‘Kom je vanaf hier wel verder?’

De zakenvrouw tilt de rugzak uit haar kofferbak en houdt hem voor Ellen omhoog. Ellen trekt aan de riemen tot hij strak tegen haar rug zit – het is koud geworden buiten, ze heeft het niet gemerkt in de auto.

‘Geen probleem, hoor,’ antwoordt ze opgewekt. Ze wil de vrouw niet storen met haar eigen twijfels. ‘Tankstations zijn volgens het internet juist de beste plekken.’

Ze kijkt naar de benzinepompen onder het felverlichte dak. Een man in een schildersoverall komt door de schuifdeuren uit de winkel en haast zich naar de enige bus. Verder staat er niemand – er rijden maar weinig auto’s zo laat op de avond. Het is de eerste keer in haar leven dat ze lift, die middag stond ze nog ergens buiten Venlo langs een snelwegoprit.

‘Nog niks gegeten, toch?’ vraagt de zakenvrouw terwijl ze de kofferbak sluit.

‘Al een paar uur niet.’ Ellen ziet dat haar eigen adem wolkt. ‘Of wat bedoel je?’

De vrouw steekt haar wijsvinger door de sleutelring en slingert de bos tegen haar handpalm. ‘Haal ik iets voor je.’

In de winkel van het tankstation koopt de vrouw twee pistoletjes voor Ellen en een smoothie voor zichzelf. Ellen voelt zich opgelucht nog niet alleen te worden achtergelaten – ze weet hoe tankstations langs snelwegen werken: je hoort altijd bij een bepaalde auto, er is geen andere manier om op het terrein te komen. Dus zolang ze naast deze vrouw staat, hoort ze bij haar.

Aan de andere tafel drinken twee kale mannen koffie. Ze dragen vlekkerige sportkleding en badslippers met sokken erin. Tijdens het slurpen kijken ze geïnteresseerd naar Ellens rugzak.

‘Ze is aan het liften, ik heb haar al vijfhonderd kilometer gebracht,’ zegt de zakenvrouw in vlekkeloos Duits. De mannen knikken alsof ze onder de indruk zijn. Dan draait ze zich naar Ellen. ‘Het is niet ver meer vanaf hier, Zürich. Ik moet er voor mijn werk weleens naartoe.’

Ellens vriend is naar Zwitserland verhuisd voor zijn vervolgstudie. Ze studeerden eerst nog samen, voordat hij verhuisde kwam hij na hun colleges bij haar langs. Ze kookten samen, ze sliepen met elkaar, soms meerdere keren – maar hij bleef nooit de hele nacht.

‘Hoe ben je daar eigenlijk terechtgekomen? Bij je werk.’ Ellen hoopt dat haar vraag een lang antwoord zal uitlokken. Ze wil nog niet alleen gelaten worden.

‘Is gewoon een opleiding voor, in Rotterdam. Maar ik moet weer.’ De vrouw draait de dop op haar smoothie. Onderin ligt alleen nog een laagje vruchtvlees.

‘Nog bedankt.’ Ellen houdt het tweede broodje omhoog. ‘Voor alles.’

De zakenvrouw haalt iets uit haar binnenzak. ‘Als er iets is kun je bellen.’ Ze knikt onopvallend naar de kale mannen. ‘Het is het onderste nummer. Bovenste kan trouwens ook, dat is mijn man.’

Ellen neemt het visitekaartje van haar over. Aan de ene kant staat alleen de blauwdruk van een vrachtschip, op de andere twee telefoonnummers. De hakken van de zakenvrouw klikken over de tegels en dan gaan de schuifdeuren dicht.

Het voelt alsof iedereen het meteen merkt. De kassier leunt naar voren en drukt zijn hoofd nieuwsgierig tegen de glazen kassawand, hij vindt het vast vreemd dat ze daar is achtergebleven. Ook de twee chauffeurs bekijken haar. Ze overleggen in een taal die ze niet verstaat. Ellen kijkt naar de laatste happen van haar broodje. Ze begint langzamer te kauwen.

‘Psst,’ sist de ene chauffeur. ‘Waarheen?’

‘Wat bedoel je?’

Ellen wil het antwoord niet geven, ze wil niet dat de mannen haar meteen een rit aanbieden.

