Dit verhaal is al lang geleden begonnen, voordat ik wist dat ik over mijn buurvrouw zou schrijven. Kan dat? In taal wel: er was eens een vrouw die zo anders was dan ik, dat het me aan een taal ontbrak om met – en over – haar te spreken.

In taal kan alles. Of niet? Omdat ik niet goed wist wat er tussen ons in stond – of wat er tussen ons ontbrak – vroeg ik haar of ze het goed vond dat ik haar een paar vragen zou komen stellen.

Na afloop van ons gesprek kreeg ik maandenlang geen letter op papier. Toen ik het gesprek uitschreef, gaf dat niet weer wat zich tussen ons had afgespeeld. Ik wist niet hoe ik onze ontmoeting, die ook een verwijdering was, moest weergeven.

Waarom heb ik Margot niet met rust gelaten, zoals ik altijd al deed? Onze tuinen grenzen aan elkaar in een volkstuintjescomplex met de optimistische naam Nieuw Vredelust. Meer hebben we niet met elkaar te maken. Ik kom hier voor mijn rust.

Maar ik voelde me verantwoordelijk, had het idee dat onze ontwijkende omgang weleens exemplarisch zou kunnen zijn voor een tweedeling in de maatschappij, met aan de ene kant lezers van dagbladen als de Volkskrant en NRC Handelsblad en aan de andere kant de zelfverklaarde ‘wappies’ die deze kranten wantrouwen – door ze ‘mainstream’ te noemen – en zich liever laten inlichten door online platforms als Xander Nieuws. Hoe kan iemand die blij is met een bescherming tegen covid nog praten met iemand die denkt dat er kwade krachten schuilgaan achter het vaccinatieprogramma?

Margot, een stevige vrouw van begin zeventig, had me aan het begin van het jaar geattendeerd op de komst van het ‘onlicht’, een verstoring van de energie op aarde die groot onheil zou brengen. Het onlicht had iets met China te maken en zou voor verschrikkingen en omwentelingen zorgen. Hoewel ik dit doemdenken wegzette als een complottheorie, bleef het onlicht een plek zoeken in mijn gedachten. Ik dacht aan het onlicht als een afgebrokkelde versie van ‘zonlicht’, dat iets demonisch opriep. Niet de afwezigheid van licht, maar het donker als entiteit, met eigen plannen die niet veel goeds beloofden.

Ik herlas ‘Mending Wall’, een gedicht van Robert Frost uit 1914 dat in de tuin tot leven was gekomen toen ik vanuit mijn schuurtje mijn buurvrouw in de schemering zag staan. Ze stond in een denkbeeldige tuin waar het onlicht naar binnen viel. En ik zag een tafereel uit een gedicht om – minstens zo denkbeeldig – grip te krijgen op de werkelijkheid.

…I see him there
Bringing a stone grasped firmly by the top
In each hand, like an old-stone savage armed.
He moves in darkness as it seems to me,
Not of woods only and the shade of trees.

Misschien, dacht ik, is het mogelijk een brug te slaan tussen onze werelden aan weerszijden van een aangroeiende heg. Toen ik hier een aantal jaar geleden een plek kreeg, waren we het erover eens dat het zonde zou zijn een lompe schutting te plaatsen tussen onze tuintjes en kozen we voor struiken, die op een dag een hecht bladerfront zouden vormen.

‘Kozen we’ zeg ik, maar het was Margot die met het plan voor de struiken was gekomen. Zij had ze uitgekozen en ze stonden er al voordat ik goed en wel over de betekenis van een afscheiding had kunnen nadenken.

We bleven elkaar door de takken en het magere gebladerte heen zien en bleven zoveel mogelijk uit elkaars buurt. Keken weg als we per ongeluk tegelijk buiten stonden. Ik begluurde Margot wanneer ze op haar knieën in het gras op zoek was naar onkruid. ‘Exoten zijn het allerergst,’ had ze me toevertrouwd. ‘De uitheemse soorten komen hier aanwaaien en denken dat ze alles kunnen overnemen!’

