Na de boekpresentatie van mijn debuutbundel lig ik in mijn bed en kan niet slapen. Het is heet onder de deken. Alle vriendelijke woorden én alle niet uitgesproken woorden spoken door mijn hoofd. Ik draai en draai. Diep in mijn borstkas begint mijn hart te bonzen. Mijn trommelvliezen trillen in mijn oordoppen. Ik denk aan wat ik geschreven heb: gedichten over mijn lichaam, gedichten over mijn vaders dood, over seks en vreemdgaan. Ik denk niet aan de recensenten. Ik denk aan mijn collega’s, artsen in het ziekenhuis, die nooit poëzie lezen en zojuist bij de boekpresentatie allemaal een exemplaar hebben gekocht.
Een van hen vroeg me waarom ik geen pseudoniem had gekozen, net als Anna Enquist. Of: Vasalis, Rutger Kopland, Simon Vestdijk. En recenter: Erik Solvanger. Bedoelde mijn collega dat het misschien verstandig zou zijn om mijn binnenwereld af te schermen van het publiek? Gescheiden identiteiten: eentje voor de patiënt, en eentje voor de literatuur.
De opmerking liet me niet los. Is poëzie wel de plek om werelden te scheiden? Ik moest denken aan wat de Amerikaanse dichter Ben Lerner schrijft in zijn essay The Hatred of Poetry. Hij stelt dat poëzie fundamenteel wordt gekenmerkt door tegenstrijdigheden. Soms is poëzie lastig te doorgronden, hermetisch zelfs. Tegelijkertijd streeft poëzie naar precisie. Exact datgene zeggen wat er wordt bedoeld. Lerner beschrijft poëzie als een ontmoetingsplaats tussen binnenwereld en buitenwereld, tussen privé en openbaar. Dat maakt poëzie schrijven en publiceren zowel tonen als verhullen.

In het ziekenhuis is er weinig te tonen en veel te verhullen. In de spreekkamer ben ik wit en van stug katoen. Ik meen het niet cynisch, het is mijn opdracht professioneel, nieuwsgierig en bekwaam te zijn. Zonder lusten of afgunst, zonder twijfels. Elke dag helpen dokters patiënten, elke dag zijn we het goede voorbeeld voor de studenten die we opleiden en meekijken bij alles wat we doen. Elke dag ben ik bezig met andermans kwetsbaarheid. Nooit met de mijne.
Als coassistent gebruikte ik daarom de witte jas niet alleen als uniform maar ook als vermomming. Zo kon ik mijn geremdheid en onhandigheid verbergen, de rode vlekken in mijn hals verstoppen. Nu draag ik die jas al vijftien jaar en kan hij niet meer uit. Hij is eerder huid dan hulpmiddel. En die huid is misschien wel mijn identiteit geworden. Ik vraag me vaak af waar ik eindig en waar de dokter begint. Die houdt in ieder geval niet op te bestaan aan het einde van het spreekuur.
Eigenlijk wilde ik geen dokter worden. Voor mijn zevende verjaardag kreegik een dagboek met een slot. Vanaf dat moment wilde ik schrijven. Door het slot en de sleutel werd schrijven ook meteen iets heimelijks, iets wat ik voor mezelf deed. Het leek het enige antwoord op wat ik vanbinnen voelde. Uiting geven aan iets wat anders leidt tot een verstikkend gevoel.
Mijn vader was microbioloog, niet als arts maar als bioloog. Volgens hem deed hij hetzelfde werk als de microbiologen die ook arts waren. Maar zij kregen het dubbele salaris. ‘Word dokter,’ zei hij, ‘dan heb je een makkelijk leven.’
Het ging hem niet om rijk worden. Het ging hem om de mogelijkheid te kunnen vertragen. Om vrij te zijn van een vijfdaagse werkweek, om te eten wat je wilt en waar je wilt. Hij gunde mij de rust die hij zelf had gemist.
Zachtjes bewoog hij mij richting geneeskunde, en ik maakte geen bezwaar. Misschien omdat ik schrijven nooit als serieuze optie zag: ‘Er zijn al zoveel mensen die willen schrijven…’ Misschien ook uit schaamte iets te kiezen wat nutteloos leek: ‘Wie heeft er wat aan als ik schrijf?’
Dat mijn broer wél naar het conservatorium ging, vond ik gerechtvaardigd door zijn ongelooflijke talent. Alleen daarmee mag je kiezen voor een leven met de kunst.

