1.

Op donderdag 7 juli 1927 landde Agatha Christie met eerst een zachte ritseling en vervolgens een doffe plof op de bodem van Sumatra. Gedurende twee maanden zou ze de lezer van De Sumatra Post aan de krant gebonden houden met een feuilleton dat was voorzien van een buitengewoon puntige titel. Wiens hand? bestaat uit maar liefst 49 afleveringen. Exact een jaar eerder, in de zomer van 1926, en op een ander continent, had Christie een detective gepubliceerd die al snel uit zou groeien tot een van haar bekendste boeken, The Murder of Roger Ackroyd, het werk waarvan Wiens hand? een opmerkelijk vroege vertaling blijkt te zijn.

Wiens hand? is het boek waarmee Hercule Poirot, de inmiddels gepensioneerde detective uit België, definitief zijn naam vestigde als een even begenadigd als controversieel oplosser van mysteriën. Het boek bracht trouwens ook een noviteit in het genre van de detective. Sommige lezers hielden van de ingenieuze constructie, anderen voelden zich bekocht omdat zij voor het eerst werden geconfronteerd met een verhaal dat werd verteld door de moordenaar zelf, die dat bovendien pas tegen het einde onthult. Al die tijd had hij, en met hem Agatha Christie, het publiek misleid. En onbetrouwbare vertellers, daar hield het publiek doorgaans bepaald niet van.

Roger Ackroyd – ‘het volmaakte type van de landjonker-uit-de-boeken’ – werd op een avond dood aangetroffen in een Brits landhuis. De dag ervoor had zijn verloofde, de weduwe Ferrars, zichzelf van het leven beroofd. Nu lag Ackroyd zelf in een stoel, druipend van het bloed, in een van binnenuit afgesloten kamer. Een Tunesische dolk, afkomstig uit zijn eigen collectie, stak uit zijn schouder. Het raam stond open en het haardvuur smeulde nog. Alles wees erop dat hij achterlangs was neergestoken. Zelfmoord leek, met de vreemde stand van de dolk, uitgesloten.

Ooggetuigen waren er ook al niet. Daarom deed de politierechercheur ter plaatse wat iedere speurder in de jaren twintig van de twintigste eeuw zou doen: hij ging op zoek naar sporen die nauwelijks met het blote oog waarneembaar zijn, maar die, eenmaal gevonden, boekdelen spreken: vingerafdrukken – het forensisch middel van de vroege twintigste eeuw. Geen wonder dus dat ze ook in Roger Ackroyd of Wiens hand? een grote, zij het curieuze, rol spelen. Wie het wil kan dit boek lezen als een pleidooi voor logisch denken contrade veronderstelde, ondubbelzinnige evidentie van vingersporen – het aloude dispuut tussen ratio en perceptie, vertaald naar de context van de vroeg-twintigste-eeuwse detective. Het wordt vertolkt door aan de ene kant Hercule Poirot, die maar niet ophoudt te benadrukken dat altijd alles draait om les petites cellules grises, en aan de andere kant de inspecteur die, volgzaam als de beste ambtenaar, keurig de aanwijzingen uit de vakhandboeken van zijn tijd naleeft en daarbij alleen op de eigen ogen vertrouwt.

Het dispuut bereikt een beleefd hoogtepunt op vrijdag 12 augustus 1927. Wie op die dag De Sumatra Post opensloeg om het feuilleton te lezen was getuige van een twistgesprek tussen Poirot en de politie-inspecteur over de dolk en de rol van vingersporen op het heft. De Belg waarschuwt zijn Britse collega voor een blind vertrouwen – blind alley,de woordspeling van Christie, is met ‘doodlopende straat’ in de vroege vertaling helaas verloren gegaan – in de bewijskracht van de afdrukken. Pas op, zegt Poirot tegen zijn collega, voor ‘de doodlopende straat, die nergens heen voert. Dat kunnen de vingerafdrukken zijn – zij voeren misschien nergens heen.’ Het leek aan dovemansoren gericht: ‘Ik zie niet in hoe dat mogelijk is,’ antwoordt de inspecteur. ‘U doelt er zeker op, dat ze valsch zouden zijn? Zooiets heb ik wel eens gelezen, maar ik ben in werkelijkheid nog nooit zoo’n geval tegengekomen. Maar waar of onwaar – ergens voeren ze ongetwijfeld heen.’ Door het woord vervalsing in de mond te nemen sneed de Britse inspecteur zowaar een onderwerp aan dat zich in de eerste decennia van de twintigste eeuw allengs sterker begon op te dringen.


