De olielamp ontvouwt oranje licht in de kamer. Mirre-, amber- en drakenbloedkorrels smeulen in de wierookbrander. De gelige mirrekorrels worden vloeibaar, bubbelen op, stollen en verharden tot een zwart rotsachtig brok. De rook verspreidt een geur van gedroogde jasmijn, rozenblaadjes en kaneel maar maskeert amper de geur van gedroogd bloed, pis en lampolie. Malariamuggen bewegen tussen het licht en schaduwen. Mijn nichtje Fadumo, Aisha mijn vriendin en ik dragen allemaal een zwarte abayaat en een zwarte hoofddoek, waardoor wij samensmelten met het donker.

Mijn achternichtje is negen jaar oud. Haar naam is Sagal, wat zonnestraal in de regen betekent. Ze staart met fonkelende ogen naar haar moeder Fadumo, die haar vingers om haar smalle pols heeft. Met haar middelvinger aait ze over het armbandje van rode en blauwe kraaltjes. Sagals ronde muisjesgezicht is vochtig van de tranen, haar oren zijn puntig, ze drukt haar lippen tegen elkaar, haar mond lijkt op een perzikpartje. Het bloed dat tussen haar benen vloeit, trekt bloedvlekken in de lakens, haar urineweg is geïnfecteerd, geelgroene pus lekt uit de kleine kielen van de clitoris. Die lijkt afgebeten door een bezeten wezen. Haar schaamlippen zijn geheel verwijderd. De besnijdster heeft haar vulva dichtgenaaid en een kleine opening gelaten voor de urine en het menstruatiebloed. Aisha smeert honingzalf over Sagals wond. Ze huilt zachtjes, ze probeert haar huilen tegen te houden terwijl ze de soera mompelt die haar moeder haar beveelt. Door het snotteren en gillen heen probeert ze de soera zo helder mogelijk uit te spreken: ‘Hij verwekte’, en net voor ze op haar lippen bijt voegt ze toe: ‘Niet, noch werd hij’, en met moeite komt volledig vervormd het laatste woordje ‘verwekt’ uit haar. Ik leg mijn hand op de wreef van haar voet en bedek haar voet met het laken. Aisha kijkt me kort aan, ik keer mijn hoofd naar het bamboedeurgordijn dat zacht klettert in de bries. Ik schenk water in voor mij en Aisha, ik zet een schaaltje met dadels neer maar ze raakt ze niet aan, een zwarte salamander sluipt snel langs het bordje.

Gelukkig zal ik haar nooit meer hoeven zien als dit over is. Ik zal Sagal mee naar Nederland nemen, en hier nooit meer terugkomen, ik zal haar vertellen dat haar moeder overleden is, of dat haar moeder haar heeft achtergelaten en niemand weet waar ze is. Het ergste van alles is dat mijn nichtje niet eens spijt heeft van alle opofferingen die ze voor Allah en zijn patriarchale wet maakt. Mijn nichtje blijft hevig soera’s reciteren. Het wordt me te veel en zonder dat ik er controle over heb sta ik op: ‘Hou op hoer, haai, je bent een heks! Niemand luistert!’ Aisha kijkt me met afschuw aan, ze wil iets zeggen maar wendt haar blik van mij af, en ik realiseer me dat mijn nichtje mij niet kan verstaan omdat ik in het Nederlands aan het schreeuwen ben. Ik sta stil in het duister, het vlamlicht glijdt over een deel van mijn gezicht, zes ogen bewegen in het duister.

Het glibbert in mijn buik. Ik ren snel naar buiten toe, kots het avondeten uit. Ik veeg er wat zand overheen en ga zitten, naast het braaksel. Hier en daar groeien wat gelige grassprietjes. De donkerbruine acaciabomen steken als grote scharen uit de grond. De wind rukt ijlend aan de takken van de zeepnotenboom, en aan de zwarte steenvruchten in het zand. Toen ik aan mijn bachelor Politicologie begon, was Fadumo drie jaar getrouwd en haar dochter was net twee geworden. ‘Het kwaad,’ zeggen ze, ‘bevindt zich in de kut van de vrouw.’ Daarom snijden ze er delen uit en naaien ze delen dicht, om de vrouw en het volk te beschermen tegen dat kwaad. Ze snijden een deel uit het meisje omdat het helpt de lust te onderdrukken, omdat de lust van een vrouw een vloek is. Wat als ik mijn nicht Fadumo vaker had gezien? Ik wou dat haar dochter Sagal bij ons in de straat woonde en we samen naar het park konden gaan en haar verjaardag met haar konden vieren. Ik zou haar elke dag hebben bezocht.

