Redactioneel
Wat is er leuker dan je verkleden. In een kist duiken en bovenkomen met de kenmerken van een spannende ander? Een hoed, een jurk, een beetje fantasie: meer is er niet nodig om jezelf, je oude, monotone zelf, een mythische glans te verlenen.
Wat is er leuker dan je verkleden? Dat een ander het voor je doet. Dat iemand je opmaakt en kleding aantrekt, met jouw lichaam en gezicht een verhaal bouwt. Dat jij het middel voor de verbeelding van iemands visioen bent. Tot iemands verbeelding spreekt.
En terwijl je jezelf bekijkt, getooid met het verhaal van een visionaire ander, je handen in de verwelkomende zakken steekt, de onmogelijk zachte stof aanhaalt en probeert in bedwang te houden zodat hij de lijnen van het kledingstuk niet verstoort, bekruipt je de vraag: ‘Maar is het kunst?’
Laatst vroeg mijn vriend D. hoe het gaat met mijn werk als schrijver. Ik zei dat het wel goed ging, maar dat ik wel meer geld en erkenning zou willen. Hij knikte begrijpend. ‘Je zou een mooie samenwerking met een groot modemerk moeten binnenhalen.’ D. leidt een heel ander leven dan ik: hij woont in Genève, verdient veel geld en heeft veel vrienden die in de luxe-industrie werken. Hij heeft een collectie horloges die je in zou kunnen ruilen voor een huis in Amsterdam. Ik weet niet of hij zich een voorstelling kon maken van de economische en culturele positie van een Nederlandse schrijver, en hoe ver van de grote modehuizen die zich bevindt. Tegelijkertijd werd ik een bezwaar van een andere orde in mezelf gewaar. ‘Ik ben literair schrijver. Geen copywriter.’ Dat maakte volgens D. niet uit. Modehuizen zijn altijd op zoek naar nieuwe ideeën, juist als ze afwijkend zijn. Er waren toch wel ontwerpers die ik leuk vond? ‘Rick Owens of zo,’ mompelde ik. ‘Nou precies. Waarom stuur je je gedichten niet naar Rick Owens?’
Als mode een kunst is, is het de kunst van het vervormen van de identiteit. Omdat mode betrekking heeft op het menselijk lichaam, heeft het meer invloed op onze fantasieën over onszelf dan andere kunstvormen. Het heeft iets aantrekkelijks om je te hullen in het visioen van een ander, en zo het effect dat je op anderen hebt om te buigen. Identiteit is een last: mode kan die verlichten. Je hoeft jezelf niet te zijn, je kan een postapocalyptische sirene zijn, zoals in de laatste Rick Owens-show, of een zwevend zwart enigma in een creatie van Issey Miyake.
Ik heb lang gedacht dat identiteit iets was wat iedereen had behalve ik. Een innerlijke stem, een ziel misschien, die je vertelde wat je wilde en wat je vond, wat te dragen en wat te zeggen, hoe te bewegen. Iets waardoor de mensen om je heen zeggen: Nu snap ik het, jij bent er zó eentje. Bij mij zeiden mensen dat natuurlijk ook: ik ben vele, vele eentjes geweest. Maar steeds als iemand met een punaise mijn kant op kwam om me vast te pinnen op het een of ander, zorgde ik dat ik de volgende dag als het omgekeerde verscheen. Een sterke persoonlijkheid, zeiden sommigen over mij als kind. Geen persoonlijkheid, wist ik.
Als kind en jonge tiener mat ik me, in woord, uiterlijk en spel, een aantal alter ego’s aan. Ik heb als achtjarige een maand lang verschillende lachen uitgeprobeerd, omdat ik vergeten was hoe ik eerder meestal lachte. Hoog, laag, schaterend? Moest ik eigenlijk wel lachen? Mijn moeder vertelde me onlangs dat ze het dagboek las dat ik als negenjarige sporadisch bijhield. Op een enkele emotionele uitbarsting na (‘ik doe zo mijn best voor iedereen waarom is het nooit genoeg!?’) was dit geen verslag van mijn echte activiteiten of mijn binnenwereld. Ik schreef in een dagboek omdat het me vet leek om iemand te zijn die in een dagboek schreef, zoals de tieners die ik in Amerikaanse tekenfilms zag. Ik probeerde mijn wereld door hun ogen te zien, dus ik schreef over populaire kinderen en jongens op wie ik verliefd was, ook al kwam dat neer op een flinke vervorming van de werkelijkheid. Het was een experiment waarin ik me onbespied waande, en juist daarom kon ik onbeschaamd niet mezelf zijn.
