‘An mijn kinderjaren bewaar ik geen enkele goede herinnering,’ begint Édouard Louis zijn debuutroman Weg met Eddy Bellegueule. ‘Ik wil niet zeggen dat ik in die jaren nooit een gevoel van geluk of vreugde heb gekend. Het is alleen zo dat leed totalitair is: alles wat niet in zijn systeem past laat het verdwijnen.’

Ik vraag me af of het is omdat ik geleden heb of juist niet, dat ik aan mijn kinderjaren überhaupt weinig herinneringen heb. Veel minder in elk geval dan mijn zusjes en broertjes, die me steeds weer verrassen met uit het verleden gegriste fragmenten, ‘weet je nog dat we briefjes in het gat in de muur stopten’ of ‘toen papa riep “eet je wiskunde op”?’. Waar dacht ik aan, toen ik zeven was? Wie is dat blonde meisje in een legergroen rokje op de korrelige homevideo, dat Close II You playbackt en niet meer bijkomt van de lach? Als ik mijn best doe, zie ik vrolijke gezinstaferelen voor me: knutselen op zondagmiddag, strips lezen op een kleedje in het gras in de tuin. Maar dat zijn herinneringen die de fotoboeken me hebben aangereikt, plaatjes die zich in mijn geheugen hebben geëtst omdat ze perfect zijn, omdat ze aansluiten bij een collectieve, uitgesleten fantasie van huiselijk geluk.

Ik herinner me pijn, verdriet, schaamte, maar het meest overheersend is een gevoel van een ruimte die te klein is. Van willen verdwijnen, van de tijd vooruit willen spoelen. Van daar niet horen. Mijn jeugd interesseerde me niet zo, en dat doet ze eerlijk gezegd nog steeds niet, nu ik dertiger ben. Er ligt geen manuscript Kinderjaren in de la. Niet uit een gebrek aan verhalen. Mijn geschiedenis bergt genoeg geheimen waar de graaiende vingers van de literatuur naar reiken. Genoeg ongelukkige scènes, in ons voor de jaren negentig ongewoon grote gezin van acht kinderen. Ik zou ook een juicy boek kunnen schrijven over mijn wonderlijke jaren in een Pinkstergemeente – de evangelische variant op de Nederlandse traditie van post-seculariseringsliteratuur. Maar de gedachte alleen al brengt de benauwing van die jaren weer omhoog, met zo’n overweldigende kracht dat alle zin om te schrijven me vergaat.

Van mijn kindertijd herinner ik me vooral dat ik het niet wilde zijn: jong, afhankelijk, onderworpen. Ik was bezig met het later-als-ik. Ik plande een toekomst als astronaut, als astronoom, als trauma-arts, als het maar groots was en indrukwekkend, als ik me maar kon verliezen, in andere planeten, andere lichamen. Ik wilde graag belangrijk zijn, denk ik. Ik fantaseerde niet over een vredig gezinsleven met een trampoline in de tuin, of over luidruchtige etentjes met vrienden in dure restaurants – onze familie ging nooit naar restaurants – of het beklimmen van bergtoppen of het zwemmen in turquoise zeeën tussen kirrende dolfijnen. De toekomst stond gelijk aan het hebben van een beroep, mijn identiteit viel volledig samen met werk.

Is dat dan wat ze bedoelen met het verdriet van millennials? De bedonderde generatie die met de belofte van gouden bergen opgroeide, om zich later te realiseren dat het leugens waren, dat de toekomst die nu was begonnen in feite deprimerend en stressvol en mager is? Ik krijg een beetje de rillingen van theorieën over millennials, omdat ze vooral de kinderen uit het betere milieu aangaan; dat idee van ‘een hele generatie’ verduistert de verwachtingen en kansen van de onderklasse, zoals de onderklasse altijd al grotendeels wordt vergeten. Mijn dromen van gouden bergen waren inhaliger dan van leeftijdgenoten, ze misten de vanzelfsprekendheid van de doorsneemillennial. Ik had nooit het idee dat het mij in de schoot zou vallen, dat er niets op het spel stond. Misschien omdat ik net als Édouard Louis ‘transclasse’ ben, een begrip van de Franse filosoof Chantal Jaquet: iemand die zijn sociale milieu heeft overschreden. ‘Opwaarts mobiel’ werd er vroeger wel gezegd, maar dat begrip drukt een verborgen waardesysteem uit, laat Jacquet zien: alsof het altijd beter zou zijn om dokter te zijn dan assistent. ‘Klassenverrader’ is dan de tegenhanger: iemand die het arbeidersmilieu verraden heeft voor het comfortabele leven van de bourgeoisie. Louis wordt het in de Franse media weleens verweten, maar die belediging krijg je in Nederland nooit; wij leven natuurlijk in het paradijs van de klasseloze samenleving, daarom zijn er bij ons bijna geen socialisten die dat soort woorden bezigen.



