De rechercheur draagt vilten sloffen als hij me thuis verwelkomt. Op de schoorsteenmantel staan opgezette vogels, in de hoek een grote houten wereldbol en in de boekenkast een hele serie Wallanders. Hij was historicus en schrijver en solliciteerde pas later in zijn leven bij de recherche. Zijn partner begon nog voor haar twintigste ‘in blauw’ en werkt nu al dertig jaar bij de politie, ze is in het vak opgegroeid. Soms denk ik het verschil in geschiedenis te kunnen horen: hij is iets kritischer, zij nog loyaler naar collega’s. Nu zitten ze allebei bij de districtsrecherche. Ze onderzoeken zware zaken: steekpartijen, overvallen, kindermishandeling, moorden waarbij al een verdachte in beeld is.

Steeds aan het kijken

‘Lijkvinding –’ zegt hij, ‘in mijn vorige leven had ik natuurlijk nooit gedacht dat ik zo vaak naast een lijk zou staan. Maar ik beschouw dat nog steeds als een soort verrijking van mijn leven. Het zijn vaak trieste levens, dat zie je wel in dat soort woninkjes. Dan zie je een stukje van de samenleving dat ik nooit eerder had gezien. Dat vind ik wel een van de mooie dingen van het vak.’

Ze lezen detectives, ze kijken er graag naar. ‘Maar een politieserie als Flikken, dat gaat niet. Het begint er al mee dat je het uniform kent.’

‘Als het maar buitenlands is. En af en toe zeggen we dan wel: dat zouden wij anders gedaan hebben.’

Binnenkort begint ze zelf aan een opleiding om te leren schaduwen. ‘Dan moet ik mijn politiegedrag afleren. Want als ik door een straat loop waar veel criminelen wonen, dan hebben ze direct door dat ik een politieagent ben. Laatst zat ik nog in de auto en er was al iemand bezig om ons te filmen. We waren gewoon in burger, in een burgerauto! Maar we horen daar niet.’

Een beetje verontwaardigd: ‘Ik vind mezelf er helemaal niet uitzien als een politieagent. Maar hoe ziet een politieagent eruit?’

‘Wij herkennen de boeven,’ zegt hij, ‘maar zij herkennen ons ook. Dan vraag je je af: hoe doen ze dat? Maar het is waarschijnlijk de houding. Het is toch dat je steeds aan het kijken bent.’

Dan gebeurt het

Ik vraag wat het met hen doet om zo vaak geconfronteerd te worden met alles wat de meeste mensen bijna nooit zien. ‘Ik ben soms ook helemaal klaar met wat mensen elkaar aandoen,’ zegt ze. ‘Dan denk je: het kan niet erger dan wat ik nu gezien heb. Maar dan kan het toch wel weer erger. Eigenlijk vind ik dat weleens naar.’

‘Het is soms lastig om daar met mensen buiten de politie over te praten. Want als je in een woning komt waar een dood iemand ligt en dat moet je gaan onderzoeken – dat is geen heel gebruikelijke gespreksstof.’

‘Politiehumor is een bekend dingetje. Als je in zo’n woning staat waar een lijk gevonden is, dan is het ook wel een manier om je af te reageren. Juist dan willen de grapjes weleens opborrelen. Terwijl dat voor de buitenwereld natuurlijk helemaal niet kan.’

‘Ook de verhalen van collega’s van “goh, en toen moest hij de trap afgetild en dan in één keer komt al dat lijkvocht los en een verschrikkelijke stank!” Die verhalen zijn altijd weer bijzonder.’

Hij lacht. ‘En dat is moeilijk te begrijpen voor een buitenstaander. Dat moet je echt zelf een keer hebben meegemaakt. Ja. Er zijn collega’s die eruit gaan met PTSS. En dat kan ons ook overkomen, ik heb geen idee – ik denk dat je het niet kunt zeggen. Er zijn ook collega’s die zeggen: goh, het ging prima en plotseling knapte het. Ja, dat kan. Wij gelukkig nog niet.’