Als volwassene bestier ik twee identiteiten. Ze bestaan vooral in virtuele openbare ruimtes: het internet, het podium, het tijdschrift. In een filmpje of op een foto. Het boek. Wie ik thuis ben of met mijn vrienden, gaat niemand behalve mij en hun wat aan. Tegelijkertijd probeer ik stappen te zetten om mijn identiteiten niet geheim te houden; na een riskante fase in mijn vroege twintiger jaren heb ik het geheime dubbelleven als identiteitsexperiment afgezworen. Hannah van Binsbergen bestaat zo’n vijftien jaar, vanaf het moment dat ik mijn eerste gedichten publiceerde, begon voor te dragen als dichter, en een Facebook-account aanmaakte. Ursula is jonger: ze ontstond toen ik in 2020 als model begon te werken en geen zin had in de mening van anderen daarover. Ik voelde me vrij als Ursula, en niet alleen omdat ze nieuw was. De identiteit van een model wordt gereduceerd tot een set steekwoorden die het bereik van een product aangeven, en dat was een benadering die me uitkwam. Ik hoefde geen consistente persoonlijkheid te performen: juist het vermogen om verschillende dingen te zijn, zolang ze maar aan bepaalde, vrij helder gecommuniceerde standaarden voldeden, voelde hier niet als een zwakte. Niet dat het voor de rest zo emancipatoir was: ik hoef niemand te vertellen hoe er in de mode-industrie met het vrouwelijk lichaam wordt omgegaan. Maar hoewel er eisen gesteld worden aan mijn uiterlijk, kan ik als model vanbinnen precies zo vormeloos zijn als ik me voel. Ik word betaald (meestal niet, overigens) om te transformeren. Door mode.
Doe ik als schrijver hetzelfde? Maak ik gebruik van mijn instabiele identiteit om zonder oordeel verschillende posities in te nemen, composities te maken van woorden zonder dat ik ze langs de meetlat van persoonlijke authenticiteit leg, waardoor ik verder kan kijken? Het is er vast een deel van. Maar wat ik in mijn gedichten en fictie doe, is kunst. Mijn werk als model en de beelden die daaruit voortkomen, zijn geen kunst. Want de modewereld, de wereld waar die beelden voor bestemd zijn, heeft een economische structuur die kunstvijandig is.
Wat ik bedoel met ‘mode’ is niet zomaar de industrie van spullen die dienen om het menselijk lichaam te bedekken en te versieren. Het is een specifieke omgang met die spullen. Kleding is zo oud als de anatomisch moderne mens, en de diversificatie van kledingstukken in een soort symbolische orde waarschijnlijk ook. Mode, zoals ik het fenomeen begrijp, begint daarentegen precies rond de tijd dat kleermakers zichzelf als artiesten gaan zien. Waar tot de achttiende eeuw het ontwerp en de productie van kleding stevig binnen het kamp van de kunstnijverheid geplaatst werd, begonnen er in de late negentiende eeuw kleermakers op te komen die zich van dat ambacht wilden emanciperen, en erkenning zochten voor de mode als volwaardige kunstvorm. Het argument van figuren als de Parijse couturier Paul Poiret was dat ontwerpers autonome scheppers waren, die kunstwerken maakten op basis van de expressie van hun eigen subjectiviteit. Charles Worth wordt vaak genoemd als de eerste kledingontwerper die zijn creaties signeerde, met andere woorden: van een etiket met zijn naam voorzag. Een merkje. Niet veel hedendaagse modeontwerpers nemen het K-woord in de mond, maar er zijn er, zoals Issey Miyake, die zichzelf zonder aarzeling kunstenaar noemen.
