Ik trof het boek aan in een beduimelde buurtboekenkast aan de Bickerswerf. Het was alsof die kast voor het grofvuil bedoeld was, scheefgezakt en verweerd, zonder liefde daar achtergelaten. De boeken die erin stonden waren kromgetrokken van het vocht omdat ze geen enkele bescherming genoten tegen de elementen. Dit was de dakloze junk onder de buurtboekenkasten, het verstoten broertje van de kast verderop aan de Realengracht, die vol stond met droge, schone boeken onder een slimme plastic overkapping. Het enige wat ze gemeen hadden, was dat ze vol stonden met niet aan te slepen hoeveelheden detectives, mystery novels en ‘psychologische thrillers’.

Ze maken iets sentimenteels in me wakker, die boeken. Een herinnering aan een jeugd die bestond uit zeeën van leestijd, een onstilbare honger naar detectives en een tolerantie voor slechte stijl, onleesbare dialogen en platitudes die ik later voorgoed ben verloren. Agatha Christie, natuurlijk. Hercule Poirot, badend in de warme gloed van een paar schemerlampen in de drawing room van een landhuis, terwijl het lijk ligt af te koelen in de slaapkamer. De Nicci French-boeken die ik jatte van mijn moeder, al die boekomslagen met stenen beelden in dramatische poses, een ontknoping met een bergbeklimmer die me altijd is bijgebleven, waarschijnlijk omdat ze te maken had met taal (wat iedereen had verstaan als ‘help’ bleek ‘Gelb’ te zijn, Duits voor geel dus, en dat maakte om de een of andere reden alle verschil). Colin Dexter, Karin Slaughter, Lee Child. Seriemoordenaars en prostituees, rituele moorden en plattelandsmoorden. De norse inspector Morse, de loner (en dyslecticus) Will Trent, de op drift geraakte ex-militair Jack Reacher. Ik las die boeken zoals ik de stapel boterhammen van mijn bord ernaast at: gulzig, ongeduldig, dwars door het punt heen waarop ik eigenlijk al vol zat. Het was een eindeloze cyclus van lezen en weer vergeten. Een constante afleiding van iets, al wist ik niet goed waarvan.

Verborgen nalatenschap, zo luidt de generieke titel van het gehavende boek dat ik uit de buurtboekenkast aan de Bickerswerf vis. Het is nogal een geval: groot en dik, bijna 400 dichtbedrukte pagina’s. Het omslag is iets tussen bordeauxrood en aubergine, een stockfoto van een injectienaald met een ampul ernaast in dezelfde tinten, de titel in witte hoofdletters met een zwarte schaduw. Daarboven, in helgeel, de auteursnaam: Ruth Rendell, én, daaronder, tussen haakjes, haar pseudoniem Barbara Vine. Een oude bekende. Het is opzettelijk lelijk, zoals zulke boeken dat zijn, geruststellend lelijk, ik zou haast zeggen: móói lelijk. In een opwelling leg ik het ding in het opbergvak onder in de kinderwagen.

Eigenlijk had ik het plan om aan de hand van een paar klassieke en moderne detectives te kijken naar de evolutie van het personage. Analytische puzzelaars Sherlock Holmes en Hercule Poirot, hard-boiled loners Sam Spade en Philip Marlowe, getroebleerde Scandi noir-bewoners Kurt Wallander en Harry Hole. Maar het uitdenken van dit plan ontnam me, zoals wel vaker het geval is, alle lust om het ook daadwerkelijk uit te voeren.

Zo bleef ik een tijdje rondlopen, vol tegenzin en de gevoelens van doem die dergelijke tegenzin in je losmaken. Ik dacht aan het verschil tussen de moordenaar en de detective, en meende daarin twee soorten schrijvers te ontwaren: zij die iets bedenken en uitvoeren, en zij die zitten te peuren in voldongen feiten. Je verzint iets, of je gaat op zoek in het donker.