De studie geneeskunde was allesbehalve rustig. Geen tijd voor twijfel, want iedereen wilde dokter worden, chirurg, oncoloog of huisarts. Ik zat hele dagen binnen te studeren op de namen van spieren en botten. Ik verdiepte me in de fysiologie van de nieren en de manier waarop de longen helpen je zuurgraad te reguleren. Meer dan droge stof leverde het mij niet op.
De coschappen lagen me beter. Ik kon me gemakkelijk aanpassen: elk specialisme had zijn eigen sociale codes. Elke verpleegpost en artsenkamer hebben ongeschreven regels. Mijn goede geheugen hielp me verder en door die combinatie studeerde ik uiteindelijk cum laude af. Het enige waarmee ik mezelf verraadde, was mijn zweetlucht. Het kwam niet eens door alle koffie die ik dronk, maar vooral omdat ik nooit uit mijn professionele rol viel. Het was angst.
Was die angst die ik tijdens mijn coschappen voelde niet dezelfde angst als die ik voelde na de boekpresentatie? Een dokter bang om ontmaskerd te worden onder de witte-jassenfaçade. Of een dichter die zich in haar ziel laat kijken. Angst om te tonen in plaats van te verhullen.
Tijdens mijn studie leerde ik niet hoe de klok achter de patiënt doortikt. Wat begint met een vraag over pijn, wordt een diagnose met een protocollaire behandeling en een declaratie bij de zorgverzekeraar. Aan elke medische ingreep, aan elk type gesprek zit een prijskaartje, plus een afgesproken aantal minuten. De uitwisseling is weliswaar indirect, want mijn salaris ligt vast en ontvang ik via het ziekenhuis, maar uiteindelijk word ik betaald via hetzelfde systeem, dezelfde klok en dezelfde agenda. Het ziekenhuis houdt ons bovendien op de hoogte over de productienormen. Dat wil zeggen of we nog winst ‘draaien’, of we genoeg patiënten zien. Zo wordt de patiënt geholpen en krijg ik een goed salaris, waarmee ik een huis kan betalen. En de studie van mijn zoon.

Na mijn medische specialisatie werkte ik een aantal jaar als psychiater op een polikliniek voor patiënten met een dwangstoornis. Elk halfuur een patiënt. Elke week drie intakes. Elk kwartier een telefoontje. Afspraak registreren, kosten declareren. Luisteren, samenvatten, reflecties geven, recepten voorschrijven, vervolgafspraken maken. Brief voor de huisarts. Volgende patiënt.
Ik gaf om mijn patiënten. Zonder uitzondering waren ze vastgelopen in hun dwanghandelingen. Uren per dag waren ze bezig met tellen, schoonmaken, hun 
handelingen nog eens nalopen. Ze kwamen nergens meer aan toe, behalve aan de dwang. Het had dus niets te maken met mijn empathie voor hen, maar toch sloop er geleidelijk iets weg uit mijzelf en mijn leven. Iets wat gaat over een langzamer tempo. Onregelmatig ook. Over het werkelijke leed van de ander toelaten en ergens getuige van worden. Op hun tempo. Via hun gedachten. Door hun ogen. Niet via mijn agenda.
Mijn zintuigen raakten afgestompt door de hoge frequentie waarin de werkzaamheden op elkaar volgden. In de korte momenten dat ik buiten kwam, hoorde ik geen vogels zingen (of auto’s rijden). Ik had geen idee meer welke kleur de lucht die dag had, of de dag ervoor. Ik voelde mijn lichaam niet meer. Pas in de trein naar huis had ik door hoeveel dorst ik had, hoe moe ik was.
En ondertussen ontkende ik dat dit erg was. Zes jaar geneeskundestudie, vier jaar promotieonderzoek en vijf jaar medische specialisatie, dat moet toch iets belangrijks en waardevols opleveren? Er was ook het bijkomende comfort: hoe minder tijd voor bezinning, hoe minder vaak ik mezelf de vraag stelde of ik iets anders wilde. Ik zie het ook bij mijn collega’s gebeuren. Dokters zijn genesteld in een economisch systeem dat een bepaalde levensstijl in stand houdt, cultiveert zelfs. Hard werken, je nuttig voelen, geld verdienen, wat zich vertaalt in een groot huis, hockey en tennis, en een luxe vakantie. Noem het kapitalisme. Minder werken is voor velen al snel geen optie meer, de intensieve opleiding mag niet voor niets zijn geweest. En daarnaast: de hypotheek, de status, het leven dat we als een minutieus uurwerk hebben ingericht en ons hebben toegeëigend, laat het niet toe. De patiënten zijn onschuldig bovendien, ze hebben ons nodig.
Dat laatste klinkt ook cynischer dan ik het bedoel. Het is de belangrijkste reden waarom dit systeem standhoudt: je laat je patiënten niet in de steek. Ze zijn echt, ze lijden, ze zijn dankbaar. Maar toch blijf ik me afvragen: kan het niet allebei? Dokter zijn zonder die klok.
Ik wilde vertragen, en dat was meer noodzaak dan wens alleen. Ik besloot minder dagen te gaan werken, precies zoals mijn vader het mij had gegund. Ik keerde de polikliniek de rug toe en koos voor een afdeling waar patiënten zijn opgenomen. Een plek waar het werk directer volgt uit de zorgvraag. Het is weliswaar dezelfde machinerie, maar met minder radertjes. Mijn dag ligt niet tot op de minuut vast. De schaalverkleining schept overzicht en het is beter voor mijn zintuigen. Toch is het drukker dan voorheen, want deze zorg is altijd acuut.
Bedden moeten zo veel mogelijk worden gevuld (met mensen). Dat levert het meeste op. Bovendien staan er mensen op wachtlijsten. Er gaan mensen dood op die wachtlijsten, aan een suïcide of een ernstige eetstoornis. De zorgconsumptie neemt toe, er zijn steeds meer zieke mensen door de verbeterde gezondheidszorg. Dus ik voel me op mijn hoede als ik dit schrijf: wil ik het echt hebben over de nadelen van efficiëntie? Over de moeite die ik doe om een natuurlijk ritme op mijn werkdag te verkrijgen? Over poëzie? Ben ik verleerd wat de generatie van mijn ouders nog wel kon? Hard werken en een klein leven waarderen. Is armoede zo ver weg geraakt uit mijn gezichtsveld dat ik de prioriteiten van het leven uit het oog ben verloren? Is klagen over kapitalisme niet het grootste privilege dat er is?
Mag ik überhaupt er iets over zeggen, als ik ook afhankelijk ben geworden van de status en de levensstijl die het met zich meebrengt?