Er zijn een paar problemen met zulke proclamaties. Zelfs de meest artistieke expressies binnen het instrumentarium van het modehuis dienen ten minste óók een commercieel doel. Modeshows hebben zich sinds de jaren zestig ontwikkeld tot een soort spectaculaire gesamtkunstwerken, maar uiteindelijk zijn ze niet open voor publiek, maar voor de mensen die zullen bijdragen aan de verkoop van de waren die tentoongesteld worden. De ontwerpers zullen altijd zeggen dat het merk bestaat om de shows te bekostigen. ‘Ik weet niet hoeveel T-shirts we moeten ver-kopen om elk overdreven stuk te financieren dat ik voor de catwalk maak,’ zei Rick Owens in een interview. Maar ik denk dat de aandeelhouders precies het omgekeerde zullen zeggen: het spektakel van de catwalk verleent de T-shirts een aura die je in staat stelt ze voor 900 procent van de productiekosten te verkopen. Beeldende kunst heeft veel van dezelfde problemen als mode wat betreft de banden met de financiële elite, maar binnen de kunstwereld is er een infrastructuur om werken aan een algemeen publiek te tonen. Met de opkomst van visuele massamedia zijn er voor mode mogelijkheden ontstaan om breed gedeeld te worden, maar ook die worden zelden tot nooit zonder winstoogmerk benut. Eigenlijk is het moment waarop een creatie op straat gedragen wordt het enige waarop mode zoiets als kunst in de openbare ruimte kan zijn.
Mode maakt transformatie van de identiteit mogelijk juist doordat het zich niet beroept op heldere maatschappelijke codes. Je kan een kroon opzetten, maar daarmee ben je nog geen koning. Je bent verkleed als een koning. Maar wat betekenen de bitjes in de vorm van het Maison Margiela-logo die modellen tijdens de Parijse modeweek in hun mond droegen? Mode richt zich op het nieuwe: een ontwerp kan naar de symbolische orde verwijzen, maar uiteindelijk is het doel van een nieuwe collectie de introductie van nieuwe elementen in de bestaande orde. Elke nieuwe trend wordt dus gevolgd door een periode van domesticatie: hoe moeten we het nieuwe interpreteren? Wat betekent het om een herenkostuum uit te voeren in stoffen die traditioneel voor vrouwenmode gereserveerd waren? Waar zullen deze nieuwe stijlen vallen binnen het krachtenveld van gender, klasse en subculturen? En zullen ze überhaupt die kans krijgen, of worden ze genegeerd?
Ergens is het belachelijk van een object te vragen functioneel te zijn en tegelijkertijd de beschouwer ervan een vernieuwende esthetische ervaring te bieden. In de wereld van de mannenkleding is ‘gepastheid’ het toverwoord. Aan Lord Beau Brummell, wiens naam synoniem is met dandyisme, wordt niettemin de uitspraak toegeschreven: ‘If John Bull turns to look after you, you are not well-dressed’ (Als Jan Modaal je nakijkt op straat, ben je niet stijlvol gekleed). De kunst is om je verfijnd te kleden, maar altijd met oog voor de norm en de gelegenheid. Niet alles kan op elk moment, daarom hebben we zomer- en winterstoffen, avond- en dagjurken, wandelschoenen en pumps. Juist aan die traditie, die orde, lijkt een einde te komen. Ik zag een video waarin aan jongeren gevraagd werd hoe ze wisten dat iemand niet bij Gen Z hoorde. ‘Als ze mooie kleren aanhebben. Je moet gewoon altijd chill zijn in je joggingbroek,’ was een antwoord. Een flinke generalisatie, natuurlijk, maar wie om zich heen kijkt op een drukke plek, in een winkelstraat, bijvoorbeeld, zal zien dat bijna iedereen sportschoenen draagt. Op welk kantoor wordt nog dagelijks een stropdas gedragen? Nederland is koploper wat betreft informele kleding: je gaat hier zelfs rustig in een spijkerbroek naar de opera. Sterker nog, in een recente campagne van het concertgebouw werd er expliciet benadrukt dat dragers van gympen welkom zijn. ‘The great casualisation’ heet het fenomeen waarin de strikte codes rondom fatsoen en gepastheid van kleding eroderen om plaats te maken voor een comfortabele, praktische dracht (waarin waarschijnlijk des te complexere codes schuilen). Dit is het historische punt waarin mode kan schitteren. Als het praktische nut van alles wat gestructureerder is dan een joggingpak onverdedigbaar is, kan mode zich eindelijk echt emanciperen van het ambacht, en worden wat het al anderhalve eeuw wil zijn: een echte kunstvorm.