Op een avond sloeg ik van de weeromstuit het bonkige, met zwarte schimmelvlekjes doordesemde boek open. Hier moest ik het mee doen, zei ik tegen mezelf, dit was het lijk dat voor mijn voeten was geworpen: de opsomming van voldongen feiten die me voor de uitdaging stelde te achterhalen wat er verborgen bleef. Als ik iets had geleerd van al die detectives naast mijn stapels boterhammen, was het dat het lijk altijd op cryptische wijze in de richting van de waarheid wees. Je hoefde alleen maar goed te kijken, en open te staan voor zowel het buitenissige als alles wat zo triviaal en onopvallend was dat het van geen enkele betekenis leek.

Klarra Graah

Het boek had geen literaire pretenties, al probeerde het wel enige psychologische diepgang te bieden – door, bijvoorbeeld, de protagonist keer op keer vol verbazing te laten concluderen dat mensen twee of zelfs nog meer ‘gezichten’ hebben.

Kort gezegd ging het over een biograaf die de biografie van zijn overgrootvader wilde schrijven, een dokter met een speciale interesse in hemofilie, die lijfarts werd van koningin Victoria. De dokter had een aantal geheimen te verbergen gehad en de achterkleinzoon wilde te weten komen welke. Overspel, een buitenechtelijk kind, een dodelijk ongeluk, een steekpartij, een treinmoord, een ongeschreven magnum opus: de ingrediënten voor een sinister verloop van de geschiedenis bleken volop aanwezig.

Het was evenwel een onverwacht taaie leeservaring. Rendell had zich verloren in de genealogie van niet één maar twee fictieve families. Het was een komen en gaan van oudtantes en verre achterneven. Voortdurend moest ik de stambomen voor in het boek erbij pakken, met mijn vinger langs alle namen gaan om erachter te komen wie er nu in godsnaam weer op de proppen was gekomen met een bezoekje, brief of envelop vol foto’s. Ieder doodlopend spoor werd tot de laatste snik gevolgd, iedere twijfel uitentreuren tegen het licht gehouden. Alles wat interessant was aan het verhaal – voornamelijk die zeldzame, en zeldzaam gruwelijke ziekte hemofilie, die generaties lang rondwaarde onder de nazaten van koningin Victoria, in koningshuizen van Spanje tot Rusland – werd, kortom, bedolven onder een berg details die zijn weerga niet kende.

De ontknoping was ontluisterend eenvoudig van aard. Niet alleen had die welhaast niets van doen met de opgeworpen intriges, ze was onvolledig op een manier die in een merkwaardig contrast stond met de overdaad aan details waar de biograaf zichzelf met plezier noch frustratie in verzoop. Diens wezenlijke onverschilligheid ten aanzien van zijn eigen project bleek geen dekmantel voor iets anders, zoals ik gaandeweg kwam te vermoeden. Zijn braafheid, zijn zorgen om statusgerelateerde onbeduidendheden, zijn verlangen in de pas te lopen kenden net genoeg grenzen om niet te veranderen in het soort obsessies dat iemands ondergang inluidt. Hij was een man met te veel tijd en privileges, weinig gedachten en alleen oppervlakkige interesses. Het enige wat je hem moest nageven, was dat hij een bepaalde, robotachtige onvermoeibaarheid aan de dag legde ten aanzien van zijn onderzoek.

Ik was teleurgesteld: niet alleen kon dit boek zich bij lange na niet meten met Rendells/Vines beste werk (A Judgement in Stone, A Dark-Adapted Eye, The Tree of Hands, The House of Stairs: ze behoorden in mijn tienertijd tot mijn absolute favorieten, binnen het genre en eigenlijk ook daarbuiten), het was me volstrekt onduidelijk op welke manier ik hier iets mee aan moest voor het project dat ik was aangegaan. Het lijk zweeg niet, het bleef babbelen als de eerste de beste boomer met een royaal pensioen, een plotselinge interesse in de eigen familiegeschiedenis en het misplaatste idee dat daar een interessant verhaal in zat voor het algemene publiek.



‘Als de werkelijkheid ondoorschijnend is,’ schreef cultuurhistoricus Carlo Ginzburg (zoon van de onvolprezen Natalia Ginzburg) in zijn essay ‘Sporen’ uit 1979, ‘zijn er toch bevoorrechte gebieden – die van tekens en symptomen – die het mogelijk maken haar te ontcijferen.’