‘Je bent aan het liften, toch?’

‘Mogen jullie zo laat nog rijden dan?’

‘We wisselen elkaar af,’ zegt de chauffeur. ‘Hij mag zo.’

De andere chauffeur steekt zijn arm in de lucht en trekt aan een denkbeeldige toeter. Ellen ziet de zweetvlek onder zijn arm.

‘Nou?’ zegt de ene weer. ‘Waarheen?’

‘Is niet nodig, ik word zo opgehaald,’ liegt Ellen. ‘Door mijn vriend.’

Ze houdt haar telefoon omhoog en schudt hem lichtjes heen en weer, alsof ze daarmee laat zien dat ze hier niet in haar eentje is. Het is niet alleen een leugen omdat ze niet zal worden opgehaald: ze weet niet eens zeker of hij wel haar vriend is. Ze heeft het hem een keer gevraagd, voordat hij vertrok. Dat is een paar weken geleden. Hij antwoordde niet, hij sloeg zijn arm om haar bovenlichaam en kuste haar in haar hals. Ze hadden nog een keer seks – lang ook, ze dacht dat dat een goed teken was.

De kassier loopt met een lege doos naar de opslagruimte. Er staat niemand onder het afdak van het tankstation.

‘En jullie?’ vraagt Ellen dan. ‘Waar moeten jullie naartoe?’

Ze merkt dat ze nog liever even met deze chauffeurs praat dan dat ze bij helemaal niemand hoort.

‘Istanboel.’

De chauffeur knikt alsof het om de hoek ligt.

‘Wat een afstand,’ antwoordt Ellen vrolijker dan ze gewend is. ‘Hoe lang doe je daar over?’

‘Ligt aan de grenzen. Of er wachtrijen zijn.’

‘Wachtrijen?’

‘Vooral aan de grens met Turkije,’ antwoordt de ander. ‘Kan soms een week duren – daarom zijn we ook met z’n tweeën.’

De chauffeurs wensen haar nog een goede reis, ze laten hun lege koffiebekers staan en lopen de winkel uit. Behalve de kassier is ze de enige in het gebouw. Ze buigt zich over haar lege broodbakje en likt aan haar wijsvinger. Eet zorgvuldig alle kruimels op. Eén keer kijkt ze kort in de richting van de kassa, de kassier draait zich net weg van het sigarettenrek en maakt oogcontact met haar. Meteen kijkt ze naar beneden.

Ze doet een trui aan tegen de kou en loopt met haar rugzak over de parkeerplaats achter het tankstation. De picknicktafel op het modderige grasveld is leeg en de afvalcontainer zit zo vol dat de deksel niet meer dicht kan. Ze hoopt een vrouw te vinden, of op zijn minst een gezin, maar in de eerste geparkeerde auto zitten twee mannen – zodra ze dat ziet loopt ze er in een boog omheen. De tweede auto is leeg en in de derde zit een Duitser met een open mond. Hij is in slaap gevallen, aan zijn kraag hangt een kruimelige servet.

Bij de oprit naar de snelweg leunt ze tegen de vangrails. In de berm staat een verkeersbord: Basel 54 – die naam heeft ze onthouden, ze weet dat er vanaf daar een trein naar Zürich rijdt. Hij nam haar ook nooit ergens mee naartoe, dat was het eerste wat haar opviel. Ze zagen elkaar alleen bij haar thuis, als zij hem vroeg om langs te komen, en dan nog moest ze soms meer dan een week op hem wachten. Ze wist waar hij woonde voordat hij verhuisde, maar ze was er slechts twee keer binnen geweest – die laatste keer ook alleen maar omdat ze haar beha had laten liggen.

Een witte bestelbus komt de oprit af gereden. De koplampen knipperen een paar keer en het busje stopt. Ellen staat verbaasd op, ze heeft haar duim niet uitgestoken. De zijdeur gaat open en het licht in de cabine springt aan. Het zijn de twee kale chauffeurs. De bijrijder doet zijn riem los en schuift naar de middelste stoel.

‘Kom maar,’ hij klopt op de lege plaats naast zich. ‘We helpen je.’