Wat onze relatie niet heeft bevorderd, is dat het mij weinig kan schelen wat er in mijn tuintje groeit. Ik vind gras mooi, ik vind brandnetels mooi. Ik ben benieuwd naar alles wat spontaan uit de aarde schiet. Als ik zie dat plakkerig kruid een bepaalde plant wurgt, wil ik dat nog weleens lostrekken, maar ik zie niet in waarom de ene plant verschrikkelijk onkruid is en plaats moet maken voor een andere plant – alleen omdat iemand dat zo heeft besloten.

Zevenblad vindt Margot het allerergst. Deze plant geeft kleine witte bloemen en vermeerdert zich razendsnel. Wat zou er mis zijn met een tuin vol zevenblad? De kleine witte kelkjes zijn lieflijk en je kunt het blad eten.

‘Het verdringt alle andere planten!’

Is dat niet een natuurlijk gegeven, vroeg ik mijn buurvrouw, die biologisch eet en het natuurlijke lijkt na te streven in haar uiterlijk en in haar leven, toen ze aanbood het onkruid uit mijn tuin te trekken.

‘Je moet keuzes maken,’ zei ze streng. ‘Anders maken de kwetsbare planten geen schijn van kans.’ Ze keek me vermoeid aan.

Ik weet niet hoe alle planten heten. Ik weet niet wat ze aanrichten. Het is mogelijk, dacht ik, dat ik door een gebrek aan kennis niet zie wat ik veroorzaak.

Toen ik als teken van goede wil een pluk zevenblad uit de grond trok, zei ze verschrikt dat ik ook de wortels moet verwijderen en goed moet kijken of er geen bolletjes achterblijven, anders is alles voor niks. Inderdaad lag er een bed van kleine bolletje rond de wortels, prachtig gevormde schelpjes waarin leven lag opgekruld.

‘Je hebt toch wel een scherpe schep?’ vroeg ze.

Wat onze relatie al helemaal niet heeft bevorderd, is dat mijn kinderen, bij gebrek aan een Playstation, voetballen waar en wanneer ze maar kunnen. Ze vertrapten krokussen in het veld dat ‘openbaar’ is. Ze mochten daar niet meer voetballen, of alleen als er geen bal in de struiken verdween en alleen als als als – er waren zoveel regels aan het spelen verbonden dat het terrein ontoegankelijk werd. Soms had ik de indruk beland te zijn in een schilderij achter een beschermende glaslaag. Niet aankomen. Niet betreden. Niet leven. Verliet ik voor deze benauwenis de stad?

In een mail legde ik mijn buurvrouw uit dat ik wilde schrijven over verschillende manieren van in de wereld staan. Dat ik me afvroeg of we wel in dezelfde wereld leven als we onze informatie uit zulke verschillende bronnen halen dat ze niet eens meer overlappen.

Wat ik er niet bij zei, is dat ik vermoed dat een gebrek aan uitwisseling gevaarlijk is. In publicaties van antivaxxers, die ik las op aanraden van Margot, zoals Xander Nieuws en De Andere Krant, die zichzelf prijzen om hun onafhankelijke onderzoek, worden extreemrechtse politici en bewegingen opvallend vaak geprezen. Ik was en ben bang dat als extreemrechts een steviger voet aan de grond krijgt bij kiezers die menen vrijdenkend te zijn, er geen taal meer is om ze mee te bereiken, om ze op andere ideeën te brengen.

We ontmoetten elkaar drie maanden vóór de inval van Rusland in Oekraïne. Niet lang daarna kwam Margot vertellen dat ze graag iets wilde overleggen. Ze wilde een schutting plaatsen. Ze had de schutting al besteld.

De twee meter hoge schutting die er nu staat heeft mijn tuin volledig in de schaduw gelegd.

