De bus komt ‘s avonds drie keer aan. Om zes uur stapten de studenten uit, om zeven uur de kinderen van de muziekschool met hun gitaar, viool, hautaine wenkbrauwen, om acht uur was de bus leeg. Toen de uitbater van het frietkot aan de overkant me voor de derde keer zag, riep hij dat ik wortel zou schieten, terwijl hij de meeuwen van zijn vuilniszakken jaagde. Maar ze bleven terugkomen. Ze zijn een plaag, zoals voor sommigen het zand een plaag is.

Voor mijn moeder bijvoorbeeld. Het zand kruipt onder de keukendeur, het kleeft aan onze voeten, het zeurt tussen de lakens, het glinstert in het tapijt.

Natuurlijk bleef ik geen twee uur bij die halte wachten. Na de eerste bus ging ik naar het strand en wandelde tot het standbeeld. De avondschemer kleurde het zand rozig en er zat een tinteling in de lucht, zelfs ik voelde het, ondanks de buikpijn.

De meeste etablissementen op de dijk waren nog gesloten, dat is normaal voor half maart. Alleen in de Bonne Assiette en de Caves d’Artois brandde licht en zaten een paar klanten. Op de plek waar Leopold I ons land betrad, kreeg ik een sigaret van Martine Soete. Ze stond op haar lief te wachten om naar Bunker Sterk te gaan. Bunker Hoog, Bunker Laag, Bunker Klein, Bunker Sterk, dat zijn de namen die we ze gaven, lang geleden, toen ze dienden om eraf te springen. Maar nu had Martine Soete een geruit dekentje, een fles witte Martini en een zaklamp in haar tas.

Vorig jaar in de zomervakantie belde ze bij ons aan, Martine, en ze vroeg naar mijn broer. Ze had een bezwete bovenlip en rode vlekken in haar hals, ik wist dat ze kansloos was. Toen hij niet naar beneden wilde komen, liep ze zomaar de straat op en kwam ze bijna onder een gocart terecht. Daar aan het standbeeld zei ze niets over hem. Ze had nu een lief.

‘Je ogen zijn zo zwart, Martine.’

‘Dat is schmink, schatje, make-up. Dat hebben jongens graag. Wist je dat niet? En een snotneus van veertien moet geen sigaretten roken.’

De sigaret had ze me zelf gegeven. En ik wist: het werd lente en de meisjes van het achterlijke dorp moesten zich weer uitsloven. Het werd nu echt donker. Normaal zat hij altijd in de bus van zes uur.

Toen hij ook niet in die van zeven uur zat, ging ik thuis verwittigen.

Op vrijdagavond kwam mijn broer thuis, lag mijn moeder niet in bed, ging mijn vader niet naar zijn maîtresse. Op vrijdagavond deden we ons best en soms geloofden we dat het nog goed kon komen. Maar dan kreeg mijn moeder een stille huilbui, mijn vader een verongelijkte telefoon, begon mijn broer te treiteren, en eindigde het met slaande deuren. Eén keer speelden we Monopoly – mijn idee, het was mijn verjaardag, ik eiste een wens – en de hotels van mijn broer op Antwerpen Meir en Brussel Nieuwstraat maakten mijn vader zo razend dat hij weigerde zijn boete te betalen en alles van het spelbord maaide. Achteraf zei hij dat het niet de hotels waren maar de zelfgenoegzame grijns; niet het wát maar het hóé.

Thuis stond mijn moeder met werkloze armen aan het aanrecht voor het keukenraam, in het oranje licht van de straatlantaarn. Ze keek naar waar de duinen begonnen aan de overkant van de straat, naar de zwarte massa doornstruiken die zacht bewogen in de wind, maar ze dacht aan opwaaiend zand, verdwaalde kinderen, landlopers. Mijn moeder dacht altijd aan erge dingen en dat kwam niet alleen door de verhalen van mijn vader.