Ik vraag of sommige zaken harder aankomen dan andere. ‘Kindermishandeling is wel een heel naar misdrijf. Dan zitten we soms tegenover ouders die verdachten worden. En wij denken dat een van beiden het gedaan heeft, maar de ander weet niet dat de partner het gedaan heeft, wíl dat ook niet weten. Daar wordt gewoon niet over gesproken. Of ze zijn ervan overtuigd geraakt dat er een andere oorzaak is, bijvoorbeeld een bijzondere ziekte, of de moeilijke bevalling. Maar wíj hebben dan de rapportage van het NFI voor ons, waarin staat dat het met een grote mate van waarschijnlijkheid toegebracht letsel is. Wij maken het eigenlijk zelden mee dat verdachten van kindermishandeling bekennen. Daar is zo’n enorme schaamte.’

‘Die mensen hebben te veel te verliezen. Die verliezen hun relatie, werk.’

‘Niemand zal begrijpen dat zij hun baby’tje doodgeschud hebben, of ribben gebroken, of noem maar op. Daar is nooit begrip voor in de maatschappij.’

‘Terwijl uit onderzoek blijkt dat die daders het vaak uit pure machteloosheid doen. Dus niet met opzet ofzo, maar op dat moment huilt ie zo erg en krijgen ze hem niet rustig.’

‘En dan gebeurt het.’

‘En dan gebeurt het. En dan hebben ze wel het vage besef dat het niet mag, niet kan. Maar voor je het weet hebben ze het gedaan. Dat zijn hele rotte zaken, die hoef ik niet te veel te draaien.’

Onderzoeken naar kinderporno komen niet bij de districtsrecherche, maar bij een speciale afdeling. ‘Ik geloof niet dat ik daartegen zou kunnen. Want wat doet dat met je? Altijd naar dat soort afbeeldingen kijken.’

‘Maar ik denk dat er mensen zijn die dat heel goed kunnen afsluiten.’

‘Doen wij natuurlijk ook. Je kijkt vrij klinisch naar een lijk, dat kan ook niet anders. En dan plotseling zie je iets in het interieur waarvan je denkt: goh, zo heeft ie geleefd. Nooit contact met zijn kinderen, maar wel het geboortekaartje van het kleinkind op de schoorsteenmantel. Maar dat kan je dus niet te veel toelaten.’

Een mooi beroep

Het is even stil. Dan zegt ze: ‘Maar we hebben ook een mooi beroep, hè?’

‘Een heel mooi beroep,’ beaamt hij.

Ik vraag wat het vooral zo mooi maakt.

‘Als ik te maken heb met echte slachtoffers en ik daar iets voor kan doen, dat vind ik mooi. Het oplossen van het feit. Een slachtoffer is ermee geholpen als een zaak rondkomt, als het opgelost is, als er een veroordeling is.’

Soms krijgen ze bedankjes: een kerststukje, een kaartje van een familielid, ‘het gaat helemaal nergens over’. Maar dat kaartje staat nog altijd op de schoorsteenmantel. ‘Je kunt dus nog steeds iets doen voor mensen, ook al los je het misdrijf niet op.’

‘Als het slachtoffer is overleden, wordt het wat abstracter: de geschokte rechtsorde, of zoiets. Je vindt dat zoiets niet kan: een soort rechtvaardigheidsgevoel, denk ik.’

Opnieuw een stilte.

‘En het leuke is altijd: hoe vlieg je het aan, wat ligt er aan bewijs, wat kan er nog bij komen? Vaak is dat een beetje puzzelen en kun je soms heel onverwachts iets achterhalen. Verder houden we alle twee veel van verhoren. Als je dat goed doet, kun je daar toch nog wel veel uithalen. Dan is het leuk als je een verdachte hebt die zich niet op zijn zwijgrecht beroept, maar antwoord geeft. Hij mag wel liegen, dat is niet zo erg.’

‘Leugens zijn soms heel mooi. Want leugens zijn veelzeggend, vooral als er al veel bewijs ligt. Als de verdachte dan een leugen vertelt en dat steeds gedetailleerder doet… Dan laten we hem rustig vertellen, en vragen we later door. Kijk, zeker in een grote zaak heeft die verdachte vaak geen idee wat wij allemaal aan bewijs hebben.’