Maar dat gaat niet vanzelf. Daarvoor is emancipatie van de markt nodig. Om kunst te worden moet mode een vorm vinden waarin de stukken in de openbare ruimte kunnen circuleren, ongeacht wie het geld heeft om ze te kopen. De beeldende kunsten en literatuur bereiken dit enerzijds door prijzen en subsidies om de productie van nieuwe werken te stimuleren, en musea en gereguleerde boekenprijzen om te zorgen dat die werken toegankelijk zijn voor publiek. Anderzijds is er een volwassen traditie van onafhankelijke kritiek in de beeldende kunst, film en literatuur. Het onderscheid tussen reclame en kritiek is heel moeilijk te maken bij modejournalistiek, en de banden tussen de industrie en de publicaties die erover schrijven gaan zo diep dat er van onafhankelijkheid geen sprake is.
Tegelijkertijd slaat de meest kritische modejournalistiek de plank mis wanneer ze het perspectief van publiek bij een modeshow inneemt. De echte interventie, de echte esthetische ervaring van het modekunstwerk ligt niet in het bekijken van een ander die het stuk draagt, maar in het zelf aantrekken van de vermomming, en vanuit dat perspectief kijken hoe je omgeving op je reageert. Hoe de theatraliteit uitpakt, de transformatie naar het mythische. Er moet een manier zijn waarop iedereen die dit wil ervaren, dit ook kan. Ik ben ervan overtuigd dat die tijdelijke identiteitsverandering het object is van het verlangen naar nieuwe goedkope kleding, met al zijn catastrofale gevolgen voor planeet en werker. De echte uitdaging voor een ontwerper zou zijn om iedereen die dat wil te kleden als de dragers bij uitstek van hun visie, in plaats van alleen modellen die al binnen hun esthetiek passen. Een aankoop is in deze benadering van mode onzinnig. Wie draagt er twee keer dezelfde vermomming? Voor je het weet wordt het een identiteit. En hoewel je ongetwijfeld mensen kunt vinden die elke dag een levende sculptuur willen zijn, zullen de meesten van ons liever chill onze joggingbroek dragen, om heel af en toe te transformeren. Net als dat er mensen zijn die dat laatste nooit zullen willen.
Het geeft een machtig gevoel wanneer anderen iets in je zien wat niet ‘in je’ is, maar voornamelijk ‘aan je’. In een studio vol mensen je lichaam en gezicht zo plooien dat het een beeld vormt dat tot de verbeelding spreekt. Misschien kan het ooit kunst worden. Wanneer de fantasieën waar de beelden toe leiden niet gaan over kopen en bezitten. Dromen van menselijke verandering, geen dromen van winst. ¶
Verhaal
We hadden nergens om naartoe te gaan
Essay
Diefstal
Beeld
Shifting Sitting
Poëzie
—
Verhaal
De Ongetikte
Essay
Witte wieven
Verhaal
Alle water
Beeld
Submerged Heritage / Verzonken Leven / Soengoe Kondre
Verhaal
Met wie spreek ik
Poëzie
Eros
Essay
Poor Little Rich Girl
Poëzie
Sterfgebed
Verhaal
Hún Houzee werd een Heil
Essay
De antwoorden
Poëzie
Bijna weg
De vrouw die Japans wilde leren
Essay
Oostersch. De soefische poëzie van J.H. Leopold
Stripverhaal