Terwijl zij in de keuken naar de duinen staarde, volgde hij in de woonkamer de verslaggeving van een assisenproces op het journaal en hij noemde de advocaat een idioot omdat hij niet-schuldig pleitte. Want schuldig zijn we altijd.

Toen ging ik terug naar de bushalte. Het was ons ritueel: in het bushokje gaf hij me de buit van de week – een plaat, een T-shirt, een poster – en ik gaf hem het geld, uit haar handtas. Wat ik niet kon kopen, verkocht hij aan zijn horecavrienden. Het bushokje was het film noir-decor van onze film noir-transactie.

Toen ik om kwart over acht definitief zonder hem thuiskwam, ging mijn moeder onmiddellijk naar bed. Ik zag haar de trap opgaan, haar lange witte vingers rond de leuning, het fijne profiel en blonde opgestoken haar, en hoe mager ze was. Ze voelde mijn blik – de vraag, de honger.

‘Mama,’ en aarzelde even.

‘Eet met je vader, hij komt morgen wel.’ Ze had rode vlekjes op haar wangen, van de witte wijn, en een paar vetspatten op haar witte blouse.

Het stoofvlees was taai en de puree lauw. ‘Zelfs dat kan ze niet,’ zei mijn vader, en ik verdedigde mijn moeder niet, ze was onverdedigbaar. Mijn vader at gulzig, hij liep rood aan en zijn lippen glansden. Na het eten sloop hij naar de gang om zijn maîtresse te bellen, maar ze had al andere plannen. De gorilla zou het met mij moeten stellen. Mijn vader had een kort lijf en lange behaarde armen, daarom noemde mijn broer hem zo.

Ondertussen was mijn broer in Gent aan het zuipen. Uit liefdesverdriet, werd later gezegd. De meisjes van Sint-Lucas, de kunsttypes, sloofden zich minder uit dan de Martine Soetes van De Panne. Die hele namiddag heeft hij met Freddy Pollet in het Damberd gezopen. Een paar klanten hebben hen tegen de avond zien wegstrompelen. Freddy heeft de rekening betaald, de normale gang van zaken. Freddy had geld, en een auto. Hij was nu eenmaal een kind van de horeca en die worden verwend.

Het telefoontje kwam tijdens de oude Titanic op Frankrijk 1, de derdeklaspassagiers raakten niet in de reddingsloepen en een valse eersteklaspassagier had zich als vrouw verkleed. Mijn vader snelde naar de gang maar in plaats van het schaamteloze wezen kreeg hij de commissaris aan de lijn. ‘On coule, on coule,’ riep een gedubde matroos in zwart-wit. Toen hoorde ik mijn vader een vreemd geluid maken, iets tussen een kerm en een vloek, en moest de tv uit.



Er zat veel volk in de kerk, dat is normaal voor een jongen van negentien. Misschien kwamen ze gerechtigheid aanschouwen, voor het kapotte vlindernet, de verdwenen cowboylaarzen, het zwembadincident, de vastgebonden jongen, de gestolen fietsen, de gebroken neus, de duinbrand, de fameuze wurggreep, de beruchte kopstoot, de handeltjes, de woekerwinsten, de gebroken harten.

Blonde krullen en een beenhard gezicht, zo stond hij op de foto vooraan in de kerk. Mijn zus had gekozen: de foto van zijn studentenkaart, in september genomen voor zijn inschrijving bij de kunstacademie. Bruinverbrand, zijn haar door zon en zeewater gebleekt, de fijne neus en smalle ogen van mijn moeder. Fel en kwaad loert hij van tussen zijn wimpers. Mijn broer, hij leed een woede waar geen mens van weet.

De maîtresse van mijn vader, een mollige vrouw met zwarte krullen en kunstig geschminkte, helblauwe ogen, zat op de hoek van de derde rij. Bij het voorbijkomen legde mijn vader zijn hand in haar nek.