De maan is zo groot, het is walgelijk dat ze zo glimt en haar ijdele trots over de nachthemel spreidt. De witte wolken worden gevingerd door het zilveren licht, nevelachtig. Alles is stil en verlaten, als ik roep is het voor niets. In de hut gloeit zwakjes het licht, mijn handen gloeien. De hutjes in de verte lijken onbereikbaar. Er staat een roestende rode auto naast de baobab. De auto staat op een paar stenen, de wielen zijn eraf gehaald, de deuren ontbreken. Malariamuggen zweven langs de spinnenwebben in de hoek van het dashboard. Een kever kruipt over de hoofdleuning van de passagiersstoel. Ik verhef me van het zand, loop naar de auto toe en klim erin. De vettige achterbank is bedekt met een versleten laken. De kilometerteller is ouderwets met witte cijfers en een rode pijl in een donkergrijze cirkel, er is een gat waar de radio hoort, er steken kabels uit. De wind fluit door het metalen karkas en tast langs het stof, de bladeren en twijgjes onder de stoelen en op de hoedenplank. De auto ruikt naar roest, olie en schimmelende vaatdoeken. De geur plakt aan mijn tong. Ik krab aan mijn hals en pols en veeg de spinnenwebdraden uit mijn gezicht. Ik bedek mijn handen en voeten met mijn abaya.

Ik laat mijn hand over droge bladeren glijden die op de hoedenplank liggen. Een stuk losgeschoten staal kleppert aan de onderkant van de auto. Heel traag kronkelt een duizendpoot van onder de bladeren vandaan, duwt met zijn bolvormige kop wat bladeren van zijn plaats, zoekt zijn weg over de letters van de glazen Fanta-fles en verschuilt zich daarna onder een hoop bladeren en twijgjes aan de andere kant van de hoedenplank. Zouden ze mij missen als ik hier blijf, zouden ze vragen waar ik ben, maakt het uit of ik er ben of niet?

De scherpe stalen rand van het raam schuurt aan de achterkant van mijn nek. Een goudgele slang ligt opgekruld onder de bestuurdersstoel. Langzaam schuift hij zijn kop onder de stoel vandaan. Hij staart om zich heen, beweegt zijn kop in kleine cirkels en steekt zijn tong uit wanneer hij mij opmerkt. Onze blikken op dezelfde lijn, dan draait de slang zijn kop en verschuilt zich onder de stoel.

Voetstappen schuiven over het zand, het geluid wordt langzaam luider. Een moment later hoor ik niets meer. De schaduw van mijn Aisha valt over mij heen.

‘Wat doe je daar?’ roept ze.

Ik antwoord niet, ik hoor haar ademen en zuchten.

‘Kom je eruit?’ vraagt ze.

Misschien gaat ze wel weg als ik niks zeg. Ik sluit mijn ogen en doe net alsof ze er niet is.

‘Zeg dan iets,’ roept ze.



Op school klommen we in het klimrek met groene, blauwe en gele stangen. Er lagen kleurrijke rubberen platen onder de rekken. De leraren kwamen met hapjes omdat het Sinterklaas was, we zongen liedjes. Waar was Sagal, waar was Fadumo? We hebben ze opgeofferd, opgegeven voor ons eigen geluk. Waarom woonde Sagal niet bij ons in Nederland, waarom woonde mijn nichtje niet bij ons? Zou het anders geweest zijn als ik meer contact met mijn nichtje had gehad, als ik vaker naar hier was gekomen, haar vaker had gezien of gesproken? Aisha steekt een sigaret op, licht barst uit de aansteker. Ze blaast sigarettenrook in de auto. ‘Wil je dat ik er ook in klim?’

Ze grijpt mijn voeten beet en sleurt mij over de achterbank. Ik gooi mijn armen uit, grijp de passagiersstoel vast en trap met mijn benen, zij worstelt met mijn benen, drukt ze tussen haar armen en houdt mijn enkels en voeten klem tegen haar borst. Ik hou me stevig vast aan de stoelleuning, terwijl ik met mijn benen kronkel. Een malariamug landt op mijn wijsvinger en bijt me, de stoelleuning glipt uit mijn vingers en ik schiet achterwaarts en val in het zand.

‘Ik wist niet dat je op auto’s valt, roosje.’

Ik kijk op naar haar gezicht, ze staat onbeweeglijk stil, ze fronst haar bolle neus. De wind wipt langs de takken en glijdt over het zand, fluistert vlug en vlucht weg. Aisha neemt een trek van de sigaret en blaast krullen de hemel in. Ik hijs mezelf op, terwijl ik naar het gelaat kijk. Haar gezichtshuid lijkt niet op vlees, maar heeft iets hards en glanzends, door het gloeien van de sigaret en de maan lijkt haar gezicht van obsidiaan.

‘Er zat ook een slang.’ Ik veeg het zand van mijn abaya, de abaya is bedekt met modder en vet. De geur van de auto is in mijn kleren getrokken. Ik loop haar voorbij, stap de hut in.

Fadumo reciteert nog steeds soera’s uit de Koran. Een litteken zo breed als een wijsvinger loopt recht over haar gezicht. Het begint bij haar oor, gaat over haar neus, en eindigt net onder haar rechteroor. Door haar zwarte abaya en hoofddoek lijkt ze een zwarte uitsnede in het oranje licht. Ze houdt Sagals hand vast en streelt over haar wang. De handen van Sagal trillen. Ik veeg voortdurend het zweet van mijn gezicht, het ligt als een dun vlies over mij heen. We besluiten naar het ziekenhuis te rijden. We tillen Sagal voorzichtig de nacht in. Mijn nichtje heeft Sagals voeten vast, ik klem mijn beide armen onder haar oksels, haar hoofd rust tegen mijn borst. Aisha stapt in de jeep en start de motor. Het is een donkeroranje jeep met roestende velgen, en gaten in de motorkap en de zijkant. De groeven in het rubber van de wielen zijn glad gesleten.