2.

Met het succes van de vingerafdruk, en de claim van diens uniciteit én onweerlegbaarheid, kwam ook de keerzijde. Juist die toegekende eigenschappen prikkelden de verbeelding; wat als al die wetenschappers, juristen en rechercheurs nu eens ongelijk hebben? Of stel dat ze wel gelijk hebben, hoe weten we dan zo zeker dat de vingerafdruk niet te vervalsen is? Een jaar voordat Agatha Christie haar Ackroyd publiceerde, had Hunter Stinson, een van de vele minder bekende crime writers, een detective uitgebracht met de eenvoudige titel Fingerprints. Ook in dit boek draait alles om een moordwapen met daarop vingerafdrukken. Na een weinig enerverende, alleszins lange omweg blijkt uiteindelijk dat die – hoe kan het ook anders? – vervalst zijn. ‘Een vervalste vingerafdruk?’ schreeuwt een van de protagonisten bij deze ontdekking uit. ‘Heb je enig idee wat dit voor de politiebureaus over de wereld betekent, als dit naar buiten komt?’ De methode van vervalsing: een rubberen handschoen met op de toppen een rubberen patroon geplakt. ‘Duivels intelligent’, wordt hierover opgemerkt. ‘Zo eenvoudig, waarom heeft niemand daar eerder aan gedacht? Als men in staat is om geluidsgolven op was te vangen en ze over te dragen op een fonograaf, zou hetzelfde maar dan met vingerafdrukken op zacht rubber helemaal niet zo moeilijk zijn geweest.’

In fictie én in de praktijk begon vingerafdrukkenvervalsing langzaam maar zeker aandacht te krijgen. In 1924 zou zelfs een boek verschijnen van Albert Wehde en Nicholas Beffel waarin eerst de lof op een aantal geweldige eigenschappen van de afdruk wordt gezongen. Maar lof heeft immer twee gezichten. Zo ook in Finger-Prints Can Be Forged, want vervolgens wordt uitvoerig uiteengezet hoe de afdruk wel degelijk kan worden vervalst. Opmerkelijk genoeg schreef Wehde het werkje toen hij zelf als gedetineerde enige tijd in de gevangenis doorbracht, naar het schijnt omdat hij plannen had de Britse heerschappij in India omver te werpen. Tussen de vier muren van zijn cel stortte de anarchist zich echter op een veel groter waagstuk en vond een manier om door middel van gravering een stempel van een afdruk te maken.

Wehde beweerde daarbij dat de afdruk zijn interesse wekte eerst en vooral als ‘creatieve kunstenaar’, vanwege ‘de hoeveelheid aan mogelijkheden’ die het biedt. Met sardonisch genoegen besluit hij dat zij die in vingerafdrukken geloven zijn als diegenen die voor een dam staan die ze met alle macht proberen te weerhouden van doorbraak en daarbij ontdekken ‘hoe klein ze zijn en dat hun kracht futiel is tegenover de enorme kracht die zich aan het opbouwen is achter de onvermijdelijke breuk’.

Je hoeft echter geen politieke radicaal of anarchistische journalist te zijn om je de wereld anders voor te kunnen stellen. Ook kunstenaars en schrijvers doen dat. Bijna twee decennia voordat Beffel en Wehde met hun antivingerafdrukkentraktaat kwamen, was vervalsing al onderwerp van een andere, inmiddels klassieke detective, The Red Thumb Mark van R. Austin Freeman, waarin de protagonist, Dr. Thorndyke, eveneens beweert dat het überhaupt niet moeilijk is om een vervalsing – een facsimile wordt het ditmaal genoemd – te maken van een afdruk. Dat, aldus Dr. Thorndyke, is niet zozeer het punt. Je kunt weliswaar een stempel maken met daarop het patroon van een vingertop, alles hangt echter af van de reproductie, van ‘mechanische herhaling’ aldus deze geleerde detective. In werkelijkheid zal een vinger namelijk nooit twee precies dezelfde sporen nalaten; er zijn altijd minuscule variaties zichtbaar. Denk alleen al aan de stand van de vinger, de ondergrond of de viezigheid. Een vervalste afdruk daarentegen zal er nagenoeg altijd hetzelfde uitzien. De vervalsing verraadt zichzelf door zijn enige defect: zijn perfectie.