Onder de kalmeerpillen en onder een lange zware sluier schreed mijn moeder naar haar ereplaats op de eerste rij, naast mijn vader. In haar eentje was zij een voltallig Grieks koor. Mijn reeds getrouwde zus deed de lezing. Haar stem was dun en moedeloos. ‘Maar sterft een mens, hij ligt machteloos neer, geeft hij de geest, waar is hij dan gebleven?’

Waar mijn broer was toen hij leefde, we hadden het evenmin begrepen.

De priester die de vijandigheid van het publiek gewaar werd, maande ons aan – ondanks het herhaaldelijk geplunderde offerblok en de verdwijning van de Heilige Antonius een jaar daarvoor – het goede te gedenken. Mijn vader boog het hoofd en op de rij achter mij hoorde ik gefluister.

Bij het terugkomen van de communie botste mijn moeder tegen een pilaar. Ik zat tussen twee schoolvriendinnen, hun functie was troost en ondersteuning: troost zat rechts en ondersteuning links. Ze kregen een lachstuip toen mijn moeder tegen die pilaar dreunde. Ze was een zijgang in gesukkeld en over haar sluier gestruikeld. En zoals de man die ‘s morgens zijn hond verliest, ‘s middags wordt ontslagen en later op de dag verneemt dat zijn vrouw van hem wil scheiden, zoals die beproefde man slechts bezwijkt wanneer hij ‘s avonds bij het ophangen van een foto (de hond) op zijn duim klopt, zo barstte toen de rouw van mijn moeder los. Vanonder de sluier, de druppels, de pillen, de verloren dagen, klom een rauwe jammerklacht op. Wanneer ik aan mijn moeder terugdenk, zie ik niet de verduisterde kamer, ruik ik niet het ziekbed, lees ik niet haar dagboek, maar hoor ik de schreeuw van haar aanwezigheid.

Herinneringen braken op uit de schimmige lagen der jaren, herinneringen aan een kleine jongen die een stuk hout gladschuurde voor zijn moeder; een fazantenveer, een konijnenschedel, een paar glanzende schelpen meebracht voor haar; een jongetje met een zachtere blik, vragend misschien, en de vraag werd niet beantwoord.

Haar witte vuisten bonkten op het marmer. Toen ik haar vastgreep, duwde ze me van zich af, iedereen zag het. Mijn schoonbroer en een oom brachten haar naar huis. Ze was niet op het kerkhof, ze zou de put niet zien. Toen we daar aankwamen waren de gemeentearbeiders klaar met graven, door de nachtvorst had het moeite gekost. Bij het zien van onze schrale stoet verstomden ze, namen ze hun petten af. Een van hen kwam mijn vader een hand geven. Het was de man die in de zomer ons gazon maait. Mijn vader greep de hand met beide handen, zijn brede rug schokte in kleine snokken. ‘Sterkte meneer,’ zei de man, ‘sterkte.’ Toen nam mijn vader zijn portefeuille, voor de fooi. De kazuifel van de priester waaide op.

Mijn zus en ik beantwoordden de condoleances – ‘Oprechte dank voor uw woorden van deelneming’ – en soms schreef mijn zus er iets bij, zoals: ‘We denken aan Freddy en wensen hem het allerbeste’ voor de familie Pollet, maar wat mij betreft verdiende Freddy Pollet geen medelijden en zeker niet het allerbeste, ook al moest hij nu op één been verder door het leven.

Mijn zus zei dat ik onrechtvaardig was: mijn broer had op die vrijdagmiddag naar Freddy gebeld en Freddy was voor hem naar Gent gereden, maar daarvóór had mijn broer naar huis gebeld, maar mevrouw was aan het rusten en mevrouw kon niet gestoord worden, zo had de poetsvrouw gerapporteerd. Misschien was het anders gelopen indien mevrouw gestoord kon worden.

Daarna belde ze haar man om haar te komen halen.

Mijn zus zei ook: ‘Als het hier te lastig is, kun je een paar dagen bij ons logeren.’