Hij had het over wat hij het paradigma van de medische semiotiek noemde; dat had volgens hem zijn opwachting gemaakt tegen het einde van de negentiende eeuw, en ging ervan uit dat ‘kennis van mens en samenleving slechts verkregen [kan] worden aan de hand van “clues”‘. Anders gezegd: het ging om het idee dat alle dingen zichtbare tekens dragen die onzichtbare eigenschappen onthullen en op die manier iets blootleggen over systematische onderstromen – bijvoorbeeld van sociale klassen, kapitalisme, de samenleving als geheel.

Ginzburg volgt het spoor terug tot aan de jaren zeventig, tachtig en negentig van de negentiende eeuw, waar hij drie figuren aantreft die aan de wieg stonden van deze paradigmawisseling. Twee echte, de Italiaanse kunsthistoricus Giovanni Morelli en Sigmund Freud, één fictieve: Sherlock Holmes.

Tussen 1874 en 1876 publiceerde Morelli een aantal artikelen over de Italiaanse schilderkunst. Daarin deed hij een werkwijze uit de doeken om de authenticiteit van een schilderij vast te stellen, eentje die nog altijd bekendstaat als de ‘Morelliaanse methode’. Op zoek naar wat het handschrift van een schilder uniek maakte, keek hij naar hoe anatomische details werden geschilderd: handen en oorschelpen, vingernagels en voeten. Aan de oorlellen van een geschilderd naakt kon Morelli aflezen of hij keek naar een Titiaan of een Giorgione. Zijn boeken zagen eruit als politiedossiers, waarin lichaamsdelen werden verzameld als vingerafdrukken van misdadigers.

‘De kunstkenner,’ schrijft Ginzburg, ‘is te vergelijken met een detective die de auteur van de misdaad (van het schilderij) ontdekt op grond van aanwijzingen waar de meeste mensen overheen kijken.’ En zo komt hij uit bij Sherlock Holmes, wiens analytische methode van ‘achterwaarts redeneren’ niet alleen veel gemeen heeft met die van Morelli, maar ook ongeveer uit dezelfde tijd stamt. In ‘The Adventure of the Cardboard Box’ (1892) doet Holmes precies wat Morelli doet als hij naar een schilderij kijkt: aan de hand van de vorm van een paar afgesneden oren die per post worden ontvangen door een oude vrouw, leidt hij af dat ze, gezien de specifieke gelijkenissen, afkomstig moeten zijn van iemand die nauw aan de oude vrouw verwant is.

Dat Morelli’s ideeën freudiaans klinken, komt, schrijft Ginzburg, doordat Freud hem las toen hij jong was. Wat uiteindelijk een belangrijke pijler van de psychoanalyse werd, namelijk het idee dat onze willekeurige, triviale handelingen een veel beter beeld geven van onze persoonlijkheid dan welke zorgvuldig geënsceneerde performance ook, had Freud in niet onaanzienlijke mate te danken aan Morelli’s ideeën over het handschrift van de kunstenaar, dat zich toonde in de dingen die hij op de automatische piloot schilderde, de banale details, alles wat door Morelli’s collega’s werd beschouwd als vulgair (víngernagels!).

Ginzburg wijst erop dat zowel Morelli, Freud als Arthur Conan Doyle een achtergrond had in de geneeskunde, de wetenschap die veel meer ging over gissen dan over wetmatigheden, en die aan de hand van symptomen moest afleiden welke ziekte het lichaam verborgen hield. De wetenschap van de tekens, de semiotiek. Zoals rechercheren dat ook is, en het interpreteren van teksten.



Het is niet zo vergezocht om Ginzburgs lijn van de kunstkenner, de arts/psychoanalyticus en de detective door te trekken tot de complotdenker. Waar de ‘ondoorschijnende werkelijkheid’ voor de arts een ziekte is en voor de detective de ware toedracht van de misdaad, is die voor de complotdenker het bestaan van een geheime wereldorde. Voor hem is het de werkelijkheid zelf die liegt: niets is wat het lijkt, de wereld waarvan we menen dat die de enige is, een rookgordijn. Zijn wantrouwen wordt een fetisj, net als het idee onderdeel te zijn van een select gezelschap dat in staat is de codetaal van de machthebbers te ontcijferen.