Ik ga met Sagal op de achterbank liggen, wikkel een laken om haar smalle lijf en vouw mijn armen om haar heen. We rijden over een hobbelig zandpad met aan beide kanten hibiscusstruiken en blepharissen bedekt met grijze haren. Als de koplamp op de scherpe doornen schijnt zijn het net spijkers die in een vuur liggen. Er hangt een geur van hibiscus en benzine in de jeep. We ploeteren moeizaam over en door de kuilen. Wanneer we bijna aan het eind van het zandpad zijn komt de auto vast te zitten in een kuil. Aisha blijft het gaspedaal intrappen. Het wiel draait zonder ons vooruit te verplaatsen. Mijn nichtje Fadumo en ik stappen uit de jeep en duwen tegelijk tegen de achterbumper van de auto terwijl Aisha op het gas stampt. De uitlaatgassen wolken om ons heen. Onze gezichten en handen worden verlicht door de rode gloed van het achterlicht. Aisha ramt nog eens het gas in, de motor tiert en raast, het achterwiel spint in het zand, zodat het opstuift in een nevel en om ons heen wervelt. Kleine kiezelstenen schieten langs ons weg, het wiel spint en tolt zonder zich te verplaatsen. Zandkorrels komen in mijn mond en neus. We blijven duwen. Span al mijn spieren aan, er komt een klein beetje beweging in de auto.

Aisha drukt op de toeter en laat niet los, ze haalt haar voet van het gaspedaal af. De jeep raast zachtjes, je kan aan het toeren van de verbrandingsmotor horen dat Aisha heel voorzichtig het gaspedaal indrukt. De jeep veert een stukje op, valt, en rolt daarna weer terug.

Ik sjouw een rotsblok dat in de doornstruiken ligt naar de kuil waar het wiel in vastzit. De steen voelt stroef en schuurt tussen mijn vingers. Stukken grond kruimelen van de steen af. Ik strompel met mijn benen gespreid, de steen tegen mijn buik gedrukt, naar de jeep. Aisha vraagt waar ik mee bezig ben. Ik kijk niet op, maar probeer de zware steen zo snel mogelijk op de juiste plaats te krijgen. Deze steen zal de jeep uit de kuil helpen. Uit deze steen zal de reis komen. Ik leg de steen in de kuil voor het wiel. Mijn nichtje en ik gaan samen achter de jeep staan om te duwen, we duwen tegelijk tegen de jeep.



Ik heb mijn nichtje zo weinig gezien. Mijn moeder had haar niet moeten achtergelaten. De jeep schommelt een stukje uit de kuil, maar valt dan weer terug. Plots rukt de jeep los en schiet naar voren. Ik, Sagal en Fadumo vallen in het zand. Ik staar kort naar het litteken dat Fadumo’s gezicht in tweeën deelt. Tranen van zand op haar gezicht. Ik krijg de zandkorrels niet uit mijn mond. Al blijf ik spugen, het grind blijft tussen mijn tanden knarsen en schaaft langs mijn tandvlees.

Zodra we bij een asfaltweg komen, gaan we met hoge snelheid door de nacht en snellen langs slanke acacia’s en dadelpalmen die over het zanderige veld verspreid staan. Sagal is stil, huilt niet meer, er kruipt soms nog een klein piepje uit haar lichaam. Telkens als haar ogen dichtvallen, dwing ik haar haar ogen weer open te doen. Sagals ronde gezicht is uitgedroogd, er rollen kleine tranen langs haar neus. Ik streel zachtjes Sagals voorhoofd en wang. Ik aai haar vingers. De koele wind glijdt langs mijn huid. Het ziekenhuis is een paar uur rijden, we zijn onderweg, dat is het belangrijkste, om onderweg te zijn. We laten de hut en nacht achter ons, we rijden richting het ochtendgloren. Eigenlijk wil ik dat de weg eindeloos blijft doorgaan, dat we voor eeuwig door deze nacht sjezen, want als er niks verandert zal er ook niks verloren gaan, blijft het voor altijd tussen het einde en het begin in hangen.

De spikkels licht aan de hemel zijn wazige, melkachtige druppels, flinters robijn, saffier en smaragd, stippeltjes in het zwart van de hemel. Sagal is helemaal stil. Ze heeft haar ogen gesloten. Ik streel over de vlechtjes in haar haren. Ze voelt koeler dan de nacht.

Alara Adilow (1988) is dichter en auteur van Somalische afkomst, ze studeert Rechtsgeleerdheid aan de OU en neemt deel aan een Public in Residence voor de queer- en transgemeenschap in Museum Arnhem. In 2021 was ze gastschrijver bij tijdschrift nY. In april 2022 verscheen haar debuutbundel Mythen en stoplichten.

Meer van deze auteur