Er ligt sneeuw op de toppen van het Mishoodaghibergte. De zon schijnt op mijn gezicht en de koele bergwind waait langs mijn wangen. Vanwaar ik sta zie ik sneeuwaders die als vingers langzaam de gerimpelde nek van de berg grijpen. We hebben een groot tapijt op het gras gelegd en ik hoor vrouwen lachen en praten, kinderen schreeuwen en spelen. Mijn moeder, mijn grootouders, tantes, ooms en hun kinderen, ze zijn er allemaal. Onder het voorwendsel van de Natuurdag, de dertiende dag van de lente, zijn we, zoals alle andere Iraniërs, bijeengekomen. Iedereen moet in de natuur zijn en daar blijven tot zonsondergang. We moeten barbecueën, theedrinken, rond het vuur zitten en zingen, ongeacht wat voor weer het is.

Ik hoor mijn moeder lachen met andere vrouwen en kijk naar mijn kleine neef, die zichzelf in de armen van zijn moeder heeft genesteld. Ze heeft een deken om hem heen gewikkeld en geeft hem dikke kussen. Ik zoek met mijn ogen mijn vader. Hij is bladeren gaan zoeken die in de thee kunnen worden verwerkt of in salades kunnen worden gebruikt. Mijn rug doet pijn. Ik voel een scherpe metalen lepel die in mijn buikwand krast en denk aan de afbraak die zich in mijn lichaam voltrekt, een oorlog die sinds enige tijd maandelijks in mij woedt.

Mijn oom geeft me een kop thee en vraagt waarom ik zo moe ben. Glimlachend schud ik mijn hoofd.

Mijn nicht, die twee jaar ouder is dan ik, vraagt of ik ziek ben. Ik drink mijn thee: ‘Nee, ik ben niet ziek.’

Jongens van mijn leeftijd volleyballen samen of fluisteren in elkaars oren. Mijn tante wijst naar ze: ‘Ga ook met ze spelen.’

Ik haal mijn schouders op.

‘Ik gok dat je verliefd bent geworden! Nou? Is het zo?’ vraagt ze met een zachte stem.

‘Nee,’ antwoord ik lachend.

Zonder haar blik van me af te wenden schreeuwt ze tegen mijn moeder: ‘Waarom zit je dochter ineengedoken?’

Mijn moeder, die bezig is een spannend verhaal te vertellen aan mijn oom, kijkt ons even aan en zegt: ‘Net als haar vader houdt Arghavan niet van gezelligheid. Ze is altijd stil in de menigte.’

De lepel krast weer in mijn lichaam. Ik sta op. ‘Baba!’ roep ik paar keer en ik zoek om me heen.

‘Pas op!’ schreeuwt een jongen en er valt een bal naast me op de grond. Ik doe alsof ik niets heb gezien of gehoord en loop verder. Na een tijdje keer ik terug naar het tapijt en ga ik liggen, terwijl ik mijn hoofd met een deken bedek. Dan hoor ik opeens mijn vader mijn naam roepen. Ik trek de deken van mijn hoofd af en sta op.

‘Kom, ik wil je iets laten zien!’ zegt hij tegen me. Zonder iets te vragen ga ik met hem mee. Ik houd zijn hand vast, de zachtheid en warmte van zijn handpalm verminderen mijn pijn. Overal hangt de geur van vuur, rijst en kebab. Op de grote en kleine samowars staan kleurrijke theepotten. Er zijn huilende baby’s en lachende mensen te horen en er klinkt muziek. De bomen zijn tot bloei gekomen en het gras heeft zich in het lichtgroen gestoken. Ik vermijd oogcontact met mensen. Ik ben bang dat ze aan mijn gezicht en loop zullen zien wat zich in mij voltrekt.

We hebben thuis een kamer met een dikke bruine deur, waarin mijn vader meestal wat gedichten zit te lezen. Ook als we bezoek ­hebben, zit hij daar. Soms maakt het me verdrietig dat hij zich, na een kort gesprek met gasten, die meestal vrienden of familie van mijn moeder zijn, excuseert en naar die kamer gaat. Maar sinds kort begrijp ik dat hij moe wordt van de mensen en zijn toevlucht in de kamer zoekt, in de boeken, in de bergen en in alles wat geen tong heeft. Het is alsof die dikke bruine deur twee werelden scheidt. Een wereld vol herhalende en saaie gesprekken, en een wereld vol stilte en verhalen.