Vroeger deed ze alles voor mij: ze zorgde voor de boterhammendoos, het turngerief, schoon ondergoed. Zij was de regelmaat, de boeken en de schoolrapporten, hij was het vuur, de littekens en de proeven. Toen moest ze zo nodig trouwen. De dag na het trouwfeest werd ik wakker in de kamer die we elf jaar deelden. In de lichtvlek op de kale muur danste de vlieg die tegen het raam gonsde. Ze had haar wereldkaart meegenomen en de kaarten van de opgravingen, en de planken in de kleerkast waren leeg. Ze wilde reizen en studeren, archeoloog worden, een eigen leven hebben. Maar nu mocht ik wel een paar dagen komen logeren.

‘Vergeet het niet,’ zei ze terwijl haar man ongeduldig claxonneerde, ‘je bent welkom.’

Ik zwaaide.



Mijn vader stelde zijn verhuizing uit. Dat waren de maanden om nooit te vergeten. Mijn moeder in haar slaapkamer en mijn vader aan de telefoon. Hij moest zijn maîtresse geruststellen: ze was bang dat hij zijn gezin niet zou verlaten, de restanten. Ik hoorde hem sussen en beloven. Hij was achtenveertig, zijn zoon was dood en hij stond in de gang een telefoon te kussen.

Tijdens de avondmalen die wij en tête-à-tête nuttigden, passeerden zijn rechtszaken de revue. Hij legde me het verschil uit tussen moord, doodslag en dood door schuld, met een vingerwijzing naar Freddy Pollet; onderwees me in de categorieën lustmoord, roofmoord, passionele moord en seriemoord, ook al had de rechtbank van Veurne dat laatste nog nooit gehad; raadde me aan bezwarende en verzachtende omstandigheden goed te onderscheiden, met scepticisme te benaderen. Misschien was het bedoeld als levenslessen. Ook de ‘polderzelfmoorden’ kwamen aan bod. Hij noemde hun namen en vertelde hoe ze zich verzopen, de boeren van het achterland, in de gracht of in de beerput. Terwijl hij een lamskoteletje afknaagde, de rosbief aansneed, een meloenpit wegspuwde. ‘Je moet meer eten, kind.’ En hij wist ook waarvoor: schuldeisers en ontevreden vrouwen. Altijd hetzelfde liedje van geld en liefde en wat is er voor dessert. Ja, zo zitten de mensen in elkaar, mijn vader wist er alles van.

Verder een wreed verhaal van twee jongens en een kip. Wat die twee jongens deden. Ik wist niet dat zo veel medelijden voor een kip mogelijk was. Mijn vader vertelde het alsof hij een ontdekking had gedaan die hij niet voor zichzelf kon houden. Hij gaf het door als een besmetting, als een betovering in een sprookje. Ik zal het niet vertellen, ik zal weerstand bieden.

Wanneer ik naar zee ging, passeerde ik het bushokje en op het strand schopte ik naar de meeuwen. Elke dag op weg naar school wachtte Martine Soete me op. Omdat ik haar die vrijdagavond had gezien bij het standbeeld waren we volgens haar vriendinnen geworden. Ze droeg zwarte kleren en voelde zich weduwe.

Een ander lastig gegeven was Freddy Pollet die voor ons huis postvatte in een elektrische rolstoel – topgamma voor het kind van de horeca – en me achtervolgde met zijn hunkerende blik. Ik had hem wel door: hij wilde vriendschap, verzoening en troost voor zijn been, maar ik negeerde hem en zijn flapperende broekspijp.