Uiteindelijk werd ik dus schrijver, ook een vak met enige potentie tot grootsheid, al zal iedere schrijver vertellen dat het een eentonig en angstig en meestal ondankbaar bestaan is. Maar ben ik ook mijn werk geworden? Ik schrijf af en toe over mezelf, maar iedere schrijver zal vertellen dat het geen wérk is, dat het léven is. Omdat ik een klassenverrader ben, omdat ik dankzij mijn hogere opleiding Karl Marx kon lezen en Antonio Negri en Kathi Weeks, kan ik daar bovendien aan toevoegen – vuist op de schrijftafel – dat werk het leven niet definieert, of niet zou moeten definiëren, dat we ons als Bartleby moeten verzetten en een wereld zonder werk moeten eisen. En in die post-work society schrijf ik natuurlijk nog steeds.

Ik word wakker, maak ontbijt en klim achter mijn bureau. Ik heb dagen dat ik het scherm bijna niet meer kan zien. Met vierkante ogen forceer ik mezelf nog meer woorden over de pagina’s te smeren, liefst mooie woorden, woorden die raken. De eenzame maanden tijdens de lockdown hebben me voor het eerst echt doen samenvallen met mijn werk. Jij en ik, vriend. Ter afleiding lees ik op sociale media bemoedigend bedoelde woorden, er wordt gezegd (ik like) dat we geen gehoor hoeven te geven aan de druk productief te blijven. Dat de noodzaak tot produceren een symptoom is van de wereld die ons ziek heeft gemaakt. Dat het prima is om even niets te doen.

Ik maak de obligate dagelijkse wandeling, ik kook met mijn quarantainebuddy, en daar is ie weer, de staredown met het beeldscherm. Leed is totalitair, alles wat niet in zijn systeem past laat het verdwijnen. Faalangst ook. Mijn schouders zijn verstijfd. Angstig werk ik weer een essay uit, nog een verhaal. Hartkloppingen als ik een stuk heb verzonden. Bang om niet goed genoeg te worden bevonden. Woelend probeer ik in slaap te komen. Ik schrijf drie keer zo langzaam als voorheen. Er is geen afleiding, geen buiten, geen vergetelheid of roes.

‘Misschien moet je je eigen roman nog eens lezen,’ zegt een vriendin op Zoom met een schalkse lach. Ik dacht ooit dat ik met het schrijven van een boek de demon van mijn eigen perfectionisme de nek om kon draaien.

Met mijn wang op mijn bureau denk ik dat het niet waar is. Dat ik niet dit ben, deze verkrampte persoon vergroeid met een toetsenbord. Dat ik dit niet wil zijn. Dat alles wat normaal bijzaak leek, de luidruchtige etentjes en de voorspelbare familiebezoeken, de ongeplande ­ontmoetingen, de ongewenste afleidingen, het praten met vreemden, de immer vertraagde treinreizen tussen de coördinaten van mijn leven, het verlangen naar stilte en het nooit krijgen, dat dat het is wat mij, onder normale ­omstandigheden, staande houdt.

En gek genoeg ontstaat er dan toch weer ruimte. Een verlangen alleen te zijn met de woorden, om tijd met een tekst door te brengen en te zien waartoe dat leidt. Omdat ik in de taal altijd weer vrijheid vind. Omdat daar de muren ver weg voelen.

Persis Bekkering (1987) debuteerde in 2018 met de roman Een heldenleven (Prometheus), die werd genomineerd voor de ANV Debutantenprijs. Kort proza verscheen onder meer in De Revisor, DW B en De Gids. Ze is redacteur van DIG en werkt aan een nieuwe roman.

Meer van deze auteur