Op de achtergrond hoort ze een vrouw praten – de mannen luisteren naar een audioboek. Aan de achteruitkijkspiegel hangen een kralenketting en een kleine vlag die ze niet herkent. Ze schudt haar hoofd en leunt weer tegen de vangrails.

‘Ben ik soms te saai?’ vroeg ze hem een keer. Dat was na de seks, ze lag nog naakt in bed en hij stond zich aan te kleden.

‘Ellie, daar gaat het niet om,’ lachte hij. Hij ontkende het niet. ‘Ik denk gewoon niet dat ik dat wil. Een relatie.’

‘Met mij.’



De kassier kijkt haar verbaasd aan, maar hij zegt niets. Ellens gewrichten voelen stijf van de kou, ze kan niet goed bedenken hoe lang ze buiten heeft gestaan. Er zijn wel een paar auto’s voorbijgekomen, maar ze kon telkens niet zien wie er achter het stuur zat. Ze durfde haar duim niet op te steken.

Ze haalt weer twee broodjes en gaat aan dezelfde tafel staan. Ze eet langzamer dit keer, ze wil niet te snel klaar zijn. Ze hoort de kassier kartonnen dozen kapotscheuren. Veel klanten zijn er niet. Er is een man die ongeveer zo oud is als haar vader, hij draagt een duur pak waarvan de stropdas rond zijn nek wat losser zit. Ze volgt hem de hele tijd dat hij binnen is met haar ogen, maar hij kijkt niet één keer in haar richting. Dan is er nog een man die bladert door een autoblad terwijl hij stiekem de naaktbladen boven in de schappen bekijkt. Hij kijkt wel naar haar, maar hem spreekt ze niet aan. Haar benen tintelen van de vermoeidheid. Er zijn geen stoelen in de winkel – alles is ontworpen om je zo snel mogelijk verder te laten reizen.

Ze wil hem bellen om te vertellen wat ze meemaakt, wat ze die dag allemaal meegemaakt heeft – de zakenvrouw bijvoorbeeld, die werkt voor een bedrijf dat zeiljachten verkoopt. Ze rijdt heel Europa af, naar alle grote havens, en inspecteert de nieuwe schepen. Ze heeft een klapper laten zien met alle lijsten, Ellen bladerde er verwonderd doorheen – dat deze vrouw de macht heeft de schepen goed te keuren, of juist af te keuren. Ze is onder de indruk van haar, het is een interessante vrouw, ze wil hem over haar vertellen. Niet alleen vanwege die vrouw, daar gaat het niet om. Ze wil hem laten zien dat hij ongelijk heeft. En dan die chauffeurs, dat ze soms een week stilstaan voor de grens met Turkije – het is een willekeurig feitje, het interesseert niemand, maar ze weet zeker dat hij het nog nooit gehoord heeft.

Een gezin met twee kinderen komt door de schuifdeuren – het meisje wankelt een beetje, ze wrijft in haar slaperige ogen. De jongen rent meteen naar het snoeprek, hij is al wat ouder. Hij houdt een rolletje snoep smekend omhoog. De vader neemt het ongeïnteresseerd van hem over en de jongen balt zijn vuisten in overwinning.

Ze halen broodjes met ham en kaas en komen aan de tafel naast Ellen staan. De moeder geeft haar plakje ham aan haar man. De kinderen kunnen niet bij het hoge tafelblad, ze vouwen hun servetten uit op de vloer en leggen het snoep en de broodjes erop. Het meisje eet eerst alle rode snoepjes op.

‘Ook van je broodje eten,’ zegt haar moeder afwezig. Ze kijkt op haar telefoon.

‘Dat is gezond,’ zegt Ellen.

Het meisje schrikt. Misschien verwachtte ze hier geen Nederlands te horen. Haar moeder glimlacht. ‘Hoor je het eens van een vreemde.’

‘Gaan jullie op vakantie?’

‘In die Schweiz!’ roept de jongen. ‘En niet in der Schweiz.’

‘Ja, ja,’ moppert zijn vader met volle mond. Hij duwt zijn broodje gehaast naar binnen.

‘Ik ga ook in die Schweiz,’ zegt Ellen. ‘Ik ben aan het liften.’

De ouders blijven stil. Het meisje ademt geschrokken in.

‘Maar dat is gevaarlijk!’