Twee maanden voor zijn verhuizing stuurde mijn vader me naar een psycholoog. In de wachtkamer hingen kalligrafische spreuken, in steen gebeiteld; spreuken die aansporen tot relativering en berusting – maar we zullen nooit berusten. Na elk gesprek moest ik een kaartje trekken. Na het betalen. De psycholoog was nog jong, met een paardenstaart en een bloemetjeshemd. Omdat hij zich geneerde voor het geld gaf hij zo’n kaartje mee. Om ook iets te geven. ‘Geduld kan wonderen doen’ en ‘Een mislukking kan wonderen doen’. De snippers gooide ik in de wind. Ik heb geen geduld en ik wil geen mislukking, ik wil alleen de wonderen. (Keer onmiddellijk terug naar start! Ontvang nieuw startgeld! Neem een kanskaart!) Het bleef bij twee séances maar dat vertelde ik niet aan mijn vader, ik bewaarde het geld voor de ferry.

In juni haalde mijn vader de tekenmap van mijn broer in Gent. Die bevatte slechts een tiental schetsen: aardappelstudies, Morandi-stillevens en een portret waarin men met goede wil Freddy Pollet herkende. Deze bedroevende productie bezorgde mijn vader een aanval van postume razernij.

De gorilla verhuisde eind juli. Hij stelde me voor om het weekend te komen logeren in het appartement in Nieuwpoort, zei erbij dat ik vanuit hun keuken de zee kon zien. Voor een zeezicht had ik die keuken niet nodig.

‘Zorg goed voor haar,’zei hij ook nog.

De gorilla en mijn zus hadden op tijd de reddingsboten bereikt.



Begin september heb ik het dan toch gevoeld. Het stond op de voorpagina van de streekkrant: ‘Melipark en bezoekers treuren om Woody’.

De grizzly van het Melipark was dood.

Schreven ze treuren? Durfden ze treuren schrijven? Mijn broer en ik, wij hadden het gezien, wij wisten hoe zijn leven was. Een halfronde kooi was het, nauwelijks groter dan hemzelf. Het leven werd hem afgenomen en kroop voorbij, minuut na minuut, aan de ketting in de kooi. We zagen hem liggen met zijn etterende ogen, zijn afgebotte klauwen en zijn brokkeltanden, met zijn schurftig vel in zijn eigen drek. Roerloos incasseerde hij het picknickafval en het geschreeuw van de bezoekers.

Toen heb ik mijn broer gemist en dat gemis gevoeld, de pijn in mijn borst daarbij, want de grizzly was van ons. Die machteloosheid hadden wij gedeeld. Wíj hadden getreurd: voor zijn dode uren, zijn vroegere bossen, de glinsterende zalmrivieren. De grizzly was ons verbond geweest. Het weinige van ons was nu voorgoed verloren.

Aan de overkant van de straat zwaaide Freddy Pollet in zijn rolstoel. Het ogenblik was gekomen om hem de tekenmap te geven. Dat was mijn afscheid van Freddy. Ik had hem kunnen inruilen voor de grizzly. Over verzachtende omstandigheden had de gorilla me een en ander geleerd. Maar ik deed het niet, hij had geen plaats in mijn plan.

Ze zijn allemaal weg. Ik heb de druppeltjes toegediend. Een paar uur later heb ik het kussen gebruikt.

Alle deuren en alle vensters laat ik open, de gordijnen wapperen als vlaggen, de schilderijen scheuren van de muren. De herfststormen zullen het zand naar binnen jagen. Laat het zand nu maar komen, het blonde zand dat vloeit en golft en ribbelt, over de tegels, over de trap, langs de muren, het parelzand dat haar zal tooien, het poederzand dat aan de kroonluchters kleeft. In dat zandkasteel rust een vrouw onder een zandkleurige deken. Onze geschiedenis is in zand geschreven.

Sarah Andrea Desplenter (1961) studeerde Romaanse filologie aan de Universiteit Gent en is lector aan de Artevelde Hogeschool. In 2019 debuteerde ze met drie korte verhalen in Hollands Maandblad. Ze werkt aan een verhalenbundel, een eerste roman en een vergelijkende studie tussen Ilja Leonard Pfeijffer en Michel Houellebecq.

Meer van deze auteur