Er ligt een woord in mijn mond dat er te pas en te onpas uitrolt: nee. Ik laat het als een lint uit mijn mond wervelen. Ik kan het zo lang maken als ik wil. Ik kan het afknippen, er een knoop inleggen. Zou ik het de hoek om kunnen blazen?

Toen ik nog jong was, kwamen de neeën uit mijn tenen. Ik vulde ze met alles wat ik in me had: Neeneenee. Neeeee! Nog steeds kan ik mijn neeën laten zingen als een storm die ik zelf veroorzaak, dwars tegen het leven in dat mij een bepaalde richting op duwt.

Ik heb niet vaak hardop ja gezegd in mijn leven. Ik heb ja gezegd toen Breitner me vroeg voor hem te poseren. Ik heb ja gezegd toen hij zei dat alles hem speet en ons aanbood de overtocht naar Zuid-Afrika te betalen. Had ik moeten weigeren?

Ik denk dat je drie maanden hebt gehoest, op onze kamer in Pretoria, voordat je bloed begon te spugen. Je had me nog zo beloofd dat we je drieëntwintigste verjaardag aan zee zouden vieren.

Geesje Kwak in het atelier van de schilder G.H. Breitner (1857-1923) op de Lauriersgracht nr.8 in Amsterdam, 1893. Gefotografeerd door G.H. Breitner.

RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag

Ik ben een keer teruggegaan naar Amsterdam, om naar je te kijken in het Rijksmuseum. Ik wist niet wat ik zag. Je hing daar schijnbaar achteloos naast oude landschappen en beroemde portretten.

Breitner heeft je een poppengezicht gegeven, wist je dat? Je kijkt een beetje wezenloos voor je uit. De brug van je neus is veel te breed, alhoewel je neus daar wel toe neigde. En wat je met je armen doet achter je hoofd, is nogal geforceerd, alsof je je ellebogen per se moet laten zien. Maar de omgeving waarin je ligt, is natuurlijk schitterend, vooral hoe de patronen van het Perzisch tapijt contrasteren met de bloementekening op de kimono en toch zo volmaakt samengaan.

Ik had nooit verwacht dat ze in een gerenommeerd museum grove fouten maken. Naast het portret waarop je zo sullig achteroverleunt, hangt een kleine maar indrukwekkende modelstudie van een krachtige vrouw, die uit het donker opdoemt. Jouw naam staat erbij: Geesje Kwak. Hoe komen ze daarbij? Iedereen kan zien dat ík dat ben! Die blik, dat is er een uit duizenden.

Ik ben naar de balie gelopen en heb me beklaagd. Ik zei: Ik ben het! Jullie hebben een vergissing gemaakt! De vrouw achter de balie leek eerst nog wel behulpzaam. Ze gaf me een glas water, maar algauw riep ze er een bewaker bij, die steeds stil maar zei, alsof ik een kind was dat haar moeder kwijt was. Hij begeleidde me naar de uitgang en bleef staan kijken of ik me echt uit de voeten maakte.



Je moet weten, Geesje: de mensheid valt uiteen in twee categorieën. Er is het soort dat ervoor kiest hoofdpersoon te zijn, en er is het soort dat hoofdpersonen volgt.

Hoe komt het dat de meeste mensen geen hoofdpersoon willen zijn? Willen ze het niet, of kunnen ze het niet? Ze lezen liever over iemand anders en aanvaarden die als held, ook al maakt die niets opzienbarends mee, heeft hij geen enkele oorspronkelijke gedachte, valt hij in een kuil en gaat het hele verhaal erover hoe hij uit dat gat omhoog probeert te kruipen. Vraagt iemand zich ooit af waarom de held zo stom was om te struikelen? En waarom hij zo nodig uit dat gat tevoorschijn moest komen? Nee. Een held of heldin vergeef je alles. Toch?

Ik maak, onderuitgezakt in het behaaglijke donker van de cinema, het ene na het andere avontuur mee, zonder dat ik mijn handen vuil hoef te maken. Als er een vrouw gewurgd dreigt te worden, hap ik naar adem. Ik voel haar ontzetting, maar ik gloei ook van woede die het vanzelfsprekend maakt dat zij dood moet. Het is mogelijk om meerdere hoofdpersonen tegelijk te zijn. Misschien was ons leven anders gelopen als er vroeger ook al cinema’s waren geweest.

