We hadden een verkeerde afslag genomen en wandelden al een halfuur bergaf in plaats van bergop. Toen de zon net opkwam liepen we tegen een troep wilde zwijnen aan. Opeens waren ze daar, na een bocht, ze schrokken minstens zo erg als wij en liepen elkaar in de haast om weg te komen omver. Terwijl ik naar een zakmes greep – een atavistische reflex – bedacht ik dat een stukje van Shakespeares ‘Venus and Adonis’ het wel goed zou doen op mijn begrafenis:

O, be advised; thou know’st not what it is
With javelin’s point a churlish swine to gore,
Whose tushes, never sheathed, he whetteth still,
Like to a mortal butcher, bent to kill.

Zou een van deze zwijnen Patrick Leigh Fermor ooit op het netvlies hebben gehad?

Patrick Leigh Fermor in zijn huis in Griekenland.

www.wpatrickleighfermor.org

Daags ervoor was ik verrast door een genadig toeval. Het dorp waar ik mij bevond op de Griekse Peloponnesos was hetzelfde waar de schrijver Leigh Fermor decennia had gewoond, Kardamyli. Leigh Fermor was een Geheimtipp die je altijd kon geven als je wilde dat iemand iets goeds ging lezen dat hij waarschijnlijk niet kende. Erg vermaard is hij in Nederland nooit geworden. Een klassieke, wat romantische reisboekenschrijver die het in de pitch al heel goed deed: een jongen van achttien die niet echt wil deugen, van wie zijn leraren zeggen dat zijn persoon zich kenmerkt door een ‘gevaarlijke combinatie van verfijning en roekeloosheid’1, besluit in 1933 van Hoek van Holland naar Constantinopel te lopen, en doet dat ook, in anderhalf jaar. Hij neemt zich daarbij voor elke lift af te slaan. Die reis beschrijft hij later in A Time of Gifts en Between the Woods and the Water. En in een postuum ­verschenen boek: The Broken Road. De man wordt 96 terwijl hij een pakje per dag rookt en – heel belangrijk – op de laatste avond van zijn leven dineert hij aan tafel. Tijdens de pitch is het goed hier een pauze te laten vallen… Hij blijft in Roemenië en Griekenland hangen in de late jaren dertig en wordt verliefd op een Roemeense prinses die vijftien jaar ouder is. Als de oorlog uitbreekt moet hij terug naar Engeland, meldt zich bij de Irish Guard, maar wordt vanwege zijn beheersing van het Nieuwgrieks ingezet bij een missie op Kreta, waar hij een jaar of twee undercover leeft als schaapherder en beroemd wordt door het gijzelen van een nazigeneraal, die natuurlijk allereerst een vijand is, maar die net als Fermor de Oden van Horatius uit het hoofd kan opzeggen. Na de oorlog – geridderd en gelauwerd – verdwijnt Patrick naar de West Indies voor een fotoproject met zijn toekomstige vrouw Joan Eyres. Op Guadeloupe noteert hij: ‘De messen maakten een mooi scheurend geluid toen we ze opensneden. Middenin, los in de holte, lagen grote ronde stenen, volstrekt sferisch, glad en heel zwaar. Ik wilde ze niet weggooien, ze waren zo volmaakt, elegant en op een bepaalde manier van belang, maar behalve als embryonale avocado’s kun je er niets mee.’

Zijn waarnemingen in de Caraïben zijn niet alleen mooi en precies, ze getuigen ook van het besef dat slavernij alles zegt over deze eilandengroep, met andere woorden, dat een cultuur niet te begrijpen is zonder een diepgaande studie van het verleden, iets wat hij in al zijn reisboeken uitdroeg. Ian Fleming is een fan en gebruikt zijn beschrijving van voodoorituelen voor een van zijn James Bond-verhalen.