Een arts kan de complotdenker beschouwen als een zieke, natuurlijk. In dat geval wordt alles wat die eerste als waarheid beschouwt, voor die tweede een symptoom (van een concrete of meer symbolische, maatschappelijke ziekte; niet voor niets viert, naast het complotdenken, ook het soort artsen dat de samenleving diagnosticeert hoogtijdagen).

Wat Ginzburg buiten beschouwing laat is dat het volgen van sporen, aanwijzingen, tekens, niet per definitie naar de waarheid leidt, maar er ook verder van kan wegvoeren. Een bovenmatig geloof ‘op het goede spoor’ te zijn, kan een gevaarlijke vernauwing van perspectief tot gevolg hebben, en een bovenmatige interesse in tekens kan duiden op gekte. De scheidslijn tussen de gewiekste detective en de aan wanen lijdende patiënt is dun – een geliefde troop in boeken en films, zie bijvoorbeeld Scorseses Shutter Island, waar men de geïnterneerde patiënt met geheugenverlies laat geloven dat hij een rechercheur is om hem, zo blijkt, te confronteren met zijn trauma (dat ook een misdaad is: hij vermoordde zijn manisch-depressieve vrouw, nadat ze hun kinderen had verdronken).

‘Als je research doet voor een biografie, duiken er steeds weer vreemde kleine vragen op,’ zegt de verteller uit Verborgen nalatenschap, het met vochtplekken bezaaide lijk dat ik nog altijd achter me aan zeul, ‘en als je bent zoals ik, wil je antwoord op die vragen, al leiden ze je alleen maar af van je onderwerp.’

Dat ‘als je bent zoals ik’ is opvallend te noemen in de context van iemand die, als gezegd, niet te betrappen valt op enige vurigheid of zelfs maar bovengemiddelde interesse in zijn eigen zoektocht. Daarbij is het zo onduidelijk wát zijn onderwerp is, dat het, na een paar honderd pagina’s met niets dan digressies, als een verrassing komt dat hij blijkbaar toch met zo’n concept rondloopt.

Ik heb de zin onderstreept en blijf ernaar terugbladeren, totdat het lezen ervan meditatief wordt, een mantra of een bezwering, hoe dan ook een tekst die alleen maar wordt uitgesproken vanwege de kracht van de herhaling. En zo is het natuurlijk ook. Want ook onze biograaf, hoe ongeïnspireerd hij verder ook is, kan niet loskomen van de veronderstelling waar we nu eenmaal moeilijk van loskomen, vast als we zitten in ons semiotische paradigma: dat er een onderwerp is en de afleiding daarvan. Dat er altijd iets te ontcijferen valt, en dat de rest, bijgevolg, irrelevant wordt.

Een red herring is iets wat, bedoeld of onbedoeld, de aandacht afleidt van wat er daadwerkelijk aan de hand is. Het was de Britse journalist William Cobbett die de term in 1807 introduceerde, in een (waarschijnlijk fictief) verhaal over hoe hij als jongen een gerookte (en daardoor roodgekleurde) haring had gebruikt om zijn jachthonden af te leiden van de geur van een haas. Hij gebruikte het verhaal als metafoor om de pers te bekritiseren die zich, door valse geruchten over de nederlaag van Napoleon, liet afleiden van belangrijke binnenlandse kwesties.

De red herring raakte ingeburgerd als metafoor, en als strategie in detectiveverhalen. De herkomst was een red herring op zich: men herinnerde zich wel het verhaal over de jacht, maar veronderstelde dat de inzet van zulke gerookte haringen een daadwerkelijk gebezigde praktijk was. Puppy’s zouden getraind worden met de geur van gerookte haring. Later, als ze de geur van een vos of een das moesten volgen, zou de haring worden ingezet als afleidingsmanoeuvre – de honden moesten leren de veel sterkere geur van de haring te negeren om het juiste spoor te blijven volgen.

Klarra Graah

Hier was niets van waar; het verhaal over die jachthonden bleek te berusten op een verkeerd geïnterpreteerde verhandeling uit 1685 door Gerland Langbaine, een theatercriticus en de auteur van het boek The Hunter. *A Discourse of Horsemanship: Directing the Right Way to Breed, Keep and Train a Horse, For Ordinary Hunting and Plates. *Daarin deed hij de tip aan de hand om, als je paarden wilde laten wennen aan de geuren van een jachtpartij, je een dode vos of kat op hun rug kon binden. Als die niet voorhanden waren, schreef Langbaine, kon je in geval van nood volstaan met gerookte haring. In plaats van een afleiding was de originele red herring een hulpmiddel om op het juiste spoor te blijven.