Soms hield ik expres opeens mijn pas in, om je te laten voelen dat je zelf ook een keer een beslissing kon nemen. Vaak botste je tegen me op. En zei ik dat je beter uit je doppen moest kijken.

Alleen als er ergens rode kevers waren, trok je aan mijn rok om aan te geven dat je even wilde kijken. Vuurkevers noemde je ze. We hielden ervan naar de kevers met hun vuurrode schilden te kijken, die rustig hun gang gingen. In hun universum was er niets aan de hand, er waren geen problemen zolang er blaadjes en stronken waren, en vermolmde drempels en kozijnen.

De vuurkevers scharrelden rustig door, soms met een kleintje op de rug.

Ik zie je nog zitten, op je hurken. Met een takje por je tussen de kevers, maar ze trekken zich nergens iets van aan.

Armoedzaaier! riep ik, toen ik je op blote voeten binnen zag komen in het souterrain waar we kleding verstelden. Doe je klompen aan, boerentrien!

Je diepte het meest fonkelende scheldwoord op dat je kende: klerelijer!

Ik begon al te giechelen.

Krijg de tyfus, temeier!

We hadden lang niet zo hard gelachen. Ik had pijn in mijn buik van de lachstuipen, om de woorden die zo moeiteloos heen en weer schoten. Het waren de woorden van pa, die geen gelegenheid voorbij liet gaan om wie dan ook de huid vol te schelden.

Kan je je eigen broek niet ophouwen, rioolrat? Je kon de stem van vader zo goed nadoen dat de rillingen over mijn rug liepen.

De bukkende verschijning in de lage deuropening deed ons verstommen.

Dames, zei hij.

Dame, herhaalde ik in gedachten en het was alsof het woord mijn ruggengraat aan een draad omhoogtrok. Ik verborg mijn voeten achter een van de zakken met linnen waar ik een monogram op moest borduren. Nog vijftig te gaan, voor de volgende ochtend. Maar als iemand dat zou kunnen, dan was ik het.

Je bent met naald en draad in je hand geboren, zei moeder. Ik was niet alleen snel, maar zo secuur dat ik er de fijnste tekeningen mee kon maken. Nu zie ik slecht en zijn mijn vingers gezwollen. Ik krijg geen draad meer door het oog van een naald.

Voor je vijftiende verjaardag had ik een zakdoek geborduurd met vogels uit een andere wereld, zo blauw en licht waren ze. Ik had er sterren tussen geborduurd, zodat het dag en nacht was tegelijk. Iedereen heeft me erom uitgelachen. Een zakdoek die te mooi is om je neus in te snuiten! Wat een pretenties!

RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag

Hebben jullie even voor me?

De man had een tas bij zich waar een rivier uit omhoog leek te kolken, toen hij deze opendeed. Ik heb een kamerjas, een Japanse kimono… er zit een mottengat in.

Ik had nog nooit echte zijde aangeraakt. Ik kon mijn ogen niet van de bloemen op de stof afhouden. Het licht leek de bloemen in beweging te zetten, als vuurkevers die over elkaar heen krioelden.

Ik gaf je een por in je zij. Of het morgen af kan zijn, wil meneer weten. Je stond weer eens te dromen, terwijl er een antwoord van je werd verlangd.

Watte?

Wat zeg je?

Of je worst lust.

We proestten het uit, maar bonden snel in, toen we zagen dat de man er ongemakkelijk van werd.

Ik moest me inhouden om de stof niet te blijven aaien.

Morgen is het klaar. Absoluut.

Ik noemde een bedrag dat jou naar adem deed happen. Een maand huur voor onze nieuwe kamer. Maar ik had goed gegokt. Hij betaalde een deel vooruit en gaf zelfs een fooi.

Tot morgen, dames, zei hij en hij tilde zijn hoed op. Er kwamen twee flaporen onder de hoed vandaan. Hij zag er meteen een stuk vriendelijker uit.

De deur was nog niet dicht, of je sprong op en neer. We hebben een klus! We hebben het voor elkaar! riep je uit.

Ik heb je er subtiel aan moeten herinneren dat ík de klus had binnengehaald. Als het aan jou had gelegen, had je nog steeds in de la onder het bed van pa en ma geslapen.