‘Valt wel mee, hoor. Ik ben ook zonder problemen tot hier gekomen. Vanaf Nederland.’

‘Dat is echt ver – papa, dat is heel ver, toch?’

‘En ook héél gevaarlijk,’ zegt haar moeder streng. ‘Je mag nooit zomaar bij een vreemde in de auto stappen en dat weet je best.’

Ellen antwoordt niet. Ze draait zich weer naar haar eigen tafel. De vader bestudeert een papieren kaart, hij houdt zijn telefoon ernaast. Het meisje overlegt iets met haar broer, ze fluistert in zijn oor en hij schudt zijn hoofd.

‘Maar da’s gemeen!’ Ze wijst hem in zijn gezicht. ‘Jij bent gemeen.’

De jongen zucht. Hij schuift zijn servet naar haar toe. Het meisje tilt er een paar snoepjes van op en loopt naar Ellen. Ze rekt zich helemaal uit om bij de hoge statafel te komen en voorzichtig wipt ze een snoepje over de rand. Terwijl haar broer niet kijkt steekt ze de andere twee stiekem in haar eigen mond. Ellen sabbelt lang op het snoepje – het smaakt naar lange autoritten.

Wanneer het gezin weggaat draait het meisje zich nog even om. Ze staat tussen de schuifdeuren, de warmeluchtblazers waaien haar blonde haren alle kanten op. ‘Doei, meisje!’ zegt ze dan.

Ellen gooit haar afval in de prullenbak. Ze ziet dat de kassier haar bewegingen volgt, ze durft hem niet aan te kijken, ze is bang dat hij iets zal zeggen. Er is verder ook niemand meer, zelfs de snelweg is stilgevallen. Ze steekt haar hand in haar broekzak en voelt aan haar telefoon. Hij heeft geen auto daar, maar ze kan met hem praten, hem vertellen waar ze is. Hem verrassen met waar ze is. En tegelijkertijd weet ze dat het dan lijkt alsof ze het voor hem doet.

De schuifdeuren gaan weer open. Het is de vader van het gezin. ‘Basel, heb je daar wat aan?’

‘Ja,’ zegt ze verbaasd. ‘Dat zou perfect zijn.’

De man zucht. Hij klinkt buiten adem.

‘Weet je het wel zeker?’ vraagt Ellen.

‘Kom nou maar – anders houdt ze er nooit over op.’

Achter op de parkeerplaats staat een lichtgroene Fiat, de motor bromt nog. Het meisje doet de achterdeur open. Ze heeft rode ogen, alsof ze gehuild heeft.

‘Jij mag in het midden.’

Ellen gaat met haar rugzak op schoot achter in de kleine auto zitten. De kofferbak ligt zo vol met spullen dat een opgerolde slaapzak in haar nek drukt.

‘Papa is heel stout geweest,’ het meisje wijst op de oprit naar de snelweg. ‘Je mag hier helemaal niet achteruitrijden.’

Ellen moet om haar eigen rugzak heen buigen om ook naar buiten te kunnen kijken. Ze houdt haar gezicht naast dat van het meisje. De snelweg maakt een bocht en voor het eerst ziet ze de bovenste randen van de bergen, ze steken zwart af tegen de donkerblauwe hemel. Ze moet haar gezicht heel dicht bij het glas houden om de toppen te kunnen zien, zo hoog zijn ze. Op een ervan knipperen de lichten van een zendmast. Het verbaast haar hoe het gegaan is, hoe ze hier gekomen is – alleen. Ze vraagt zich af hoe het zou zijn om zo door te reizen. Om hem helemaal niet op te zoeken.

Dan blaast ze met haar adem per ongeluk een walm op de ruit. Het blonde meisje tilt haar wijsvingertje naar het glas en tekent de randen van de bergen na. Ellen staart naar de krullerige toppen, naar de walm die langzaam wegtrekt en de echte bergen daarachter.

Max Hermens (1991) schrijft proza. Zijn werk verscheen o.a. in Das Magazin, op Rekto:Verso, De Internet Gids, Hard//Hoofd, De Optimist, Papieren Helden en Tijdschrift Ei. Een bundeling van zijn verhalen werd gepubliceerd als chapbook met de titel Toch zonken ze niet. Max werkt op dit moment aan een roman.

Meer van deze auteur