Als het schaap van meneer Van Boeijen niet was doodgegaan leefde meneer Van Boeijen zelf niet meer. Mama noemt het een wonder, hier op de revalidatieafdeling is het gewoon een mooi geval. Martin heeft het over een geinig gelukje, maar Martin vindt wel meer geinig. Vorige week was mevrouw Verschuuren weggelopen, een hele middag kwijt. Ik wist zeker dat het aan mij lag, die ochtend was ik te laat met haar medicatie. ‘Jij mormel,’ zei ze toen ik haar kamer binnenkwam. Een uur later was ze weg. Toen ze aan het begin van de avond vrolijk de afdeling op wandelde vertelde ze dat ze een ommetje had gemaakt, ze was bij de bloemenstal geweest en deelde aan iedereen gele tulpen uit. ‘Jullie zijn mijn kinderen,’ riep ze, ‘mijn kinderen!’ Ik was boos en opgelucht, Martin kwam niet meer bij.

Meneer Van Boeijen kwam in coma binnen, Sarah van de Eerste Hulp vertelde dat de lijkzak al klaarlag. Sarah lijkt op iemand uit GTST, daar keek mijn zus naar toen ze nog thuis woonde. Mama werd er boos van, zij wilde om acht uur een gezinsmoment met thee. Ik heb me in die tijd ‘s avonds in bed weleens afgetrokken terwijl ik dacht aan die actrice uit GTST.

De lijkzak bleek niet nodig. Meneer Van Boeijen werd naar de IC gebracht, kwam bij en praatte na een paar dagen alweer lachend vanuit zijn bed met zijn zoon. Die zoon was naar de boerderij van zijn vader gekomen en deed nu de schapen. Ik hoorde ze dingen zeggen over rotatiebeweiding en aflammeren. ‘Die mannen ruiken naar wol,’ zei Martin.

Martin en ik doen samen de verpleging van meneer Van Boeijen. Hij heeft een wond aan zijn been en zijn bloed wordt regelmatig onderzocht. Hij krijgt scans en bloedverdunners. Martin doet dit werk al zestien jaar, ik ben hier nu drie weken op stage. Mama wil precies weten wie mij begeleidt en of dat wel goed gebeurt. Ze belt vaak naar de afdeling en wil Martin dan spreken. Ik schaam me dood, maar Martin vindt het niet erg. ‘Je moeder is gewoon bezorgd,’ zegt hij.

In het dossier van Van Boeijen staat dat hij op de grond van de stal is gevonden. Een bloedprop had een ader afgesloten, waardoor zijn longen te weinig zuurstof kregen. Gevolg van meerdere hartinfarctjes, dat van dat dode schaap hoorden we pas later.

‘Hij is gevonden door de dierenambulance,’ vertelde Sarah bij de overdracht.

‘Geinig wel, voor een schapenhouder,’ zei Martin.

‘Nee serieus,’ zei Sarah. ‘Ze kwamen voor een schaap.’

Ze vertelde dat het schaap op zijn rug lag, in de sloot naast het weiland. Een fietser zag het liggen, had de dierenambulance gebeld en was doorgefietst. De ambulance was te laat, het schaap was al dood. Ze belden aan bij Van Boeijen maar die deed niet open. Toen ze om de boerderij liepen zagen ze hem in de stal liggen. ‘Bizar toch?’ Sarahs ogen waren groot, lichtbruin.

Die avond vertelde ik mama over Van Boeijen en zijn dode schaap. Haar ogen werden al snel vochtig. ‘Ach ja,’ zei ik, ‘het toeval is iets geinigs.’

‘Toeval,’ zei mijn moeder.

‘En schapen zijn fokking domme beesten.’

‘Dat schaap heeft het gevoeld, Glenn.’

‘Ja mam.’

‘Dat schaap heeft het gevoeld. Dat heeft gedacht: hoemoet ik deze boodschap overbrengen?’

‘Dat beest heeft zichzelf geofferd, haha.’

Mijn moeder wreef haar hand over mijn arm. ‘Dat zeg je goed. Dat schaap heeft zichzelf voor die man gegeven.’



Na een paar dagen wil Van Boeijen zelf naar de wc. Martin en ik tillen hem rechtop, Van Boeijen zegt dat hij het prima alleen kan.

‘We helpen u toch nog even,’ zegt Martin.

‘Ze zeiden dat ik me sommige dingen misschien niet meer zou kunnen herinneren,’ zegt Van Boeijen, ‘maar daar is niets van waar. Ik weet alles nog. Honderdvierenzeventig schapen, negenendertig lammetjes al. Vervelend seizoen om onderuit te gaan, hoor. Onhandig klokje.’ Hij klopt voorzichtig op zijn borst. ‘Maar ooien kun je niet op pauze zetten!’ De man is dik maar gespierd, ik voel zijn pezen onder mijn handen aanspannen.

‘Bij drie tillen we hem op,’ zegt Martin. Hij schuift zijn arm langs de nek van Van Boeijen op mijn arm en telt.