Ergens is dat verzet van die verschillende detectives tegenover de politie en hun zopas ingevoerde, onfeilbare identificatiesysteem wel begrijpelijk. Mocht het werkelijk zo zijn dat de vingerafdruk ons altijd terugvoert naar de misdadiger, komt een hele generatie detectives, en met hen een hele generatie van hun bedenkers, de crime writers, plots zonder werk te zitten. Bovendien wisten die schrijvers maar al te goed dat een afdruk alleen nooit voldoende bewijs oplevert – de fictie was misschien wel waarachtiger dan de praktijk. Niet dat ze per definitie een doodlopende steeg in voeren, nee, maar waar dan wel heen, dat blijft de vraag. En die vraag kun je alleen beantwoorden door het stellen van een andere vraag: waar komen ze vandaan?


3.

Nou, Agatha, waar kwamen ze vandaan? Van de moordenaar van Roger Ackroyd? Een vingerspoor kan iemand niet alleen op een doodlopend, maar ook op een ander, verkeerd spoor brengen. En dus gaat het dispuut tussen de inspecteur en Poirot verder. Direct nadat de inspecteur heeft aangegeven keurig de afdrukken genomen te hebben van allen die ten tijde van de misdaad in het landhuis aanwezig waren, komt Poirot met het verlossende woord: ‘Ik opper dat de vingerafdrukken op den dolk wel eens die van mijnheer Ackroyd kunnen zijn.’ De inspecteur sputtert nog wat tegen over de onmogelijkheid van zelfmoord. Waarop zijn Belgische collega hem antwoordt: ‘Mijn theorie is dat de moordenaar handschoenen droeg of iets om zijn hand gewonden had. Nadat hij den stoot had toegebracht, nam hij de hand van het slachtoffer en sloot die om het gevest van den dolk.’ De inspecteur begrijpt er niets van. ‘Om een verward geval nog verwarder te maken,’ voegt Poirot dan toe. ‘Ik weet weinig van lijnen en plooien – zie, ik kom ruiterlijk voor mijn onkunde uit. Maar het kwam wel dadelijk bij mij op, dat de plaats van de vingerafdrukken wat vreemd was. Zoo zou ik geen dolk hebben gehouden om toe te stooten. Natuurlijk, als de rechterhand naar achteren over de schouder moet worden gebracht, dan is het ook moeilijk om haar in de juiste houding te wringen.’ Ook al waren de afdrukken van Ackroyd, zelfmoord kon door de positie van de afdrukken worden uitgesloten. De les van Agatha Christie op Sumatra: een vingerspoor is tegelijk een dwaalspoor én een spoor weg uit de verwarring. De oplossing, zo wist ook Poirot, moet altijd ergens anders worden gezocht.

Die les kwam op een opmerkelijk moment. De dactyloscopie was aan een langzame opmars bezig in de Nederlandse kolonie en nog amper geïnstitutionaliseerd. In een handleiding voor de dactyloscopie uit 1932, geschreven speciaal voor de politiebeambten van Soekaboemi, op West-Java, valt te lezen: ‘Het is een opvallend verschijnsel dat tegenwoordig zelfs door ambtenaren van de Politie het nut van de dactyloscopie nog in twijfel getrokken wordt, omdat deze wetenschap volgens hen nog niet lang genoeg beoefend is. Daardoor zou, volgens deze politie-ambtenaren, nog te weinig ervaring zijn opgedaan, om alléén op grond van het nuchtere feit der overeenkomst van vingerafdrukken met zekerheid te kunnen aannemen, dat deze overeenkomst ook het daderschap van den drager der overeenkomende vingers waarborgt, zoodat door den recht het “Schuldig” over dezen zou uitgesproken kunnen worden.’ Vijf jaar na het verschijnen van Agatha Christie op Sumatra was het gebruik van vingerafdrukken, in ieder geval binnen de politiepraktijk, nog geen vanzelfsprekendheid. Als zelfs de politieambtenaren twijfelen aan nut en noodzaak van de afdruk, is er geen Hercule Poirot meer nodig.

En dat terwijl de dactyloscopie was ingevoerd juist omdat men had gemerkt dat andere identificatiemiddelen, zoals de nog aan het begin van de nieuwe eeuw gebruikelijke Bertillonage of antropometrie en kort daarna zelfs de fotografie, toch niet zo heel onfeilbaar bleken te zijn. Het uiterlijk kan veranderen, de haren worden grijs of vallen uit, een persoon groeit of krimpt, kortom, een foto heeft slechts beperkte zeggingskracht. Een meetlat mag onverbiddelijk zijn, alles komt aan op het oog van diegene die hem hanteert; een verschil van enkele millimeters kan doorslaggevend zijn, een foutieve meting is zo gemaakt.