Ze noemen een moord waarbij het slachtoffer eerst bedwelmd werd met ether. ‘Dat hadden we nooit in de publiciteit gebracht. We verdachten haar ex, dus we hadden afluisterapparatuur in zijn auto geplaatst. Daarin reed hij ook met zijn nieuwe vriendin, en wij hoopten dat ze het er met elkaar over zouden hebben. Dat gebeurde maar niet, maar hij praatte wel in zichzelf. Komt opeens de collega die de band beluisterde schreeuwend zijn kamer uit: moet je eens horen! Horen we de verdachte het vrouwelijk schoon op straat becommentariëren, en ineens, uit het niets: Ze zullen nou wel weten dat het ether is… In dialect, dus wij: hè, zegt ie dat nou echt? En daarna natuurlijk een juichstemming. Kijk, dat is een kaart die je in het verhoor niet meteen uitspeelt.’ Hij straalt nog steeds nu hij het vertelt. ‘Hier mag je die emotie laten zien. Maar in het verhoor kan dat natuurlijk niet, dan blijf je serieus.’

Inbreken

Het verhoor beschrijven ze als een van de hoogtepunten, waar talloze werkuren tegenover staan. Maar verhoren is uitputtend. Ze dromen er ‘s nachts van, het vreet energie.

‘Op de academie leer je wel gesprekstechnieken: open vragen stellen, een stilte laten vallen. Werkt dat? Mwah. We hebben weleens gehad dat de verdachte zei: “Daar trap ik niet in hoor, jullie kunnen zo lang stil blijven als je wilt.”‘

‘Of ook weleens dat ik dacht: goh, nu wordt hij emotioneel. Maar dat was niet zo, het waren mijn eigen emoties. Ik had de verdachte al het bewijs voorgehouden, kwam uit bij het delict zelf, keek hem aan en zei: op dat moment heeft het slachtoffer gevoeld dat hij dood zou gaan. Ik liet een stilte vallen en ik dacht: nu heb ik je. Nu zie ik emoties. Maar dat was helemaal niet zo. Ja, stom hè?’

‘Je dacht dat het binnenkwam?’

‘Het kwam ook binnen. Bij míj. En ik projecteerde mijn emotie op hem.’

In een andere zaak bekende de verdachte tijdens het verhoor uiteindelijk net niet. ‘Die man heeft me later omarmd. Dat vond ik wel mooi van hem. Ik snap ook wel dat het heel moeilijk is om dat te bekennen.’

‘Het is verbazingwekkend dat mensen die heel erge dingen hebben gedaan, ook gewoon heel aardige mensen zijn. Ik heb met moordenaars zitten praten, dat waren heel gezellige gesprekken. Ze hebben alleen iets heel naars gedaan.’

‘Ja, het is leuk werk dat wij hebben,’ zegt hij. ‘Maar we zijn rechercheurs, geen detectives. Want een detective is voor mij een figuur die vrijer is. Er is precies vastgelegd wat we mogen doen en wat we niet mogen doen en hoe we dat allemaal precies vorm moeten geven. Het liefst zou je meteen een tap willen hebben op een telefoon. We zouden nog liever willen inbreken in een telefoon en alles meekrijgen.’

‘Inbreken in een huis,’ vult ze aan.

‘Ja, bijvoorbeeld. Dat is iets wat we heel soms, heel soms – alleen in de heel grote zaken…’

‘Dat is een van de weinige bijzondere opsporingsbevoegdheden die ik nog niet heb ingezet.’

‘Jawel, als je ergens opnameapparatuur laat plaatsen, dan moet er eerst worden ingebroken. Maar dat is een aparte tak, dat doen wij niet. Die bedenken hele scenario’s: wat gaan we zeggen als we betrapt worden? En voor de hand ligt dat ze inbrekers zijn.’

Het boekwerk

Voor een zitting krijgt de rechter het dossier met daarin voor elk aspect van het onderzoek een proces-verbaal. Al die processen-verbaal worden samengevat in een overkoepelend verhaal: het relaas.

