uit de doos en trekt ze aan haar blote voeten. Die zitten best goed. Die gaan niet meer uit.
Tessa vraagt nog eens of Dickie er is (‘Hij is net even hardlopen’). Lhana (‘Lunchen’). Piet Verhoeff (‘Doet een dutje’). Adwin van kantoor (‘God, ik zou niet wéten waar-ie is’). Maar als Dana belt (‘Schat, waar heb je je echtgenoot verstopt?’), zegt Juni: Wacht even, lieverd. Ze legt de hoorn op het bijzettafeltje en doet een paar passen in de richting van de trap. Schat, roept ze, liefje. Behoedzaam maar snel, op Dickies geruite sokken, rent ze de trap op en roept vanaf de bovenste tree naar beneden, haar stem vervormd door het uiteinde van haar mouw: Ik ben bezig, liefje. Kan het wachten? Juni rent weer even geruisloos de trap af en roept van beneden naar boven: Dickie, ik heb Dana voor je aan de lijn. Wat zal ik zeggen, lieverd? Vanaf de bovenste tree roept ze naar zichzelf terug: Zeg haar dat ik zo even terugbel. Juni glimlacht zoals Dickie zou glimlachen, kijkt naar beneden naar haar onzichtbare zelf en daalt de trap weer af, langzaam dit keer, zodat haar hartslag tot bedaren kan komen. Ze pakt de telefoon van het tafeltje.
Schat? Mijn echtgenoot belt je strakjes even terug. Kusjes.

De polonaise komt uit de doos. De rij ligt in de woonkamer, op de eettafel, in Dickies lege werkkamer, in de badkamer of op het bed; van hoofdkussen naar voeteneind, alsof de spullen hun eigenaar zijn.
Kees belt. Dickie roept van boven aan de trap naar zijn echtgenote, zegt haar dat hij ‘net even wilde gaan douchen’ en voegt daar nog allerlei overbodige informatie aan toe. Dat hij zo veel van haar houdt bijvoorbeeld, en dat hij eens lekker voor haar gaat koken die avond.
Kees, zegt Juni buiten adem in de hoorn, hij ging net even douchen. Belt-ie je straks even terug. Trouwens.
Zeg het es.
Zit ik nou helemaal fout als ik denk dat jij die trui nog had?
Welke trui?
Die trui van Dickie, zo’n ruig schippersding. Zaten we van de zomer in de tuin – Dickie, Petra, jij en ik –, kreeg jij het opeens zo ontzettend koud, weet je nog?
Je hebt helemaal gelijk, Juun. Dat ruige schippersding. En wárm dat ik ’t had! Dat ding ligt al weken – wat zeg ik? máánden! – gewassen, gestreken en gevouwen voor ’m klaar. Breng ik ’m morgen even langs, toch?
En dat is geen probleem, Kees?
En dat is geen probleem, Juun.

Met de trui erbij is de polonaise al langer dan het bed. Juni legt een lijst aan van alle spullen die Dickie heeft uitgeleend en telefoneert ze stukje bij beetje bij elkaar: de wijnencyclopedie die Ingrid in de armen geduwd kreeg omdat ze op cursus zou gaan, een paraplu die was blijven staan bij de Lindemannetjes, de reiskoffer die Lieke van tegenover had geleend toen ze een weekendje Londen deed en een op maat gesneden pak dat Dickie had uitgeleend aan zijn jongste broer die wat karakter betreft zijn negatief is maar ironisch genoeg wel exact hetzelfde postuur heeft.

Dit is de polonaise:

Hoofdkussen
Dan Brown
Flosdraad

Matras
De opgerolde sokken met de Voor Altijd Dickie erin
Koken voor macho’s
Godfried Bomans
Cd
Understanding Basic Electronics
Vulpen
Shampoo

Voeteneind
Handschoenen
usb-stick
Polaroidfoto

Kruipend over de rand van het bed
Schipperstrui

Op de vloer
Wijnencyclopedie
Reiskoffer
Paraplu

Op de drempel naar de gang
Pak

En op de gang staat Juni met de geruite sokken aan haar voeten en de Het Is Altijd Juni aan haar ringvinger. Ze pakt de trui uit de polonaise en ruikt eraan, trekt ’m aan.

Hè bah, je gaat me toch niet zeggen dat-ie er alweer niet is?
Tes?
Juun.
Hij is er alweer niet.
Nou, hoe istie met jou dan?
Z’n gangetje, z’n gangetje. En met jou?
Nou Juun, die kinderen van mij zijn eindelijk doorgeslagen. Dat hebben ze van Gijs, hè, dat krankzinnige. Luun wil aan de pil, zegt ze. Nou, daar komt niets van in, zeg ik. Maar het is voor m’n puistjes, zegt dat kind nog. Amehoela, denk ik dan. Dat kind is veertien. En Hubert komt ineens aandacht tekort. Gaat-ie roepen dat-ie automonteur wil worden. Prima, zeg ik, dat lijkt me nou echt een mooi vak. Begint-ie te schreeuwen dat hij heus wel weet wat sarcasme is. Dat ik bourgeois ben. Waar heb je dat woord geléérd, denk ik dan.
En Gijs?
Van de roze pillen af, godzijdank. Kunnen we eindelijk weer een beetje rollebollen. Is echt funest voor je seksleven, zo’n depressie. Zeg, Juun.
Tes?
Er staat een man voor de deur met een pakje. Moet ik even voor tekenen.
Ga je me hangen?
Ik ga je hangen.
Ik ben de knapste vrouw van heel het universum.
Als je het maar weet. Kusjes.
Kusjes.

Juni zit boven aan de trap, de schipperstrui om haar schouders, de geruite sokken aan haar voeten. Ze draait de Het Is Altijd Juni rond en rond en rond haar vinger. Dan legt ze haar handen op haar buik, onder de trui.
Dickie, je bent er nog.
Ik ben er nog.
Ben ik er nog?
Je bent er nog. Je bent de knapste vrouw van heel het universum.
Wanneer ga je?
Ik denk dat ik blijf.
Ben ik er nog?
Nog even.
Zal je me vergeten?
Ik zal je vergeten.
Dickie?
Voor Altijd Dickie.
En ik?
En jij een stem aan de telefoon. Jij de ring om mijn vinger. Jij een flard van een gedachte voor het slapengaan. Jij de lucht die de buik onder mijn vingers vult.
Is het tijd om te gaan?

Basje Boer (1980) is schrijver en redacteur van DIG. Van haar verschenen de romans Nulversie (2019) en Bermuda (2016) en de verhalenbundel Kiestoon (2006). Daarnaast schrijft ze over film en (pop)cultuur, onder meer voor De Groene Amsterdammer en De Filmkrant

Meer van deze auteur