‘And you can get caught holding one end of a love, when your father drops, and your mother; when a land is lost, or a time, and your friend blotted out, gone, your brother’s body spoiled, and cold, your infant dead, and you dying: you reel out love’s long line alone, stripped like a live wire loosing its sparks to a cloud, like a live wire loosed in space to longing and grief everlasting.’
– Annie Dillard, Holy the Firm



Voor ervaringsdeskundigen is het leven een aanhoudende dreiging van lijden tot de dood erop volgt. En het lijden van wie je lief is, is moeilijker te dragen dan dat van jezelf. Het is de onmacht om het te doen ophouden die het ondraaglijk maakt.

De mens bedacht een almachtige God maar die bleek niet betrouwbaar machtig het lijden weg te nemen. Ik haal de dingen natuurlijk door elkaar; zij die in God geloven, geloven niet dat Hij bedacht is, en voor hen is God wel almachtig maar zijn wij niet bij machte de lessen die Hij ons leert te begrijpen. In haar gedicht ‘God’s Justice’ schrijft Anne Carson dat op de dag dat Hij de gerechtigheid moest creëren, God zich zo verloor in het maken van een libelle, dat Hij de tijd vergat. We zijn met velen, wij die van ons met de pap ingelepeld katholiek geloof, het geloof dat God almachtig rechtvaardig en goedertieren is, gevallen zijn toen tot ons doordrong dat er niet zoiets bestaat als gerechtigheid. Als God goede mensen laat lijden is Hij niet almachtig rechtvaardig en goedertieren, ergo: God bestaat niet. Een fundamentele, afgrondelijke eenzaamheid komt in ons leven. En wie eenmaal eenzaam was, is eeuwig eenzaam.

Mettertijd werd de natuur mijn religie. De arbitraire natuur met haar onverantwoorde zachte en harde hand en al mijn zintuigen en emoties om haar te aanbidden. Annie Dillard leerde me nog dieper aanbidden. Haar Pilgrim at Tinker Creek is een van de boeken die mijn leven veranderden.

Er is echter een ander boek van haar waarmee ik worstel. Het telt nog geen zeventig bladzijden maar het laat je alle hoeken van je bovenkamer zien. Als het lijden zich weer eens ostentatief, breeduit in het brandpunt van mijn leven geposteerd heeft, herlees ik het en word weer mee extatisch in het eerste hoofdstuk, mee opstandig en ziedend in het tweede… en overweldigd door afschuw over de keer die ze neemt in het derde hoofdstuk. Daar laat ze mijn hand vallen en wendt zich af.

Holy the Firm speelt zich af in drie dagen en drie delen.

In het eerste deel leert ze ons de jubelende extase. Emerson schreef: ‘Heaven walks among us ordinarily muffled in such triple or tenfold disguises that the wisest are deceived and no one suspects the days to be gods’, Annie Dillard vertelt het ons zonder omhaal in haar openingszin: elke dag is een god. Vervolgens beschrijft ze hoe de god van die dag opstaat. Zijn hoofd vult de baai, hij staat op uit het water, eilanden glijden van zijn schouders, zijn vingers zijn sparren, zijn ogen zijn gevlekt met wolken, hij gooit zijn armen uit en kleuren verschijnen… enzobeeldigvoort. Wie ooit Annie Dillard las vergeet de kracht van haar beelden nooit meer. In dit boek beschrijft ze de kat waarmee ze samenleeft, de spin die huist achter het toilet, ze beschrijft een nachtvlinder die in een kaarsvlam vliegt en hoe het borststuk in de gesmolten was valt en een tweede wiek wordt, ze beschrijft het landschap van bergen en baai en eilanden en weilanden… Het hoofdstuk eindigt omdat de dag eindigt, maar je wenst dat het sublieme eindeloos kon doorgaan.

In het tweede hoofdstuk valt een sportvliegtuig uit de lucht. Alle inzittenden zijn ongedeerd op een meisje van zeven na, haar gezicht is eraf gebrand. Annie Dillard had het kind kort daarvoor ontmoet.

De pijn van derdegraads brandwonden valt niet te stillen omdat er geen huid meer is, de medicatie lekt simpelweg op de lakens, schrijft ze. Dit is lijden waar niemand omheen kan. Had deze dag-god dan geen macht, vraagt ze zich af. ‘No, that day’s god has no power. No gods have power to save. There are only days. The one great god abandoned us to days, to time’s tumult of occasions, abandoned us to the gods of days each brute and amok in his hugeness and idiocy.’ Dat is de klare, harde realiteit. Haar woede heeft iets troostends, de troost van hand in hand in het aanschijn van ons lot.

In hoofdstuk drie laat ze mijn hand vallen en knielt voor God.

‘I know only enough of God to want to worship him, by any means ready to hand,’ opent ze dit laatste deel, en wat volgt zijn twintig bladzijden van steeds onnavolgbaarder, godsdienstwaanzinniger ideeën, gaande van ‘wie zijn wij om verklaringen te durven eisen van God’, over iets als het voor buitenstaanders onbegrijpelijke ‘esoteric Christianity’ en een ‘substance’ genaamd ‘Holy the Firm’, tot mijn afgrijzen wekkende passages waarin ze het verbrande kind voorstelt een non te worden en haar vergelijkt met die nachtvlinder uit het eerste hoofdstuk, ‘your life a wick, your head on fire with prayer, held utterly, outside and in, you sleep alone, if you call that alone, you cry God’.

Als een kind buiten zinnen van pijn rond je nek hangt in het volle vertrouwen dat jij degene bent die de pijn kunt stillen… en je kunt het niet… als een lijdende moeder je recht aankijkt en weent zonder geluid en zonder tranen… en je kunt niets doen om haar lijden te verzachten… dan schrijf je zulke dingen niet. Dergelijk theoretiseren kun je alleen als je buiten het armbereik van dat kind stapt, buiten het blikveld van die moeder, als je je blik neerslaat om het acute en urgente lijden niet langer recht in het gezicht te hoeven kijken. Wat Annie Dillard doet is zich afwenden van haar lijdende medemens en zich toewenden naar een God die een bruut is en een verrader (haar woorden, niet de mijne).

‘Disassociating, mindfulness, transcendence – whatever the label – it’s a sort of loophole in our contract with reality, a form of self-rescue,’ noemt Diane Ackerman het in One Hundred Names for Love. Vluchten uit zelfbescherming. Het is menselijk. Menselijke zwakte. Je laat je lijdende medemens in de steek.

In haar gedicht ‘God’s Christ Theory’ heeft Anne Carson het over compassie. ‘Not passion but compassion./ Com – means “with./ What kind of withness would that be?’’Withness’, dat klinkt als ‘witness’, getuige zijn, ‘withness’ als ‘with-ness’, erbij zijn. Bij het lijden blijven. Niet vluchten.

Elke mens is slechts een eenzaam dier in de willekeurdadige handen van de natuur. Er bestaat geen troost voor lijden. Het enige dat je kunt doen is elkaar vasthouden om de eenzaamheid te delen. Geen stap achteruit zetten, bij het lijden blijven. De blik niet neerslaan, getuige zijn. Niet vluchten, blijven.

Caro Van Thuyne (1970) leeft en schrijft in het Houtland achter de Vlaamse kust. In 2018 debuteerde ze met de verhalenbundel Wij, het schuim. In januari 2021 verscheen de roman Lijn van wee en wens.

Meer van deze auteur