Mijn vragen waren bedoeld als toenaderingspoging. Inmiddels weet ik niet meer of een toenadering wel wenselijk is.

Hoeveel moet je, kun je, accepteren van een agressor?

Wat doe je met het gegeven dat het beschermen van je eigen waarden het uitoefenen van agressie betekent voor wie het niet met je eens is?

Wat als ik zelf de agressor ben?

Good fences make good neighbors weet ik uit ‘Mending Wall’. Frost schreef dit gedicht aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, toen patriottisme hoogtij vierde. Hoewel hij zich beperkt tot het beschrijven van een ontmoeting met zijn buurman, waarbij ze de muur die hun grond van elkaar scheidt gaan herstellen, roept het gedicht ook vragen op over wat een goede buur nu eigenlijk behelst.

Zijn wij goede buren voor Oekraïne, als wij het land gebruiken als buffer tussen Europa en Rusland?

Something there is that doesn’t love a wall,
That sends the frozen-ground-swell under it,
And spills the upper boulders in the sun;
And makes gaps even two can pass abreast.

Intrigerend is hoe het ‘iets’ of ‘something’ dat er is, dat niet van een muur houdt, vormeloos blijft maar wel op een dwingende manier aanwezig is.

‘Something there is that doesn’t love a wall’. Het zou natuurlijker klinken om te zeggen: ‘something that doesn’t love a wall’ maar Frost wil kennelijk benadrukken dat het er wel degelijk is, het ‘iets’, daar mag geen misverstand over bestaan. Het iets is pure levenskracht misschien, die zich niet laat beteugelen door een muur, een schutting, een tuinschep.

Iets wat er is dat niet van een muur houdt,/dat de bevroren ondergrondse zwelling eronder opstuwt of stuurt en de bovenste keien in de zon doet lekken/ en gaten slaat waar je zij aan zij doorheen kunt kruipen.

‘Boulders’ is een woord als ‘hiking’, dat in het Nederlands niet oproept wat het in het Amerikaans wel doet. Boulders zijn keien, staat er in het woordenboek, maar in een Amerikaans gedicht zijn deze van een formaat dat in de uit de moerassen getrokken polder niet voorkomt. Net als ‘hiking’ – dat aan de andere kant van de oceaan dagenlange tochten door de wildernis suggereert – toch iets anders dan een wandeling door een volkstuinencomplex waar meer hekken en schuttingen staan dan bloemen.

‘Abreast’ onder een muur door doet denken aan kruipen en de loopgravenoorlog moest nog beginnen, maar het beeld van lichamen die zij aan zij onder een muur door kruipen is dreigend te noemen.

The work of hunters is another thing:
I have come after them and made repair
Where they have left not one stone on a stone,
But they would have the rabbit out of hiding,
To please the yelping dogs. The gaps I mean,
No one has seen them made or heard them made,
But at spring mending-time we find them there.

Het landschap dat ik en mijn buurvrouw delen is niet zo uitgestrekt als dat van Frost. En we hoeven niet van ver te komen om elkaar op de lip te zitten. Wanneer ik ter afkoeling in het opblaasbadje van mijn kinderen ga liggen, met mijn hoofd onder water, hoor ik haar bewegingen aan de andere kant van de schutting. Haar voeten kraken. Haar botten schuren langs de knikkende gewrichten. Boven water hoor ik minder, maar weet ik haar bewegingen te plaatsen als onder water, in een andere wereld.

Toch was het alsof ik met zware laarzen een heuvel moest beklimmen en van mijlenver kwam toen ik me waagde richting Margot.

I let my neighbor know beyond the hill;
And on a day we meet to walk the line
And set the wall between us once again.
We keep the wall between us as we go.
To each the boulders that have fallen to each.
And some are loaves and some so nearly balls
We have to use a spell to make them balance:
’Stay where you are until our backs are turned!’
We wear our fingers rough with handling them.
Oh, just another kind of out-door game,
One on a side. It comes to little more:
There where it is we do not need the wall:
He is all pine and I am apple orchard.
My apple trees will never get across
And eat the cones under his pines, I tell him.
He only says, ‘Good fences make good neighbors.’