Na een lang stuk te hebben gelopen zien we grote ronde tenten omringd door schapen en geiten. Volgens mijn vader zijn het nomaden. Met zijn hand wijst hij naar een van de tenten: ‘Kijk eens, dit is hun huis.’ Hij gebaart naar de omgeving vol bergen en grasvlaktes: ‘Dit is hun tuin. Zie je hoe rijk ze zijn en hoeveel smaak ze hebben?’

Een vrouw zwaait naar ons. Ze draagt een lange kleurige jurk en heeft een bloemensjaal om haar hoofd en mond geslagen. Hoe dichterbij we komen des te beter de tenten te zien zijn. Ze zijn gemaakt van stro en dierenhuiden. Buiten de tent spelen kinderen en melken vrouwen een paar geiten. De vrouw die naar ons zwaaide, nodigt ons uit voor een kopje thee.

De tent ligt vol met gekleurde tapijten en kelims. Tapijten waarop herten, geiten, bomen en bloemen staan. Er staat een weefgetouw in een hoek van de tent met een frame gemaakt van boomstammen, waarachter een meisje van mijn leeftijd zit te weven. Haar lange gevlochten haar steekt onder haar bloemensjaal uit. Na een korte blik op ons weeft ze verder. Haar wangen zijn rood. Haar vingers maken heel snel kleurige knoopjes. Er ligt overal kookgerei en in de tent hangt een geur van ingelegde wol en jonge kaas. De vrouw brengt ons twee koppen thee en een paar klontjes suiker op een klein houten dienblad en gaat naast ons op het tapijt zitten.

Ik kijk naar het meisje en hoop dat ze ook met ons thee zal komen drinken. Mijn vader streelt een rood blad op het tapijt. Woeden in het meisje ook oorlogen? Het feit dat ze rechtop zit betekent dat ze niet bang is dat anderen haar kleine borsten zullen opmerken, of is ze gewoon nog te jong? Het enige geluid dat af en toe te horen is, komt van een ijzeren kam waarmee het meisje de knoopjes in een rij zet. Ik drink mijn thee, de metalen lepel voel ik niet meer. Mijn vaders hand is van het blad naar een blauwe vogel verschoven. Welke dieren is het meisje aan het weven? Hoeveel dieren kent ze?

‘Zijn de tapijten te koop?’ vraagt mijn vader zonder zijn blik van de vogel af te nemen.

‘Ja, maar niet allemaal!’ zegt de mevrouw.

‘Welke heeft uw dochter gemaakt?’ vraag ik zachtjes.

De vrouw toont me een tapijt waarop een geit is afgebeeld die op een rots staat en in de verte staart. Mijn vader koopt het tapijt, het meisje lacht ons toe.

Op de terugweg naar huis, terwijl ik op de achterbank van onze auto naar buiten zit te staren, denk ik aan het tapijt dat op mijn schoot ligt. Het gebeurt niet zo vaak dat we de bergen beklimmen. ‘Ik zal de bergen missen,’ zeg ik tegen mijn vader.

‘Je kunt de bergen niet mee naar huis nemen, maar als een vliegend tapijt neemt dit tapijt je mee naar deze dag, de bergen en die tent, waar je ook bent.’

De oranje vingers van de zon liggen op mijn handen en ik denk aan een meisje tussen de bergen dat zonder woorden vliegende tapijten weeft.

Dit verhaal is, in een andere versie, ook verschenen in De Optimist.

Sholeh Rezazadeh (1989) is een Iraanse dichter en schrijver. Ze kwam in 2015 naar Nederland. In 2019 won ze de El Hizjra Literatuurprijs. Dit najaar verschijnt haar debuutroman De hemel is altijd paars en is ze writer in residence bij Crossing Border Festival.

Meer van deze auteur