In de jaren zestig komt Paddy, zoals vrienden hem noemen, min of meer tot rust in het schiereiland Mani, Griekenland in het kustdorp Kardamyli, daar waar ik tegen mijn zwijnen aanloop. Tot zover de pitch. Niet verwonderlijk dat ik begeesterd raak als ik zie dat dit Het Dorp is. En dat Hier Het Huis Moet Zijn. Een graadje verder in mijn fan mood raak ik wanneer ik lees dat Bruce Chatwin in een belendend dorp zijn as heeft laten verstrooien bij een Byzantijns kerkje. Dat deze omgeving voor Chatwin iets bijzonders betekende wist ik niet, maar ook voor Chatwin heb ik al jaren een pitch klaar.

Wat zegt de omgeving

Jaren geleden bezocht ik met Tijs Goldschmidt de werkkamer van Dick Hillenius. Hillenius was al decennia daarvoor overleden, maar Goldschmidt had een fascinatie voor deze vreemde dichter-essayist-muzikant-bioloog en ik deelde die met hem. We brachten zijn weduwe een paar exemplaren van het boekje Ademgaten. Denken over dieren, stukken van Hillenius, gekozen en ingeleid door Goldschmidt. In het voorwoord schrijft hij: ‘Een student die eind jaren zeventig van de vorige eeuw in het Franse Ambleteuse een stageonderwerp deed, bracht tijdens een van Hillenius’ werkbezoeken aan dit moerasgebied verslag uit over een poelsnip die hij pas nog had gezien. Ze trokken er samen op uit, terwijl ze kikkers determineerden, planten keken en als gastronomen de smaak van verschillende bladeren proefden, letten ze intussen goed op of de poelsnip nog ergens opdook. De poelsnip, was dat de snip die in zigzagvlucht aan zijn belagers ontsnapte, of was dat nou juist de houtsnip? Al had Hillenius de poelsnip nooit eerder gezien, hij had wel paraat dat er iets kenmerkends was aan het vluchten van snippen. Helaas vertoonde de vogel zich niet, maar daarover was Hillenius in het geheel niet teleurgesteld. Hij had voor zijn gevoel allerlei facetten van de poelsnip wél gezien en opgetogen in zich opgenomen. Hij had een idee gekregen van de ecologische nis waarin de poelsnip zich verschanst en die minstens zo veel over de vogel zei als de kleur van zijn veren of de vorm van zijn snavel. De omgeving van een dier als zijn extended phenotype, de term is van Richard Dawkins. Voor Hillenius sprak het haast vanzelf dat je een zeldzame vogel niet de eerste keer zag, al moest je er wel op bedacht zijn.’

Het was met deze kennis dat ik toen de werkkamer van Hillenius betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij boeken van Léautaud, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. Ik bevond me in Hillenius’ extended phenotype. Hillenius had er niet hoeven zijn, om toch een indruk van hem te krijgen. En in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis. In welk extended phenotype bevind ik me? Met andere woorden, wat zegt Kardamyli over mijn reisboekenhelden Fermor en Chatwin?

De pitch van Chatwin

Midden jaren negentig– ik was zelf al een poos aan het reizen – sprak ik in een dorp in Zuidwest China, Lijang, een gestudeerde Chinees die me aanwees waar Bruce Chatwin enkele maanden een huisje had gehuurd. Ik had nog nooit van Chatwin gehoord, maar wat me vooral bijbleef is dat de Chinees erop bleef hameren dat hij niets deed dan voor zijn huis zitten en kijken, en aantekeningen maken. Dat klonk aantrekkelijk. Chatwin was een talentvol kunstbeschouwer die een coming man was bij Sotheby’s. Van de een op de andere dag gaf hij zijn carrière op en begon een nieuwe: die van reisschrijver. Vrijwel al zijn boeken zijn een succes, het vreemdste boek dat hij geschreven heeft is The Songlines, uit 1987, over de Aboriginals in Australië en de manier waarop zij als nomaden hun geschiedenis, hun land en hun poëzie tot geheel maken. Kriskras door het continent lopen paden van Aboriginals die zij bewandelen, beschrijven en eigen maken door er hun geschiedenis mee te verbinden, een gezongen geschiedenis, die meteen hun eigen land is: Songlines. Een heel vreemd en boeiend concept dat Chatwin ook nog eens geniaal uitwerkt door zichzelf in het boek op zeker moment klem te zetten: zijn reisgenoten en hij komen door weersomstandigheden niet verder en Chatwin begint bij gebrek aan avontuur alles op te schrijven wat hij weet en denkt over reizen, nomaden, zwerven, rusteloosheid. Een boek dat eindigt in aforismen. Het mooiste reisboek dat ik ken. Maar hoe kom je op zoiets?

