Honderd jaar geleden stierf de dichter J.H. Leopold (1865—1925). Hij was een ongrijpbare persoonlijkheid, misschien in de eerste plaats voor hemzelf. Leopold, onvrijwillig vrijgezel, leraar Klassieke Talen aan het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam terwijl hij eigenlijk hoogleraar had willen worden, pianist en muziekliefhebber die stokdoof werd, had vele redenen om zich ongelukkig te voelen. Zijn vaak moeilijk toegankelijke poëzie vond weliswaar weerklank in kringen van liefhebbers, maar het duurde lang voordat hem de erkenning ten deel viel waarnaar hij zo verlangde. Paranoïde en vereenzaamd stierf hij kort na zijn zestigste verjaardag, nu een eeuw geleden. Aan het einde van zijn leven werd hij door velen beschouwd als een van de grootste dichters uit de literatuurgeschiedenis van de Lage Landen, en die reputatie heeft standgehouden, zij het dat zijn werk alleen nog door verstokte poëzielezers wordt gekoesterd. Het bekendst is misschien zijn lange gedicht Cheops (1915), waarin de Egyptische vorst zich na zijn dood gelaten terugtrekt in zijn met inmiddels verouderde symbolen versierde grafkamer.
Leopold was permanent op zoek naar wijsheid om zich staande te kunnen houden. Aanvankelijk vond hij vooral steun en inspiratie bij rationele denksystemen als die van Spinoza, de Stoa en het epicurisme, maar in de laatste tien jaar van zijn leven verdiepte hij zich in de mystieke poëzie uit de Perzische en Arabische traditie, zoals die van Hafiz en Omar Khayam (1048–1131; de spelling is die van Leopold). De aan deze laatste dichter toegeschreven Rubaiyat, een omvangrijke verzameling kwatrijnen, was in de tweede helft van de negentiende eeuw in Europa enorm populair geworden dankzij een vertaling van Edward FitzGerald.
Leopold kwam er na 1915 nauwelijks meer toe om eenmaal begonnen gedichten af te maken, dus zijn nalatenschap bestaat vooral uit een onafzienbare reeks schetsen, probeersels, steeds nieuwe aanzetten tot iets wat maar geen geheel wilde worden. Maar hij slaagde er wel in een paar bundelingen van gedichten te voltooien die hij Oostersch noemde. Daarin bevinden zich nogal wat kwatrijnen in de stijl, vorm en sfeer van Omar Khayam. Het zijn licht ironische verzen waarin de spreker zich realiseert dat hij uiteindelijk niets van de wereld begrijpt en dat zijn verlangen naar vereniging met een Geliefde — die misschien God is — in dit ondermaanse onvervuld moet blijven:

Ons blijven is vervuld van harteleed,
van raadselen, waarvan geen wijze weet
het in of uit, en evenwel ons scheiden
is aarzelend en nimmermeer gereed.

Het universum is ondoorgrondelijk, God is onherroepelijk elders, de mensen zijn dom, alles wat we doen is vergeefs, maar dat wil geenszins zeggen dat het bestaan alleen maar een tranendal is. Er is schoonheid, er is liefde, de levensdrift valt moeilijk te negeren, dus het kan geen kwaad zo nu en dan de roes op te zoeken, of het nu in wijn is, in muziek of in seks:

De kan gevuld… en vorst Mahmoed regeert,
de harpe klinkt… en David psalmodeert,
wat was, wat zijn zal, wil er niet om geven,
geniet wat is; een dwaas wie meer begeert.

Om Leopold te eren hebben we drie dichters gevraagd elk een reeks van vier ‘oostersche’ kwatrijnen te schrijven. Sholeh Rezazadeh, die is opgegroeid met de Perzische poëzie, houdt vast aan de strofische vorm van Omar Khayam. Emma Crebolder lijkt aansluiting te zoeken bij de laconieke atmosfeer van Japanse haiku, een traditie die onmiskenbaar raakvlakken heeft met de soefische mystiek. Asha Karami neemt alle vrijheid om te laten zien dat de door Leopold nagestreefde wijsheid waarschijnlijk een illusie is.


Sholeh Rezazadeh

kom we gaan op de schouders van de bergen staan
naar de vogels luisteren, de bomen verstaan
morgen mag je stil liggen, blind en doof
morgen, wanneer jij en ik niet meer bestaan

in een stad vol dolende grachten
verlang ik naar een druppel tijd
om buiten mijn bubbel, mijn gedachten
te ademen en op de zeeën te wachten

als een droom, een gedurende niets
blijft zelfs je glimlach vol van niets
maar je lacht en er bloeit een hyacint
van de lente in ons ruik ik maar niets

als meeuwen die om de zee zweven
en de smaak van de visjes beleven
zonder te weten van de diepte van de zee
zweef je rond me, me nooit begrepen



Asha Karami

fuck your english

titel rel, maar ben geen dichter, alleen getuige, hier
was de duivel gisteren, bloedrivier rijmt op rivier
O,
outlawed women, nacht stolt in naam

het ruikt naar zwavel (precies) hier. amen,
komt omdat aviv in hebreeuws lente
betekent, symbool voor wedergeboorte
wordt aangebeld om 2 uur ’s nachts is mam

ik zoek plek voor haar om te slapen. joh,
ik deed maar wat, vaal en krom. ouderdom glanst
een bijl een zwaard schitteren in de hand
wordt aangebeld iets van 5 uur ’s nachts is O.

details intensiveren: kind in de kelder, kind
in kist. sporen van google-wash, juridisch half
gewist. meneer tolt zintuiglijk met taal
look lower, ze kijkt, naar beneden



Emma Crebolder

Het sneeuwde licht. Geen spoor van vos of mens.
Mijn haren lang en los en zo wit
als de vallende vlokken. Ik bleek
weer op pad met warme gembercake.


Gedeeld: trosje druiven — gedachtengoed —
kleinood van ver meegebracht — zuigtablet.
Mij vloerde potje Pelikaan vulpeninkt
door de ander niet zo lijfelijk getint.


De solitair treedt binnen mijn gezichtsveld.
Prevel tamme kastanje met geveerd
blad. De bolster zal breken en zien dat
je schalen ’t glanzen niet hebben verleerd.


Ik vond eens bij laag water in een oceaan
het zeejuweel Ovula ovum L. geheten
sinds 1758. Hij laat zich omhullen
in mijn hand. De schelpenlippen krullen.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en redacteur van De Gids. Zijn meest recente dichtbundel is Niets dan dit. Een lijflied voor de ziel (2023), die ook integraal gestreamd kan worden via de gebruikelijke kanalen.

Meer van deze auteur