Dat de ontstaansgeschiedenis van een cultureel cliché over misleiding een aaneenrijging is van misverstanden en verkeerde interpretaties, en dat de oorspronkelijke betekenis veel dubbelzinniger is dan verondersteld, past natuurlijk perfect bij de glibberige realiteit van het begrip (en de vis zelf). Het verhaal van de red herring laat ook zien hoe de afleiding kan fungeren als het juiste spoor: zonder al die omwegen geen verhaal, en zonder verhaal geen ontknoping.



In ‘hogere’ kringen wordt vaak een beetje neergekeken op de thriller en de detective, hooguit is er waardering voor de cultaspecten van het genre. Zoals Doeschka Meijsing het ooit samenvatte in De Groene Amsterdammer: ‘Je leest het om leeg te worden, je leest dóór omdat je gegarandeerd bent van een uitkomst, iets wat gewone literatuur je niet te bieden heeft, een onwrikbare oplossing.’

Dit is verre van onwaar, maar toch ook niet de gehele waarheid. Bij de detective gaat het namelijk ook, en misschien wel méér, om de afstand tussen de vondst van het lijk en de ontdekking van de ware toedracht. Als het alleen zou gaan om de garantie van een uitkomst, zou je je ook tevreden kunnen stellen met het lezen van een samenvatting op Wikipedia.

Het is in die afstand dat er omwegen en dwaalsporen ontstaan, dat we op het verkeerde been worden gezet, en nog eens, dat we worden afgeleid door triviale of juist bombastische aangelegenheden, dat we blind worden gemaakt voor wat zich voor onze ogen afspeelt. Eenmaal aanbeland bij de ontknoping, schijnen we te vergeten dat het leeuwendeel van het verhaal – en van de lol – bestond uit afleiding. Dat maakt die ontknoping zelf een afleiding of sorts. Je zou ook kunnen zeggen dat het zo stellig lijkende verschil tussen de waarheid en de afleiding (of om met Morelli, Freud en Holmes te spreken: het origineel en de kopie, het onbewuste en het bewuste, de dader en de onschuldigen) vaak veel poreuzer is dan het wil lijken. De reden dat de complotdenker het uiteindelijk bij het verkeerde eind heeft, is dat hij blijft geloven in een absolute dichotomie, waarbij een misleidend idee van de waarheid al het andere overwoekert – zo’n beetje het hele leven dus, in feite.

Ik zou liegen als ik zou zeggen dat het boek van Rendell/Vine – het lijk dat ik nu al een paar weken met me meedraag, groot en onhandig, veel te zwaar voor zijn inhoud – in dit licht aan kwaliteit wint, maar misschien had het me niet gebracht waar ik nu ben als het beter was geweest. De ongelooflijke, pietluttige nauwkeurigheid tegenover die ontstellende eenvoud en slordigheid van de clou bracht me in een misschien wel perfecte staat van verveling en verwarring die ik in andere omstandigheden niet had bereikt omdat ik er na hoogstens vijftig pagina’s voorgoed de brui aan had gegeven.

Ik weet niet of ik iets heb ontcijferd nu ik aan het einde ben gekomen van mijn autopsie. Zoals altijd vrees ik dat ik alleen maar iets heb opgeschreven wat ik allang wist – misschien is het lijk waarin je rondpeurt altijd in de eerste plaats dat van jezelf. Morgen zet ik het boek terug op een van de scheve schappen van de deerniswekkende buurtboekenkast. Vanaf daar zal het me, tijdens mijn ochtendwandelingen, aanstaren, totdat het voorgoed is verdwenen. Of ik dat ben.

Niña Weijers (1987) schrijft voor De Groene Amsterdammer en is redacteur bij De Gids. In 2014 verscheen haar debuutroman De consequenties, in 2019 verscheen haar tweede roman, KAMERS ANTIKAMERS. In april 2022 verscheen Zelf doen, een bundeling van literaire essays.

Meer van deze auteur