De schuur die wij delen, gescheiden door een dunne wand, was ooit een kippenschuur. Margot heeft de kippenstress die er hing laten verjagen door een sjamaan. Helaas ben ik er nog niet aan toegekomen te vragen hoe dat precies is gegaan. Of de sjamaan tevreden was na afloop. Het voelt hier in ieder geval rustig, op onze eigen spanningen na.

Ik was verbaasd hoe kalm het was bij Margot. Tuinstoelen met roze kussens, een plastic tafelkleed met enorme – uitheemse? – bloemen. Een gieter in de vorm van een flamingo. Tuingereedschap, in orde van grootte, aan een rek. Verder herinner ik me merkwaardig genoeg heel weinig. Zo lang geleden was het toch niet?

Ik was van plan om de tijd zijn werk te laten doen en dit schrijven te beginnen met wat ik me herinner. In mijn ervaring kan het geheugen een filter zijn die structuur geeft aan een te schrijven stuk. Maar in dit geval waren er alleen flarden blijven hangen, die geen samenhang vertoonden – me achtervolgden als beelden uit een nachtmerrie. Wat ik me herinner komt me nu zo onwerkelijk voor, dat ik nog meer vragen heb.

Wat bedoelde Margot precies toen ze zei dat de aarde wordt bestuurd door aliens? Dat mensen ziek en onvruchtbaar worden van covid-vaccinaties, dat vaccinatieprogramma’s zijn bedacht door het Kwaad om de mens uit te roeien? Hoe legde ze ook alweer uit dat er via de vaccinatie een chip in mijn hersenen zou komen? Waarom hebben aliens er baat bij door te dringen in de Nederlandse politiek? Aliens zijn geïnfiltreerd in het kabinet, maar Margot kon niet zeggen wie dat precies zijn, want ze wilde niet persoonlijk worden. Waarom gebruikt ze het Engelse woord voor buitenaardse wezens, maakt dat ze misschien nog vreemder?

Spring is the mischief in me, and I wonder
If I could put a notion in his head:
’Why do they make good neighbors? Isn’t it
Where there are cows? But here there are no cows.
Before I built a wall I’d ask to know
What I was walling in or walling out,
And to whom I was like to give offense.

Wanneer ik de gesprekken terugluister die ik opnam op mijn telefoon, is onze toon mild. Ik zeg vaak ‘ja’ en moedig Margot met goedkeurende geluiden aan alles te vertellen – veel minder kritisch dan ik me herinner. Je zou me zelfs manipulatief kunnen noemen, wanneer ik vertel over eigen ervaringen, om haar het gevoel te geven dat ik weet waar ze het over heeft.

Ze zegt bijvoorbeeld: ‘Voor mij is de grootste tweedeling niet tussen arm en rijk, of in cultuurverschillen, maar in: hoe kijk je naar het leven. Kijk je ernaar als naar materie, of kijk je ernaar als de expressie van een geestelijke wereld. Jij zit misschien in een lichaam waarvan je denkt: dit is het en straks ben ik dood en houdt het op. Maar ik weet dat ik de expressie ben van een geestelijke wereld, een wereld van energieën, en dat ik een tijdelijk bestaan heb op aarde maar dat mijn ziel eeuwig is.’

Ja, hoor ik mezelf iets te enthousiast zeggen. Ja.

‘Ik ben niet geïnteresseerd in het perspectief van de wetenschapper, die alles wil meten en weten – dan haak ik gauw af. Ik denk in termen van een bron en dat is geen man op een wolk maar iets… iets waar alles uit voortkomt. Wij zijn druppeltjes of vonkjes van de bron die eeuwig is. En dan kom je op de onbeantwoordbare vragen als hoe en waarom, maar dat is niet van belang. Kijk, de geest is lineair. Met een beperkt instrument kun je niet verwachten het onbeperkte te zien. Dat gaat niet.’