‘In een verhoor,’ zegt hij, ‘heb ik op een gegeven moment gevraagd, ik had ondertussen een hekel aan die man gekregen,’ – ‘Niet zo netjes,’ mompelt zij, – ‘vind je dat niet abject, wat jij gedaan hebt? Ik had met opzet een moeilijk woord gebruikt en hij wist ook niet wat abject was, maar ik was wel verrast dat de rechter daarop terugkwam: hoe vernederend dat wel niet was. Dan denk je tijdens zo’n zitting: goh, dus dat pik jij eruit? Die menselijke details. Het is altijd leuk om te merken dat je die er zelf in hebt gestopt. Tenminste, dat vind ik leuk.’

‘Het is best een kunst om zo’n relaas te schrijven,’ zegt ze. ‘Wij doen daar vreselijk ons best op, we zorgen er altijd voor dat het er mooi uitziet. Maar dat wat een opsporingsambtenaar belangrijk vindt hoeft niet te zijn wat het Openbaar Ministerie belangrijk vindt. Dus ik weet eigenlijk niet hoeveel waarde zij hechten aan een relaas.’

‘Je zou kunnen kiezen: hoe heeft het delict zich chronologisch ontwikkeld? Waar ligt het motief? Maar dat is niet het chronologische verhaal van het onderzoek, want dat is misschien heel anders begonnen. En vaak stoppen we dat ook in het relaas. Dus het is lastig om daar een overzichtelijk verhaal van te maken.’

‘En we krijgen niet zoveel feedback op ons relaas. Ik heb laatst mijn grootste verbaal tot nu toe ingeleverd, ik weet niet eens meer hoe groot mijn relaas was. Misschien honderdvijftig pagina’s?’

‘Meer, volgens mij.’

‘Dus dat is echt een compleet boekwerk. Normaal heb je het over tien, vijftien pagina’s, maar dit was een dossier met drieëntwintig, vierentwintig ordners. Maar ik heb geen flauw idee hoe het OM mijn “boek” vond. En dan is het ook spannend hoe de rechters ertegenaan kijken. Als je in de zittingszaal zit en je ziet de rechters heel veel bladeren in dossierstukken, en ze kunnen het niet vinden, dan weet je al: oké, je hebt dit fout gedaan. Dus dat is altijd spannend tijdens de zitting: hoe wordt je product beoordeeld?’

De enige lezer

‘Ik heb weleens zinnen eruit gehaald,’ zegt ze. ‘Dan heb je een verdachte in het verhoor gehad, en dan wil je eigenlijk in het relaas laten blijken dat het een heel rare man was. Maar ja. Dat heeft helemaal geen meerwaarde. Dat is alleen maar je eigen emotie erin leggen.’

‘Soms doen we het stiekem wel. Kijk, in het relaas onthouden we ons van commentaar, daar moeten we neutraal blijven. Maar in het verhoor kun je jouw visie voorleggen aan de verdachte en dat leest de rechter natuurlijk wel.’

‘Tijdens het verhoor ben je altijd bezig je te verplaatsen in degene die het uiteindelijk leest. Dus blijf je doorvragen, omdat je snapt: er is straks een rechter en die weet niet wat ik van de zaak weet, maar die moet wel dat verhoor begrijpen. En dat scherpt je in het vragen stellen, in het doorvragen. Net zo lang tot je denkt: ja, iemand die dit voor het eerst leest, die ziet hem nu lopen, die ziet de stoel staan waar hij langs moet.’

Buiten is het donker geworden. ‘Het is inderdaad een verhaal dat we vertellen,’ zegt ze nadenkend. ‘Maar zelfs als we met jou zitten te praten zijn we ons er voortdurend van bewust dat we niet alles kunnen zeggen. Dus we kunnen dat verhaal maar aan één persoon – wij kunnen dat alleen maar aan de rechter vertellen. Wij kunnen het verhaal verder nergens kwijt.’

Wytske Versteeg (1983) schrijft romans en non-fictie. Haar werk is vertaald in zes talen en werd bekroond met o.m. de BNG Bank Literatuurprijs en de Frans Kellendonk-prijs. Haar recentste boek Verdwijnpunt (2020), een persoonlijk en filosofisch essay over trauma, haalde de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs. Versteeg is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur