Amerikaanse literatuur en andere onbekende werelden

Mijn liefde voor de literatuur en het schrijven heeft altijd nogal gemeanderd en stroomt van perioden van een grote belangstelling, zoals toen ik zeven was en de literatuur ontdekte door de verhalen en leestips van mijn vader, naar perioden waarin mijn belangstelling verborgen bleef achter iets anders, zoals films. Zo rond mijn veertiende ontdekte ik mijn liefde voor de film. Ik hield er om dezelfde reden van als waarom ik van boeken hield, maar het zou me een paar jaar kosten voor ik dat besefte. Ik keek naar Django: Unchained en vond in de bloedbaden en het kwistige gebruik van gestileerd geweld een nieuw doel: alles te leren wat er over dit soort films te weten valt. Zo’n twee jaar lang keek ik minimaal om de dag één speelfilm. Mijn belangstelling voor het lezen verflauwde en al snel voelde ik een innerlijk conflict: ik hunkerde er nog steeds naar schrijver te worden, maar hoe kon ik dat zijn als boeken me amper meer boeiden? Mijn vader vond de oplossing: word scenarioschrijver, en dat ben ik gaan doen. Althans, zo goed als een jongen van vijftien dat kan. Ik las over scriptschrijven, studeerde en volgde online cursussen tot ik elke Hollywoodfilm kon herleiden tot de gebruikte archetypen en verplichte verhaalstappen. Toen mijn belangstelling rond mijn zestiende weer begon te verdorren, herontdekte ik gelukkig de literatuur. Ik las Fight Club, nadat ik van mijn sokken was geblazen door de verfilming ervan.

Een nieuwe wereld opende zich, en nu de cinema meer een passieve hobby was geworden en niet een of andere goddelijke roeping, kon ik mijn aandacht direct aan de literatuur wijden. Na Fight Club was een logische opvolger American Psycho. Ik kan me niet herinneren hoe ik erin slaagde mij door dat boek heen te werken. Hoe goed en slim het ook in elkaar zit, het is op elk niveau uiterst verwerpelijk. Maar het was al te laat, ik had een nieuwe wereld ontdekt: Amerikaanse boeken. Ik las in gierend tempo Hemingway, Steinbeck, Salinger en Cormac McCarthy. En ongeveer een jaar later had ik mijn eigen werk geschreven over ‘the lost generation’, vol lange natuurbeschrijvingen, menselijke tekortkomingen en drugsmisbruik.

Tussen je veertiende en achttiende, dat is het deel van je jeugd waar je er helemaal klaar voor bent te worden verzwolgen door nieuwe ontdekkingen. Ik ben pas onlangs aan deze fase ontsnapt en daarom niet helemaal in staat tot afgewogen of eerlijke observaties, maar ik betwijfel of ik ooit nog in staat zal zijn mij opnieuw zo compleet onder te dompelen in het onbekende als in die jaren.

De mensen die ik ken van mijn leeftijd hadden ook zulke periodes dat ze vol passie in onbekende werelden doken, muziek, geschiedenis, voetbal of make-up, maar ze hebben het er niet veel over, evenmin als ik. Ik vind het nog steeds geweldig om het onbekende te exploreren, zoals onlangs mijn ontdekking van zwaargewichtboksen en krachttraining, maar ik kan daar niet zo intens door geboeid blijven als ik vroeger altijd was.

Er zijn op dit moment erg veel onbekenden, denk ik. De literatuur is tegenwoordig minder populair, maar veel andere werelden hebben de onbegrensde belangstelling van jongere mensen en volgens mij is daar niets mis mee. Als mensen dreinen dat de jeugd niet meer leest, vergeten ze dat deze energie nu wordt gegoten in andere, even waardevolle activiteiten.

Ik had kortom het geluk de literatuur op het juiste moment te ontdekken, ik vraag me af of ik er een paar jaar later nog mijn leven aan had willen wijden.

Arthur Mulder

Arthur Mulder (2001) haalde zijn vwo-examen in het coronajaar en gaat Engelse literatuur studeren.