Een stukje rode vacht in de vitrine van zijn moeder vormde voor Chatwin de aanleiding voor zijn reislust – hoe kwam dat vermoedelijk duizenden jaren geleden in een grot in Patagonië achtergebleven reuzenluiaardvachtje in hun bezit? Voor Fermor was het de combinatie van ‘mislukt’ te zijn op school en het sterke gevoel dat alles wat waarde had uit het buitenland leek te komen, die de aanzet vormde van een leven dat vooral over reizen zou gaan. Ze deelden ook een ongemakkelijk gevoel bij het standsbewustzijn in hun vaderland. Weg moesten ze.

Dat weg moeten herken ik wel. Ik moest vreselijk weg uit een dorp in 1989. Daarvoor al moest ik elke zomervakantie sinds mijn vijftiende zes weken weg, liftend. Europa in. Tijdens mijn studiejaren steeds twee of drie maanden of een halfjaar heel ver weg. Het is zwerven light, dat geef ik toe, maar desalniettemin is het wat ik herken in deze schrijvers. En ze doen het eleganter dan anderen, ze zeuren niet, lijken altijd meer geïnteresseerd in een antropologisch fenomeen dan dat ongemak ze ook maar iets deert. Ik zou wensen het geheim achter deze levenshouding te vinden op de plek waar ze uiteindelijk neerstreken, alsof ik daar beter zou kunnen begrijpen wat ik in reizen zoek.

Chatwin en Fermor

Chatwin en Fermor leerden elkaar in 1970 kennen2. Fermor vond Chatwin ‘een van de bijzonderste mensen die je ooit bent tegengekomen. Een heel, heel bijzonder, zeer begaafd, zeldzaam mens’. Fermor vertelde over hóé bijzonder: ‘Bruce was een zeer punctueel aantekeningenmaker – “ik moet even iets opschrijven” – als er iets opdook in de conversatie. Hij had enorme dossierkastkaartsystemen. De hoeveelheid voorbereiding die hij deed was geweldig. Ik had net bij Jordanes gelezen over de kleding aan het hof van Attila en zei tegen Bruce “weet jij wat de vrouwen van Dzjengis Khan ‘s avonds droegen?” “Ja,” zei hij, “ze droegen velletjes van veldmuizen die aan elkaar genaaid waren. Waarschijnlijk van de springende jerboa’s die rondhuppelden op de steppen van Azië. Ze vonden er een mooi exemplaar van in Katanda een paar jaar geleden, toen ze een Khan-vrouw opgroeven, een koningin van de Hunnen die bewaard gebleven was omdat ze in een patchwork-wambuis van dit soort velletjes was genaaid.” Ik was verbijsterd. Het idee van Hunnenkleding was al verbazingwekkend genoeg voor mij, maar hij wist alles. Hij wist meer over het Europa van Philips II dan Braudel.’

Het huis in Mani

Fermor is op de Peloponnesos naar een totale uithoek gereisd, het schiereiland Mani, een uitloper van het Taygetusgebergte. Hillenius zal het leuk hebben gevonden dat zich op de Peloponnesos de enige plek in Europa bevindt waar uit Afrika afkomstige kameleons leven. Een woest gebergte, ruig bebost, al millennia doorsneden door paden, rijk aan kruidige planten die standhouden in het mediterrane klimaat, een keuken die licht afwijkt van de rest van Griekenland door een veelheid aan wild. Fermors huis bevindt zich een paar kilometer onder Kardamyli, aan de westkant van het schiereiland. Het verheft zich een tiental meters boven een baaitje aan de Ionische zee, op dezelfde breedtegraad als Syracuse op Sicilië.

De dag na de zwijnen loop ik de poort door. De poort die ook vertaler Paul Syrier, zo vertelt hij als ik hem er later naar vraag, een paar keer door ging als hij bij Fermor ging lunchen. Syrier zegt: ‘Lawrence Durrell was een oude vriend van Leigh Fermor en zijn vrouw, Joan Eyres Monsell. In een van zijn boeken noemt Lawrence haar de “corn goddess”. Toen ik hen de eerste keer in Kardamyli ging opzoeken, deed zij open en zei ik: “Ha, you must be the corn goddess.” Ze keek me even aan en reageerde: “Jezus, that’s a long time ago.”‘

Voor mij geen corn goddess, maar toch een in stijl opgeknapte schrijversidylle. Natuursteen, blauwe luiken, olijfbomen en ­cipressen, grote mozaïeken op de terrassen, op drie zijden uitzicht op de baai, aan de vierde zijde de schaduw van de berg Taygetos. Venetiaanse bogen, een ronde Venetiaanse tafel. Een aardige indruk ervan is overigens te verkrijgen in de film Before Midnight, het derde deel van de filmtrilogie van Richard Link­later met Ethan Hawke en Julie Delpy, waarin het het decor vormt. Het is labyrintisch en heeft twee verdiepingen en twee bijgebouwen: een de werkruimte van Fermor en een het huis dat hij voor de huishouders liet bouwen. Veel kamers komen uit op andere kamers en op een gang. Een exquise balans tussen buiten en binnen, alsof die natuurlijker in elkaar overlopen dan in andere huizen.

De huiskamer doet, Hillenius’ adagium indachtig, aan Fermors werk denken. Een grote living in het hoofdgebouw geeft zicht op drie zijden, ramen en ingebouwde boekenkasten wisselen elkaar af. Wereld en tekst in afwisseling. Ik tel en fotografeer in het huis negentien boekenkasten. In de reisboeken van Fermor wisselen beschrijvingen van omgevingen en ontmoetingen zich af met geschiedenis en achtergrond zoals vergaard door de studeerkamergeleerde Fermor. Zijn honger naar kennis is grenzeloos, dat moet al zo zijn geweest op de scholen die hij bezocht. Waar het maar kan, een kasteel in Hongarije, een ambassadeurswoning in Sophia, onmiddellijk duikt Fermor de bibliotheek in. ‘Het onbeperkt baden, het schone beddengoed, de enorme Russische butler, de terrassen, de boeken, het uitzicht over de stad naar de nevelige flank van Vitosha, het was allemaal geweldig. Maar het beste was de Encyclopaedia Britannica, ik sprong er als een panter bovenop.’

Het huis is na Fermors dood in 2011 per legaat aan het Atheense Benaki-museum nagelaten. Het kinderloze echtpaar voelde de noodzaak het aan Griekenland te schenken. Na een intensieve verbouwing is het sinds vorig jaar open voor publiek. Er zullen schrijvers verblijven en als je nog geen schrijver was, zou je dat na bezichtiging van dit huis onmiddellijk worden. We dwalen een uur of twee door het huis. Ik zie slangen in de tuin en vogels. Nissen en pergola’s. Haarden en vensters. Mozaïeken en stucwerk. Goten en pompen. Zee en berg, een veelheid aan boomsoorten. Boven een bed in een slaapkamer een enorme kaart van Kreta, zeer gedetailleerd. Het zal zijn herinnering aan zijn verleden zijn geweest, hij liep er immers ongeveer twee jaar met een kudde en een illegale radio rond. Aan de muren foto’s van Joan (er zijn mooie fotoboeken van haar verschenen, ze werd een heel begaafde fotograaf), op een ervan Fermor in de jaren vijftig schat ik, voor eeuwig gevangen tijdens een dansje op een trap. Volksdansen en liedjes lagen hem goed. Een vriend kwam een keer terug van een avondwandeling toen hij een menigte dorpelingen en kinderen naast het huis zag zitten, in stilte. Ze luisterden terwijl Fermor binnen Griekse volksliedjes zong.

Waarom Griekenland?

We hebben dus twee reizende geleerden, van Britse komaf, met een zekere behoefte zich aan het klassenstelsel te onttrekken, gedreven reizigers en begaafde schrijvers. Maar waarom Griekenland?

Byron reisde door Griekenland, Oscar Wilde, Henry Miller. Lawrence en Gerald Durrell woonden met hun familie op Korfoe. Allen doen gewag van de bevolking: benaderbaar, vriendelijk, niet gereserveerd, gastvrij. Op Mani en op de vele plaatsen in Griekenland waar land en zee samenkomen, waait de wind en streelt de huid en beweegt je haar. De felle zon brandt op je gezicht en je schouders als je loopt of zwemt. Het is een sensuele omgeving. Een gebied dat schrijvers die zintuiglijk schrijven en leven wel moet bekoren. Kruiden als tijm, oregano enwilde munt zijn wijdverbreid bijna als onkruid, vijgen geuren alom. Je ruikt overal iris, cistus, roos, mirte, hyacint, kaneel en narcis, zoals Theophrastus al schreef in zijn tekst over de zintuigen. Je ruikt er oleander, jasmijn, citroen en gentiaan, malva. Grote delen van het jaar kun je in zee zwemmen. Bij de kust nabij Kardamyli, in de baai waar Fermor zwom, zie je vanuit de zee de opdoemende bergen, de pijnbomen aan de randen van je blikveld, de Byzantijnse kerkjes in de heuvels. Welke zou van Chatwin zijn? De zee en het land tonen zich in weinig kleuren, groen, bruin, blauw, maar daarbinnen een oneindige hoeveelheid schakeringen. De wijn is goed, vis overvloedig, de keuken schenkt je alles wat er aan smaken bestaat. In Henry Millers The Colossos of Maroussi doet wederom een schrijver een poging te beschrijven waarom juist Griekenland zijn hart stal: ‘Ik voelde me volledig los van Europa. Ik was als vrij man een nieuw rijk binnengegaan – alles was samengekomen om die ervaring uniek en vruchtbaar te maken. Jezus, wat was ik gelukkig. Maar voor het eerst in mijn leven was ik dat met het volle bewustzijn van gelukkig zijn. Het is fijn om gewoon gelukkig te zijn; het is een beetje beter om te weten dat je gelukkig bent en om te weten waarom en hoe; op welke manier, vanwege welke aaneenschakeling van gebeurtenissen of omstandigheden, en dan nog steeds gelukkig zijn, gelukkig zijn ten diepste en het weten, dat gaat voorbij geluk, dat is gelukzaligheid.’

Geluk lijkt bereikbaar in Griekenland, niet als herinnering, maar in het heden. En Miller beschrijft een ander typisch Grieks fenomeen dat Chatwin en Fermor zal hebben aangesproken. ‘De Fransman zet muren om zijn taal, zoals hij doet bij zijn tuin: hij begrenst alles om zich thuis te voelen. Hem ontbeert een elementair vertrouwen in zijn medemens; hij is sceptisch omdat hij niet gelooft in de aangeboren goedheid van de mens. Hij is een realist geworden omdat dat praktisch en veilig is. De Griek daarentegen, is een avonturier: hij is roekeloos en flexibel, hij maakt gemakkelijk vrienden. De muren die je ziet in Griekenland, als ze niet van Turkse of Venetiaanse afkomst zijn, gaan terug op het cyclopische tijdperk. Uit eigen ervaring zou ik zeggen dat er geen directere, benaderbare, gemakkelijkere mens is om mee om te gaan dan de Griek.’