Als Van Boeijen op de wc zit lacht Martin naar me. We staan voor de dichte deur. ‘Je bent een aanwinst,’ zegt hij, ‘je doet de dingen heel zorgvuldig.’ Niemand hier heeft zoiets eerder tegen me gezegd.

‘Hoe is het met je moeder?’

‘Goed,’ zeg ik. ‘Ze vindt het een mooi verhaal, van dat schaap.’

‘Heb je genoeg ruimte thuis?’ Martin kijkt me aan. ‘Voor jezelf bedoel ik?’

Ik aarzel, zeg niets.

‘Als je een plek zoekt, de kamer van mijn dochter staat leeg, de vorige huurder is alweer een tijdje weg. We kunnen een mooie prijs bedenken.’

In mijn pauze zie ik Sarah roken bij de personeelsingang. Ik loop op haar af, wil haar aanspreken maar knik alleen, zeg dan dat ik mijn auto hier heb staan en mijn portemonnee heb laten liggen. Ze knikt terug, ik loop de hoek van het gebouw om en hoop dat ze de portemonnee in mijn kontzak niet ziet. Ik heb helemaal geen auto. Als ik een tijdje buiten haar zicht heb staan wachten, loop ik weer naar de ingang. Triomfantelijk houd ik mijn portemonnee omhoog. ‘Gevonden!’ Sarah lacht en kijkt weer naar haar telefoon. Ze heeft een mooie neus, een beetje hoekig.

Die avond bel ik mijn zus. ‘Hoe vraag je een meisje uit die je niet kent?’

‘Dat.’

‘Wat?’

‘Een meisje dát. Ik hoor dat zo vaak fout gaan.’

‘Ja prima, dát meisje dus die ik totaal niet ken.’

Romy zucht. ‘Totaal niet?’

‘Nou ja, alleen van in de gangen, zeg maar.’

‘Glenny,’ zegt ze, ‘gaat het eindelijk gebeuren?’

‘Nee, mama wil dat toch niet thuis.’

Ze zucht weer. ‘Je kunt op kamers gaan, hè? Ik kan uit ervaring melden: een aanrader.’

Na het eten begin ik erover. Romy is al bij me weg, zegt mama altijd als ik erover wil praten, ik heb alleen jou nog. Je bent nog zo jong.

‘Heb je het daar met Martin over gehad? Over weggaan bij je moeder?’ Ze stapelt de borden op. Mama doet alle huishoudelijke taken, niet omdat ik haar niet wil helpen maar omdat ze alles al heeft gedaan voordat ik op het idee kom haar te helpen. Ik ben niet traag, zij is gewoon uitzonderlijk vlug. Soms denk ik dat ze het erom doet.

‘Martin? Nee hoor,’ zeg ik.

‘Zijn dochter woont niet meer bij hem, hè? Die woont bij haar moeder.’

Even is het stil, we horen alleen een paniekerige vogel in de tuin. ‘Hij ziet haar niet meer,’ zegt mama.

Ik wil haar vragen hoe ze dat allemaal weet, maar voor ik iets kan zeggen is ze me alweer voor. ‘Misschien moet ik ook op mijn rug gaan liggen,’ zegt ze.

‘Wat?’

‘Zoals dat schaap.’

‘Hè?’

‘Ik moet op mijn rug gaan liggen zodat jij kan leven.’

Er steekt iets in mijn borst. ‘Doe normaal,’ zeg ik.

‘Ik doe normaal, Glenn, dit is hoe de dingen gaan. Het leven schenken door het leven te laten. Ik laat jou los en jij gaat alleen verder.’



Het is bezoekuur, Joost is er, Van Boeijens zoon. ‘Elke fiets krijgt weleens een slag in het wiel, pa,’ zegt hij. Hij staat er onhandig bij, wil misschien op het bed gaan zitten maar dat past niet echt. Dan komt de arts binnen. Ze vertelt dat Van Boeijen nog niet naar huis mag en de rest van zijn leven medicijnen moet gebruiken. Dat valt tegen.

‘Verdomme,’ horen we hem tegen zijn zoon zeggen. ‘Gedóé.’

‘Is even niet anders, pa.’

Als de arts wegloopt komt Martin naar het bed. Ik twijfel en volg.

‘Verdomme,’ zegt Van Boeijen nog eens. Hij veegt met zijn grote hand over zijn ogen. Ik wil iets zeggen maar Martin is me voor. ‘Toch wel even schrikken hè?’ Dan voel ik iets op mijn rug. Martin streelt mij even, alsof ik degene ben die getroost moet worden.

Mama raakt niet uitgepraat over het schaap. Hebben we de fietser wel achterhaald? Ik zeg dat dat niet onze taak is, dat de dierenambulance daarover gaat.

‘Het gaat niet alleen om de taken Glenn, het gaat om de verbinding.’

Ik zeg dat we ons allemaal verbonden voelen met Van Boeijen.

‘Heeft hij kinderen?’

Ik vertel over Joost en dat hij nu de boerderij doet.

‘Prachtig,’ zegt ze.