We spreidden de glanzende kimono uit over onze werktafel.

Wie zou zo’n kledingstuk nou dragen? vroeg je, en ik deed alsof ik me daar ook niets bij kon voorstellen. Maar ik wist dat de kimono mij prachtig zou staan. Zodra je in slaap viel, heb ik het kledingstuk aangetrokken. Het zat me als gegoten.

Ik was dan ook niet verbaasd, toen de schilder hem kwam ophalen en mij vroeg of hij foto’s van mij mocht maken. Het poseren duurt niet lang, zei hij. Kom binnenkort eens langs op mijn atelier, op de Lauriersgracht.

Ik had natuurlijk nee moeten zeggen. Nee, meneer Breitner, met je met verf bespetterde hoed. Nee, meneer de kunstartiest, met je chique manieren.

Gajes, noemde mijn vader types zoals hij. Nu had mijn vader het niet vaak bij het rechte eind, maar dat had hij goed gezien.

En ik, uilskuiken, zei jameneergoedmeneer, zoals ik dat van moeder had geleerd. Omdat ik aan jou dacht, Geesje, en aan ons plan een eigen hoedenwinkel te beginnen. Ik wilde ons uit de vochtige kamer halen waar ons hoedenvilt beschimmelde. Ik wilde ons een toekomst bieden. Ik dacht: wat kan het voor kwaad om even stil te staan en te poseren? Misschien zou het wel een mooi schilderij opleveren.

RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag

Hoer! schreeuwde mijn vader, toen hij erachter kwam dat ik in het atelier van een schilder was geweest. Ons hele huizenblok dreunde ervan en mijn enige troost was dat de buren niet wisten wie hij bedoelde.

Geef op dat hoerenloon!

Ik weigerde een cent aan hem te geven.

Ik balde mijn vuisten en stelde me voor dat juist nu de vloer het zou begeven, zoals in het nieuwe huizenblok aan de overkant. Maar mijn vader stortte niet in de diepte. Hij greep me in mijn kraag en sleurde me de smalle trap af.

Ik hoefde niet achter me te kijken om te weten dat je achter me aan was geslopen.

Ik had de neus van moeder, van wie men zei dat ze ooit het mooiste meisje van de Zaanse kermis was. Ik oefende in die tijd om dromerig in de verte te kijken, om anderen te laten zien dat ik wist dat er een wereld bestond voorbij de scheefgezakte verdiepingen van de Dapperbuurt.

Jongens zagen aan me dat ik iets bijzonders had. Ze volgden me met hun blik en vrouwen klemden hun man steviger vast als ik hen tegemoetkwam. Ja, ik durf best te zeggen dat ik een verschijning was in die tijd. Iemand om rekening mee te houden.



Ik heb vanaf het begin voor je gezorgd. Ik leerde je lopen, ik leerde je spreken. Je hing aan mijn lippen, als ik vertelde over een hoedenmaakster in Parijs die van haar hoeden een eigen woning had kunnen kopen. Ik moet het je misschien niet kwalijk nemen dat je me in alles nadeed. Dat was je manier om te overleven. Maar toen ik die bijzondere blik in jouw ogen zag in het atelier van Breitner, de ik-weet-van-de-wereld-voorbij-deze-straten-blik, míjn blik, is er voorgoed iets veranderd.

Breitner raakte niet op je uitgekeken. Ik geloof dat hij je wel tien keer in die oude kimono heeft afgebeeld. Maar de schilder die armeluisvrouwen opscharrelde voor zijn schilderijen, zag niet dat wat hij zo aantrekkelijk aan je vond, van mij was.

Ik heb nog een foto die we hebben laten maken toen we net waren aangekomen in Pretoria. De fotograaf heeft ons vereeuwigd als één lichaam. Zo voelde het ook, mijn verbondenheid met jou. Twee jonge vrouwen die in profiel op elkaar lijken, met een gedeelde linker- en rechterarm. Misschien was alles anders gelopen als Breitner ons zo had afgebeeld.

Als hij de moeite had genomen om beter te kijken.

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verschenen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids. Met Ilse van Rijn leidt ze de nieuwe master Approaching Language aan het Sandberg Instituut. 

Meer van deze auteur