Toen Fermor in 1964 neerstreek in Kardamyli en zijn lapje land kocht, waren dit vermoedelijk aspecten waarvoor ook hij en zijn vrouw ontvankelijk waren. Het sensuele en zinnenstrelende van het land, de openheid van haar bewoners. Mogelijk ook nog het toeval dat Fermor ontdekte dat de laatste representant van de illustere familie Paleologos er woonde, de laatste keizers van het Byzantijnse rijk.

Ik was van plan de kameleons verderop op te gaan bekijken, maar als ik op het internet de locatie tracht te vinden, zie ik vooral waarschuwingen: ‘Kom niet, het is te druk met liefhebbers en dat is niet goed voor ze.’ Met Hillenius’ stelregel in mijn hoofd besluit ik dat ik met hun extended phenotype genoeg gezien heb. Van Fermors extended phenotype ook wel. Hoewel, genoeg? Wat verwachtte ik eigenlijk? Is er niet ook teleurstelling? Dat ik niet net als Hillenius werkelijk het gevoel heb degene die ik zocht naderbij te zijn gekomen? Had ik mijn poelsnip wél gezien? Eén kameleon had ik wel gezien: op Fermors graf staat een Kavafis-regel gebeiteld, te vertalen als: ‘Hij was bovendien dat hoogste: Grieks.’ Paddy was mijn kameleon.

Die middag neemt het gevoel toe ze niet echt te bereiken als ik bij het derde Byzantijns kerkje dat ik bezoek, nog steeds niet zeker weet of dat het kerkje is waar Chatwin zijn as liet uitstrooien. En als ik net wat minder handig dan een Griek achteruit de steile berg op moet rijden om een vrachtwagen voor te laten gaan, besluit ik het erbij te laten zitten. Dan maar geen uitgestrooide as. Chatwin is de ongrijpbaarste van de twee, dat past ook eigenlijk bij hem, hij onttrekt zich aan elke categorisering.

Uiteindelijk moet ik het met de boeken doen. De foto’s die ik van de boekenkasten maakte, bekijk ik ook veel vaker dan die van huis en tuin. Wat las Fermor? Zie je dat in andere schrijvershuizen? Niet in de toren van Hölderlin, die ik als zestienjarige bezocht op ook zo’n pelgrimstocht. Niet in de kasten van Roland Holst in zijn huis aan de Nesdijk in Bergen: daarin staan vooral de boeken van zijn laatste vriendin. Paddy’s kasten evenwel: Beyond Olympos van Chris Jecchinis, Alan Ogden, Winds of Sorrow: Travels in and Around Transylvania, Charles Lister, Between Two Seas, boekenkast na boekenkast met voor mij onbekende werken. Naast de hang naar zwerven trekt me in Fermor en Chatwin dat studieuze. Blijven studeren was het enige wat overbleef toen het zwerven was gedaan. Fermor woonde uiteindelijk het grootste deel van zijn leven in het naar zijn wensen ontworpen huis aan zee, met zijn vrouw en de mensen uit de buurt als vaste bakens in zijn bestaan. Geen kameleons. Geen as. Geen echt begrip van waarom Fermor juist hier moest wonen. Maar een sterrenstelsel aan nieuwe werelden in zijn boekenkasten. Had hij net als ik het verlangen elders te zijn?

Als ik te lang de gastvrijheid van de dame die me het huis toont op de proef heb gesteld, loop ik door de poort naar buiten. Op het pad langs een olijvengaard pak ik een kleine ronde grijze steen op, volmaakt, elegant en op een bepaalde manier belangrijk, met witte lijnen een dagelijkse herinnering aan precisie, tijd, voortgang, deze schrijvers, deze plek. Ik weet niet waar ik de steen mee naartoe neem.

  1. Artemis Cooper, Patrick Leigh Fermor. An Adventure, New York Review Books, 2012 

  2. Nicholas Shakespeare, Bruce Chatwin, Vintage, 1999 

Menno Hartman (1971) is uitgever van Van Oorschot en schrijft blogs op de website van Tirade, poëzierecensies van met name vertaalde poëzie voor tijdschrift Awater en is oprichter van recensiewebsite Literair Nederland.

Meer van deze auteur