Liberté en tout et pour tous
Devies van de Belgische grondwet (1831)



§ 1

Ik moet elke dag werken aan dit gedicht
over hoe ik je leerde kennen, grondwet,
dat heb ik mezelf beloofd.

Het is juli, België verjaart en ik lig als een reus
in de gevlekte schaduw van de notenboom.
Blootvoets naar binnen, op de koele tegelvloer
gedachten in keukenkasten zoeken, kwijtraken
wat ik een moment daarvoor nog wist.

De angorakat staart me aan
— één oog amber, het andere elektrisch blauw —,
de buurvrouw rookt moerassige sigaretjes
en het begint vederzacht te druppelen:
elke tik een woord, een stem, een wet.

Rondom me verdorren de geraniums,
verderop kruipt het groen
over de golfplaten daken van de garages
en ik weet: straks is er de parade
en dan wandel ik
in de gangen van de macht.

Feest in het park, tromgeroffel,
wafels en kanariegele springkastelen,
een stoet van dansers, ambtenaren
en tanks. Zelfs een straaljager
met een pluimstaart en een koning,
als een poppetje rechtop in een jeep.

De deuren van het parlement zwaaien open
en als in een droom wandel ik langs bewakers
naar binnen, ik loop over pistachekleurig tapijt
langs tafels vol documenten en folders,
naslagwerken en oorkondes, en vraag iemand
of ik de grondwet van mijn land kan zien.

Dat kan niet zomaar, antwoordt hij argwanend.
Misschien kunt een e-mail sturen.
Lig jij hier ergens in deze hoge kamers
op me te wachten, grondwet? Ik kan je niet horen,
de klarinet speelt te luid, overal klinkt geroezemoes
en gehypnotiseerd volg ik de gang van silhouetten
die wijzen naar donkere olieverfschilderijen,
een lange rij tot in het halfrond.

Een vrouw herschikt haar sluier,
een tweeling wuift verlegen naar de camera
en een man haalt een ivoren kammetje
door zijn resterende haren
voor hij, geholpen door drie beren
van zonen, trots het trapje
opklimt.

Flits-flits-flits.

Ook ik neem plaats aan het spreekgestoelte.
Ik houd mijn adem in, sluit mijn ogen
en alles staat stil.

Achter me de marmeren schaduw
van Leopold Ⅰ, zijn rechterhand rustend
op een gebeeldhouwde grondwet.
Voor me een massa wachtenden,
landgenoten in de mist.
Dan open ik mijn ogen
en kijk recht in de lens.

Flits.

Het lijkt een grap
en toch is alles echt.

Die avond heb ik je gevonden, grondwet,
in pdf. Honderdtweeënzestig jaar voor ik
ver hiervandaan, in een ander land,
in een andere taal, in een privéhospitaal
in een bocht van de Bosporus het licht zag
als een witte Belgische baby,
werd jij hier geboren, in dezelfde stad
waar ik op een maanloze nacht
door je lichaam scrol.

Zoals iemand met te veel energie
een vleugelpiano over het balkon tilt
en richting het wegdek mikt,
zo ga ik aan tafel zitten
en lees je,
van begin
tot eind.



§ 2

Grondwet, ik geef het toe:
ik ben nooit goed geweest in de regels.

Wanneer iemand me een kaartspel uitlegt,
hoor ik een pieptoon en zie ik een stille film
van een kalende man met een geruit hemd
die aan een straatorgeltje zit, dikke vingers
in fast motion dansend over het klavier.

Ik probeer je te lezen
maar mijn aandacht verslapt
en een deuntje uit een droom ontrolt zich
als een inktzwart slangetje in mijn hoofd.

Je bent belangrijk, grondwet,
maar o zo boring. Jij bent de blauwdruk
waarop wij wisselkinderen wandelen.

Grondwet, iedereen kent je
maar wie leest je nog? Ik ben bang
dat je onbegrijpelijk bent geworden. Nog even
en je bent een gedicht.



§ 3

Zie ik je daar, grondwet? Aan het eind
van het land, daar waar de taal zich opspant
als een rug en herinneringen op ons afrennen als puppy’s
die met elke voorbijganger willen spelen? Ik luister naar je

woorden, grondwet, naar je allermooiste Frans. Je spreekt
zo zacht. Ik hoor geen alwetende verteller maar de broze stem
van een oude tekst, soezend in een kast, ergens in een kamer,
ergens in een stad, ergens in een land dat nooit was.

Je fluistert over mannen in gestreepte pyjama’s
en over geliefden die in het kreupelhout
naar de doden roepen, als koekoeken in de zomer.
Je vertelt over de onbedoelde poëzie van sociologisch onderzoek
— hoe verder mensen van een treinstation wonen,
hoe groter de kans dat ze extreemrechts stemmen —
en over de kronkelwegen van ons DNA:
de helft van de Belgen stamt af
van een farao (maar weet dat niet).

Wanneer ik mijn oren spits in het donker,
hoor ik je mompelen over Art. 10 — Er is in de Staat
geen onderscheid van standen. De Belgen zijn gelijk voor de wet
—,
over Art. 11 — Het genot van de rechten en vrijheden
aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden.

en over Art. 12 — De vrijheid van de persoon is gewaarborgd.
en ik vraag me af waarom ik dit alles niet eerder heb gehoord.

Grondwet, ik wil met je naar het gewriemel luisteren,
naar het woelen van de wormen en het prikken
van miljoenen ikken op de bodem van het land
dat jij toevallig mee tot stand bracht.
Ik wil je ogen kussen en mijn handen
op je oren leggen zodat je doof en blind
mag blijven voor sloganmonologen
en papaverrode pushberichten.

Ik wil samen met jou terugspoelen, grondwet,
slechts enkele generaties terug in de tijd
en daar, aan de oever van een rivier,
een sloep ontdekken
die in de modder ligt aangemeerd,
als een herinnering
aan wat ons wacht.



§ 4

Kort na onze eerste ontmoeting zijn we vrienden geworden.
Telkens wanneer je me zag, zei je hey kiddo
en stopte een vinger in mijn oor.

Nog steeds moet ik lachen om je vreemde woordkeuzes
en je ouderwetse kapsel, om hoe onnoemelijk onhandig
je telkens weer op onze tandem stapt.

Onze avonturen ontstaan gewoonlijk
uit onaangekondigde telefoontjes.
Dan bel je me op in het holst van de nacht
en zeg je iets als: Ik broed op een nieuw project
en ik wil jou erbij.
Waarop ik, slaapdronken:
Oké, wat ben je van plan? En jij dan weer:
Ik wil een berg verplaatsen.

Tijl Nuyts (1993) woont en werkt in Brussel. Zijn poëziedebuut Anagrammen van een blote keizer verscheen in 2017. De opvolger, Vervoersbewijzen, werd bekroond met de Herman de Coninckprijs 2022. Zijn debuutroman Grondwerk uit 2025 won de Boon Literatuurprijs.

Meer van deze auteur