Om die reden werd in 1902, slechts één jaar na de invoering van de fotografie als identificatiemiddel, de dactyloscopie al toegevoegd aan het repertoire, zij het in supplementaire functie. Op de signalementskaart, waarop de antropometrische gegevens en bijzondere kenmerken werden genoteerd, werden de vingerafdrukken aanvankelijk verbannen naar een ‘dooden hoek’. Volgens ene D.H. Meijer, die in 1926 in het blad Koloniale Studiën een uitvoerig artikel aan dit onderwerp wijdde, waren ze ‘dus practisch van nul en geener waarde’.

Het zou nog een decennium duren voordat vingerafdrukken uit de dode hoek werden gehaald. Op 16 april 1911 werd de dactyloscopie per ‘koninklijk besluit’ verordonneerd, al duurde het daarna nog drie jaar, tot 12 november 1914, voordat Nederlandse ambtenaren in Nederlands-Indië definitief overgingen op de dactyloscopie als identificatiemiddel. Kort daarna werd in Batavia zelfs een heus Centraal Kantoor voor Dactyloscopie opgericht, belast met ‘de classificatie (volgens het Henry-systeem), examinatie en bewaring van de signalementen afkomstig van de verschillende diensttakken en met de kennisgeving van den uitslag van het onderzoek aan de betrokken autoriteiten. Voorts is dit bureau opgedragen verslagen uit te brengen over ter onderzoek aangeboden vingerafdrukken van misdrijf afkomstig.’ Het Kantoor kwam onder leiding te staan van G.H.A. Hoedt, die in 1914 reeds een Handleiding voor Dactyloscopie had geschreven, de eerste in het Nederlands, die bovendien voor een breder publiek was bedoeld dan alleen de politiebeambten van het Kantoor in Batavia. De toepassing ‘van dit middel tot identificatie zoowel in de verschillende takken van Gouvernementsdienst alsook in particuliere bedrijven en ondernemingen hier te lande,’ aldus Hoedt, ‘is om verschillende redenen van belang.’ Praktisch de hele koloniale onderneming kon er profijt van hebben. Politie en plantagehouders stonden zij aan zij bij het gebruik van vingerafdrukken.

Wie bijvoorbeeld in een willekeurig boerentijdschrift uit die tijd, zoals Bergcultures, snuffelt, hoeft dan ook niet versteld te staan als er tussen alle berichten over thee, koffie, rubber, schimmels en enten plots een stuk over de dactyloscopie opduikt. Klaarblijkelijk waren werkgevers, en dan met name de suikerfabrikanten, als de dood voor stakingen. Ze wilden ‘raddraaiers’ buiten de nog niet ‘‘‘geïnfecteerde” fabrieken’ houden; ze probeerden ‘ongure elementen’ te weren. De Java-Suiker-Werkgevers-Bond (JSWB) richtte zelfs een eigen Centraal Bureau voor de Dactyloscopie op dat via de registratie drie specifieke categorieën in de gaten moest kunnen houden: de zogenoemde ‘Propagandisten voor het Communisme’, ‘de weglopers-met-voorschot’ en ‘de overigen die niet onder 1 of 2 vallen’. Ten minste één bron schetst ons een beeld van de reikwijdte van dit nieuwe identificatiemiddel: hielp de dactyloscopie in 1919 nog bij een registratie van 3953 werknemers, dit aantal groeide in 1926 tot ruim 30.000 en in 1930 zelfs tot een totaal van 237.316, waarvan 195.000 unieke registraties. De vingerafdruk werd nog net geen prikklok, al scheelde het weinig.

Opmerkelijk bij dit alles is wat D.H. Meijer in diezelfde tijd schrijft over het gebruik van de dactyloscopie in de koloniën. Zich beroepend op ‘een verslag van de technische dienst der recherche’ in Batavia merkt hij op: ‘Men had nog niet veel succes met de vingerafdrukken, gevonden op plaats des misdrijfs. Nimmer hebben we vernomen, dat hier te lande een misdadiger werd veroordeeld alleen op grond van gevonden vingerafdrukken.’

Op Sumatra volstond het Agatha Christie te lezen om te begrijpen waarom.

Geertjan de Vugt (1985) promoveerde op een proefschrift over politieke dandy’s en is werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Eerder was hij verbonden aan Princeton University en het Internationales Forschungszentrum Kulturwissenschaften in Wenen. Hij schrijft over poëzie en literatuur voor de Volkskrant. In 2022 verschijnt bij Uitgeverij Van Oorschot Fonkelrozen. Over vingerafdrukken.

Meer van deze auteur