Ik zwijg.

‘Heerlijk, zo buiten. Martin woont in het centrum, hè?’

Ik zeg dat ik dat niet weet.

‘Je bent dus niet bij hem thuis geweest?’

Ik kijk haar aan, ben even te verbaasd. ‘Dat zou ik dan toch verteld hebben?’

‘Ja,’ zegt mama, ‘ja, natuurlijk.’

Sarah staat weer bij de personeelsingang. Ik loop naar haar toe, kijk haar snel aan en dan naar een punt op de muur. ‘Heb je zin om een keertje te kletsen,’ zeg ik zacht, ‘in een cafeetje ofzo?’

Ze blijft even stil en begint dan te lachen. ‘O dat lijkt me gezellig,’ zegt ze, ‘maar ik heb wel gewoon een vriend. Als je dat bedoelt.’

Ik zeg dat ik dat natuurlijk niet bedoel, ze mag haar vriend ook meenemen hoor. Ze slaat mijn nummer op en zegt dat ze me een bericht zal sturen.

Die avond haal ik diep adem en vertel mama dat ik af en toe op Kamernet kijk. Ik laat een pauze vallen. Martin heeft ook een kamer vrij, zeg ik. Die van zijn dochter.

‘Martin?’ zegt ze. ‘Je wilt bij Martin wonen?’ Hoewel ik het verwacht komen haar tranen toch plotseling. ‘Ga je dan ook voor jezelf koken?’

Ik weet niet wat ik moet zeggen, onder de tafel trillen mijn benen.

‘Gaat Martin dan ook je kleren wassen? Ga je onze fijne gesprekken dan met hem voeren?’

Na de zesde opnamedag mogen we Van Boeijen ontslaan, de tulpen van mevrouw Verschuuren zijn inmiddels uitgebloeid.

‘U mag naar huis,’ zeg ik.

‘Dat zeggen ze.’

‘Het mag echt,’ zeg ik, ‘daar bent u vast blij om.’ Mama heeft me de afgelopen dagen een paar keer ontbijt op bed gebracht. Ze is bij me gaan liggen, zoals vroeger. Ik heb het ‘s morgens altijd koud, zij juist te warm. Gisterochtend vroeg ze wat ze zou bakken, toen ik thuiskwam van werk rook het naar frambozencake.

‘Joost staat de schapen te scheren op een braderie. Verdien je niks mee hoor, maar vinden de mensen mooi.’

‘Hij komt u niet halen?’

‘Ik leen er in december ook weleens wat uit voor een kerststal hier of daar. Vorig jaar heeft eentje het kindeke Jezus uit elkaar getrokken. Maar ja, die binden ze dan van stro samen, moet je ook niet doen.’ Hij lacht hard. ‘Ik kom zelf wel thuis hoor, ik neem de bus.’

‘De bus?’ Ik aarzel. ‘Dat raden wij niet aan, gezien uw medische…’

‘Jongen, ik kan een hele kudde hoeden.’ Hij slaat op zijn buik. ‘Eén pens thuisbrengen lukt met mijn ogen dicht.’

Als ik de ontslagpapieren wil halen zie ik Martin in het kantoor zitten. ‘Hij wil met de bus naar huis,’ zeg ik. ‘Dat lijkt me geen…’

‘Glenn, je moeder heeft weer gebeld,’ zegt hij. Hij wrijft met zijn handen over zijn schedel, door zijn krullende haar. ‘Ze huilde.’

‘Ze huilde?’

‘Ze was ook boos, ze is vaker…’

Martin heeft ook bruine ogen zie ik. Eigenlijk zijn ze mooier dan die van Sarah. Ze liggen dieper, Sarahs ogen zijn bol, een beetje zoals bij vissen. Nu ik erover nadenk lijkt Sarah minder op de actrice uit GTST dan ik dacht. Martins ogen hebben schaduwen en rimpels, ik kan ze volgen tot aan de randen van zijn gezicht.

‘Ze belt nu dagelijks. Wil je dat ik… is er iets…’

Ik denk aan Van Boeijen. Het is belachelijk, met de bus naar huis. Er moet een taxi voor hem gebeld worden, hoezo is die Joost op een fokking braderie?

‘Glenn?’ zegt Martin. ‘Ze wil dat je stopt hier. Ze zegt dat ik jou van haar afpak.’

Ik voel mijn telefoon in mijn broekzak. Ik zal zo een taxi bellen, teruglopen naar zijn kamer en het meedelen. Meneer, u krijgt een taxi, kudde schapen of geen kudde schapen.

‘Glenn? Wat bedoelt ze daarmee?’

Ja, denk ik. Opstaan, weglopen, taxi bellen. Hij zal zelf ook wel inzien dat dat het beste is.

Iduna Paalman (1991) debuteerde in 2019 met de dichtbundel De grom uit de hond halen, die genomineerd werd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de C. Buddingh’-prijs. Haar werk verscheen o.m. in RevisorDe Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad. Ze studeerde Duits en geschiedenis.

Meer van deze auteur