Ja, dat is voor een dichter ook een interessant gegeven. Ik vertelde Margot dat het me frustreert te weten dat onze zintuigen beperkt zijn. Dat ik soms, als ik een paniekaanval heb, lijk te kunnen zien wat de wereld is voorbij de zintuigen. Dan is alles vloeibaar. De bomen, de lucht, mijn lichaam hebben geen eigen contouren, geen grenzen meer. Ik vertelde er misschien te enthousiast over, want Margot veerde ervan op. En ik vergat te vragen of je – met het uitgangspunt dat mensen ziende blind zijn – niet met nog veel meer rekening moet houden dan met onlicht en aliens.

‘Alles is ook vloeibaar! Ik zie mijzelf als een tijdelijke manifestatie van de bron en ik ben eeuwig. Ik ben al duizenden keren gekomen en gegaan. Ik ben misschien wel begonnen als grasspriet en inmiddels een bewust wezen, en het enige dat er uiteindelijk is, is bewustzijn. De bron is bewustzijn en daar zijn wij een vonkje van. En dat bewustzijn ontwikkelt zich door de levens heen. Ik ben ervan overtuigd dat ik ook op andere planeten heb geleefd. Dat het hele universum vol leven is. Maar dat wij zo vastzitten aan onze vorm dat wij denken dat andere wezens er zo uit moeten zien als wij. Dat is natuurlijk lariekoek!’

Ja.

‘In Lemurië, daar heb je vast weleens van gehoord, waren wij ook totaal vloeibare immateriële wezens. Er waren visachtigen en katachtigen. De schepping is in zijn differentiatie en in zijn potentie ein-de-loos. En wij zitten maar vast in die lineaire dimensie… en we denken nog steeds dat het bewustzijn aan onze hersenen is verbonden terwijl dat niet waar is.’

Is Lemurië niet een hypothetisch continent in de Grote Oceaan? Ik stamelde iets over real toads in imaginary gardens maar mijn poging om het over de kracht van verbeelding te hebben, vond geen voedingsbodem. Ken je dat gedicht van Marianne Moore? vroeg ik. Ik voelde een opwellende zendingsdrift in mij en was bereid haar alles te vertellen over het gedicht en poëzie in het algemeen.

‘Ik heb geen tijd voor fictie,’ zei ze.

Something there is that doesn’t love a wall,
That wants it down. I could say ‘Elves’ to him,
But it’s not elves exactly, and I’d rather
He said it for himself. I see him there
Bringing a stone grasped firmly by the top
In each hand, like an old-stone savage armed.
He moves in darkness as it seems to me,
Not of woods only and the shade of trees.

Terugluisterend merk ik dat ik dit gesprek niet goed heb voorbereid. Maar hoe kon ik me voorbereiden op wat me wezensvreemd is? En belangrijker: wil ik deze wereld wel kennen?

Ik zou willen begrijpen hoe Margots wereldbeeld tot stand is gekomen, zoals ik wil begrijpen waar die van mij uit bestaat – maar mijn weerzin tegen de manier waarop haar weving van de geschiedenis tot stand komt, weerhoudt me.

Haar willen begrijpen zou betekenen dat ik haar bronnen moet erkennen. Bronnen die vloeibaar zijn en moeilijk te traceren. Misschien is mijn weerzin gevoed door angst om meegesleurd te worden in haar vloeibare wereld, waarin ik geen vaste grond meer onder de voeten zou hebben. Dat ik onder water word getrokken en nooit meer bovenkom.

Margot is gelukkig in haar wereld, waarvan ze de fundamenten aan elkaar heeft geknoopt van oude verhalen, godsdiensten, intuïtie, websites en ‘onafhankelijke’ – om niet te zeggen ‘obscure’ – publicaties. Ik begrijp haar enthousiasme voor een alternatieve waarheidsvinding – de energie die je krijgt door zelf iets ontdekken, buiten de gebaande paden om. Ze voelt zich een rebel tegenover de heersende orde en ik denk dat ze dat in zekere zin ook is.