De Italiaanse filosoof Franco (Bifo) Berardi stelt in zijn pamflet The Uprising: On Poetry and Finance (2012), geschreven in de nasleep van de bankencrisis van 2008, dat het huidige kapitalisme onze relatie met ons lichaam, ons bewustzijn en onze aandacht verstoort. Hij noemt het moderne kapitalisme ‘semiokapitalisme’; een vorm die draait om tekens, informatie en symboliek, en niet om goederen. Geld is volgens Bifo geen direct ruilmiddel meer, maar is veranderd in iets abstracts en symbolisch: digitale cijfers in onze virtuele portemonnee, cryptomunten, tijd, informatie of aantallen volgers op sociale media. Daartegenover plaatst hij poëzie. Juist poëzie omdat ze, net als de financiële wereld, gebruikmaakt van taal en symboliek.
Tegelijkertijd doet poëzie niet mee aan het spel van rendement en efficiëntie. Poëzie hoeft geen verantwoording af te leggen, ze hoeft niets op te leveren. Ze is vrij en heeft haar eigen ritme. Ze is onrendabel, kan nooit gereduceerd worden tot informatie en is soms onlogisch. Poëzie is alles wat ik mis als dokter. Misschien dat ik daarom heimelijk bleef doorschrijven, tijdens mijn studie, mijn promotie en mijn specialisatie. Misschien zelfs dat ik daarom proza uiteindelijk inruilde voor poëzie.
Wat betekent het dat zelfs als we zouden willen we niet meer kunnen vertragen? Dat als je wil vertragen, je een burn-out moet krijgen of een sabbatical moet nemen. Wat betekent het dat we uren per dag superego zijn? Deugdzaam en heldhaftig, omringd door een luxe levensstijl, maar met weinig tijd? Hoe kunnen we hiertegen in opstand komen als we er geen tijd voor hebben? Als dat betekent dat we dan onze patiënten in de steek moeten laten? En misschien ook de bijkomstige status en het geld?
De afgelopen jaren is er in mij, onbewust, iets gaan kantelen in mijn identiteit als dokter. Die reflex, dat automatische zoeken naar productiviteit, naar nut. Het is een manier van kijken die me ooit werd aangeleerd als deugd, maar nu voelt als iets wat me afleidt van de getuigenis. Ik ben een dokter met een koophuis en een hybride auto. Ik spaar voor de studie van onze zoon. En toch ergens, dat weet ik zeker, ben ik erin geluisd. Maar door wie? Door mijn vader? Door de belofte die mij werd gedaan in mijn studententijd? Door mijn cum-laude-stempel? Door de witte jas en de volle agenda? Door wie? Door wie barst het glas in je lens? Wie maakt putjes in mijn objectief? hoe kan ik 
    het gras weer tussen mijn tanden laten groeien
    mijn mond daarna maaien (een grote beurt geven)
    tot slot weer rustig vanuit mijn ligstoel
    het hemeldak aanschouwen, een paraplu
    die mij beschermt tegen witgrauwe neerslag

    welk boxje moet ik aanvinken
    om in de volgende ruimte te komen (die van de hangmat)
    wat voor vliegtuigje moet ik vouwen om dispensatie te krijgen
    van menstruaties, schermogen, latexallergie
    hoe kan ik onder de lakens gaan liggen alsof ik sterf
    en terloops

    toch blijven leven? ¶

Yasmin Namavar werkt als psychiater en schrijft poëzie. Haar debuut Verblijf verscheen in maart 2025.

Meer van deze auteur