Ik wilde je tussenjaar, je seculiere belangstelling
voor de ander. Ik wilde je likken
tot je ouders niet langer je vrienden waren.

Provinciale bravoure, maar je moest alles leren.
De stad bracht jou nog echt in vervoering.

Algemenig was je. Indrinken wilde ik
je stedelijke bleekte.

Jij, met je microscopische klassenmigratie
en je tirannieke vocabulaire
om je ouders mee te kleineren,
jij was altijd al heerser, speknek, baasje,
kwestie van de juiste diploma’s halen.

Jouw vederlichte, montere macht over de dingen.
Dat jij je kleren uit zou trekken, zodat ik ze kon strijken!
Ik wilde Randstedelijke soldaten maken met je,
die we het geld van je ouders zouden geven.

We kwamen elkaar tegen en we brachten de klank voort.
We harmoniseerden.
We lieten ons partnerschap registreren.

Daarna deden we wat mijn ouders deden en dat
was genoeg voor jou. We gingen op vakantie
in mijn jeugd. We deden alsof jouw rancune
kunstzinnig was. Nu ben jij ook algemenig,
geen dank. Ik vond hoe je vroeger sprak mooier
en ik liep beter door de straten van de stad.
Nog één vraag tot slot, is het er nog, het weidse,
de weidsheid, in ons?

r-aantal: 62

Maarten van der Graaff (1987) schreef vier dichtbundels en twee romans. Voor Huishoudboekje van de verborgen dingen (2025) ontving hij de publieksprijs van De Grote Poëzieprijs.

Meer van deze auteur