Aan het slot van ons gesprek vroeg ik hoe ze ermee omgaat wanneer ze in haar omgeving of in haar familie mensen ontmoet die er heel andere denkbeelden op nahouden dan zij. Is ze niet benieuwd naar hoe andere mensen in de wereld staan? Moet ze niet voortdurend heel veel uitleggen?

‘Nee hoor,’ zei ze. ‘Daar heb ik helemaal geen last van, want ik ga alleen om met mensen zoals ik.’

Wanneer ik eraan denk hoeveel moeite het me kostte met Margot te gaan praten, moet ik me afvragen in hoeverre ik zelf omga met mensen die anders in de wereld staan. Margot komt er tenminste eerlijk voor uit dat ze dat niet doet. Ik houd graag de schijn op open te staan voor anderen maar informeer me daartoe vooral door romans en gedichten te lezen, waarmee ik misschien wel op andere gedachten kom, maar wel van een beperkt soort.

Inmiddels heb ik al best veel zevenblad uit de grond getrokken en ben ik ook aan paardenbloemen begonnen. Grassen en netels en distels die uit het niets verschijnen ruk ik uit de grond. Mijn schaduwtuin is een toenemende verzameling kale plekken. Maar ik vind een vorm van rust in het werken in de tuin. En Margot heeft me viooltjes aangeboden die ik op de kale plekken kan zetten.

Ik kan niet beslissen of ik me heb overgegeven aan haar eisen, of dat ik ben ingegaan op goedbedoeld advies. Het zijn Russische viooltjes. Ik doe mijn best om niet altijd in woorden te vluchten en ik weet dat mijn buurvrouw niet op dezelfde manier naar de dingen kijkt, maar het zit me dwars dat zelfs planten geclaimd kunnen worden door een natie. Dat de viool symbool staat voor nederigheid en bescheidenheid maakt me woedend. Wat wil mijn buurvrouw me vertellen?

Mending wall is niet alleen het repareren van een muur, met ‘mending’ als werkwoord, maar drukt ook de uitwerking uit van een scheiding. Nu is tenminste duidelijk dat onze tuinen, onze manieren van naar de wereld kijken, niet hoeven te vermengen. Het in stand houden van een grens kan een vorm van respect zijn.

He will not go behind his father’s saying,
And he likes having thought of it so well
He says again, ‘Good fences make good neighbors.’

Op de radio hoor ik persfotograaf Eddy van Wessel bij Argos vertellen over drie door granaten omgekomen mensen, in een dorpje buiten Charkov, vlak bij de grens met Rusland. Een oude man die uit zijn pantoffels getild leek te zijn. Een man en een jonge vrouw, naast elkaar. Wessels volgde een bloedspoor van een meter of vijf, en kwam tot de conclusie dat de jonge vrouw, gewond, naar de man toe was gekropen. Ze had het gehaald. Ze had het niet gehaald.

Wessels vertelt hoe vreemd het was dat hij deze gruwelijkheden aantrof op een mooie zonnige dag.

Wat we verwachten te zien en wat zich voor onze ogen afspeelt laten zich niet verenigen, denk ik, terwijl ik de aandrang moet bedwingen om bolletjes zevenblad over de schutting te gooien.

Als good fences make good neighbors waar is, dan geldt ook: bad fences make bad neighbors.

Sinds vanmorgen staat er een tuinschep voor mijn schuur met een scherpe punt.

Voor het schrijven van dit essay kreeg de auteur financiële ondersteuning van het Lirafonds.

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Ze publiceerde onder meer de roman Altijd Augustus (2017) en de dichtbundel Nachtboot (2018). Haar nieuwe dichtbundel Diamant zonder r verscheen in mei 2022.

Meer van deze auteur