De goudstandaard

Op mijn twaalfde maakte mijn leraar Nederlands, mijnheer Feijte, mij duidelijk dat J.B. Schuil, van De Artapappa’s en Jan van Beek, geen literatuur schreef, maar jongensboeken. Hij dicteerde ons zijn literatuurgeschiedenis, maar omdat mijn oudere broer die een paar jaar eerder al had uitgeschreven gaf me dat alle tijd om de boeken uit de stoffige schoolbibliotheek door te werken. Ik zal veertien zijn geweest toen ik in de stadsbibliotheek Jan Wolkers vond, Een roos van vlees. Dat er in het Nederlands zo zuiver kon worden geschreven was een openbaring. En dat het boek ook gewoon in Boekhandel De Vries te vinden bleek, het echte leven zomaar ingeklemd in een rij in een kast. Aan kopen dacht ik niet. Op mijn zestiende raakte ik bevriend met wie ik nog steeds als mijn absolute lezer beschouw, Anja Nieuwkoop, en met haar ontdekte ik Nescio, Dèr Mouw, en in de kast van mijn vader Marsman en vooral de zes witte delen van Slauerhoffs verzameld werk, uit een hutkoffer in de schuur. Achterberg sprak me niet aan, ondanks mijn vaders ontroering bij het terugzien van Afvaart.

Ik zal in de vijfde, zestien jaar oud, Jacques Hamelink hebben ontdekt, Het plantaardig bewind. Het was het eerste boek dat ik kocht, literatuur die ik in bezit nam, deel één van mijn gedroomde bibliotheek. Ranonkel las ik in de achtertuin van mijn ouders, in de lange zomer tussen mijn staatsexamen en biologiestudie. Ik ben Hamelink mijn leven lang ­blijven volgen, las alles wat hij in hoge frequentie uitbracht langs de vele wonderlijke wendingen in zijn oeuvre. Ik heb het hier allemaal in de kast staan, omdat hij voor mij de mythische tijd belichaamt waarin ik de literatuur leerde lezen en verbinden met de andere wereld van de natuur. Vanuit een interview met Hamelink in een Bulkboek ontdekte ik nadien de complete wereldliteratuur: Hölderlin, Benn, Trakl, Faulkner, Quevedo, het kon niet op. Voor Hölderlin ben ik hem nog altijd diep dankbaar, mijn leven is mij onvoorstelbaar zonder Hölderlins voortdurende aanwezigheid. Ik las de Duitse dichter in de herfst van mijn eerste studiejaar, achttien jaar oud, liggend op bed in mijn slaapkamertje bij mijn ouders in het weekend, het raam open naar de tuin, rillend: Andenken. De lieflijkheid en de gedachtesprongen, zo moet je schrijven, dacht ik, zo denk-voel-spreek je je ziel uit op papier. Nicht ist es gut seellos von sterbliche Gedanke zu sein. Ach, Hölderlin.

Op mijn zestiende besloot ik bibliofiel te worden en wereldliteratuur te gaan lezen. Ik maakte een valse start met boeken die in christelijke kring als meesterwerken van diepzinnigheid werden beschouwd. Dostojevski’s De idioot of Misdaad en straf, Sartres De jaren des onderscheids, Kierkegaards Vrees en beven, Leon Uris’ Exodus, in één moeite door. Wat mij het meest verbaasde aan deze modderige boeken, denk ik terugkijkend, was dat ik ze überhaupt kon lezen. Al die zinnen na elkaar. Hoe dikker hoe beter. De handeling van het lezen, de verschijning van een andere wereld, was veel interessanter dan de feitelijke inhoud van de boeken, al etterde die nog jarenlang na in mijn ziel. Eenmaal op een huurkamer in Amsterdam ontdekte ik de echte literatuur. Eerst Moby-Dick, in een verkorte versie en daardoor veel mythischer dan het origineel en sterk genoeg om mijn laatste twijfels te vernietigen: de walvis wint, God is dood. In februari voelde ik mij als naar de Athenaeum Boekhandel aan het Spui gedreven en daar pakte ik de zojuist verschenen Nederlandse vertaling van Marcel Prousts Combray op, met de potloodtekening van Wout Muller op de omslag, de donkerharige vrouw die uit de dij van een man oprijst onder de punt van een rode driehoek. En wist mij gered toen ik die nuchtere eerste zin las: ‘Lange tijd ben ik vroeg naar bed gegaan.’ Ik had mijn gouden standaard gevonden.

Arjen Mulder

Arjen Mulder (1955) is bioloog en essayist. In 2019 publiceerde hij zijn liefdesverklaring aan de planten: Vanuit de plant gezien.