Redactioneel
Opnieuw heeft mijn leven een merkwaardige wending genomen en als ik de uitdrukking op jullie gezichten zo zie, merk ik dat het jullie ook verrast heeft.
Ik weet niet hoelang het geduurd heeft voor ik hier terugkeerde, mijn tijdsbesef is erg troebel deze dagen en er lijkt iets met mijn geheugen te zijn gebeurd. Zoals jullie weten ging ik de berg op — God, hoelang geleden is dat nu? — om Amina te zoeken, die heb ik niet gevonden, kan ik jullie vertellen, maar ik heb duistere vermoedens die ik zo met jullie zal delen, als mijn geheugen me niet in de steek laat. Je zou denken dat het me een paar uur heeft gekost om weer terug in Taylalin te komen, maar het duurde langer, vermoed ik, want veel gezichten herken ik niet. Hoewel… ik durf niets meer met zekerheid te zeggen. Telkens als ik op mijn terugreis naar Taylalin op een bepaald punt kwam, moest ik mezelf eraan herinneren waarom en hoe ik daar was beland. Het bleef volstrekt onduidelijk waarom ik opeens in een kustplaatsje tussen de vakantiegangers en verliefde stelletjes over de promenade liep alsof ik alle tijd van de wereld had. Soms hing ik een tijd rond tussen brokken massief gesteente in de woestijn, die overigens gemene streken met me uithaalde, want telkens als ik dacht dat er een einde aan kwam, leek hij zich verder uit te strekken. Ik probeerde de gekko’s te volgen maar die renden van hot naar her, vluchtend voor gespletenheid, voor desoriëntatie. Ik ben zelfs op plekken gekomen waar geen ziel meer was. Eenzaamheid is mij niet vreemd, maar hier was ik echt helemaal alleen en begon ik me rusteloos te voelen, vrezend dat ik te ver was afgedwaald en de weg terug niet zou vinden.
Ik ben maar gaan lopen wanneer ik daar behoefte aan had en als een plek me beviel bleef ik er rondhangen. Zo ging het. Na een tijd begon ik geregeld mensen tegen te komen die ik in geen jaren had gezien en dan zeiden ze: Doe die en die de groeten als je hem tegenkomt, en dan beloofde ik dat — uit beleefdheid, want ik had geen idee over wie ze het hadden. Ik wist alleen dat ik onderweg was naar jullie, naar ons dorp, om te vertellen wat ik had gezien toen ik Amina achternaging, het bergterras met de graafmachines en grijperzagen op, om te kijken waar ze bleef. En zodra ik mijn verhaal heb gedaan, trek ik door, want ik heb het vermoeden dat ik bij jullie niet meer welkom ben.
Laat me eens naar jullie kijken. Het doet me goed te zien dat jullie nog niet onder het puin bedolven zijn. Ons wordt dus nog wat tijd gegund, hoewel ik vrees dat geen van jullie nog de berg op durft om die schoften de schrik van hun leven te bezorgen. Wacht totdat je onder stenen ligt. Als ik het zo zie is niemand de berg op gegaan. Er was een tijd waarin dat kon, toen waren we met meer. We pakten een paar metalen staven en plantten die in de bomen. Zo ging het. Rond de tijd dat ik hierheen verhuisde telde Taylalin achttien vrouwen. Zoals alle anderen verliet ik de stad omdat er geen werk te vinden was. De meesten trokken naar de grotere kuststeden, terwijl een veel kleinere groep, waar ik bij hoorde, zijn heil zocht in het binnenland dat we uit onze jeugd kenden. Dat was voordat de hoofdweg werd aangelegd, toen we nog aan de weg van alles verkochten aan reizigers die langs de Slang hun doorreis maakten naar de berg, maar toen de nieuwe snelweg was geopend, verdwenen de reizigers en daarna de inwoners. Ze zeiden dat het water van de Slang niet meer te drinken was. Sommigen hadden geluk, die kenden hier en daar iemand, vertrokken met de dageraad en lieten ons achter, verbetener dan voorheen. Maar wij hadden nergens om naartoe te gaan en dus saboteerden we de machines door die staven in de bomen te planten, in de hoop dat de aarde en de rotsblokken daarboven niet op ons neer zouden donderen. Op een gegeven moment verdwenen ze. Opleggers reden de berg op en laadden de machines. De borden op het terrein verroestten, de hekken werden gesloopt door de kinderen die de kaalslag gebruikten als speelplaats.
De zomer van Amina’s verdwijning waren ze opnieuw op de bouwplaats verschenen. Een hevige zuiderwind die door de vallei blies was eindelijk gaan liggen en de angst voor het vuur dat ons midden in de nacht zou verrassen week. Sommigen pakten hun ploeg en liepen richting de brug over de Slang naar de akker. We waren zo opgelucht dat het gevaar was geweken dat het even duurde voordat we doorhadden wat zich op de berg afspeelde. Vanaf de berg klonk een zaag, gevolgd door een dreun, alsof er een reus viel, en toen nog eens, het aanzwellende klaaglijke geluid van het metaal, en weer viel een van de hoge cipressen. Toen keerde de rust weer, verzadigd, en de stilte vulde zich met gefluister uit het dorp, gefluister dat niet aanzwol of wegstierf, maar in de nacht een zee werd van stemmen. Uit het gefluister viel niet op te maken wat er gezegd werd, dus werd de zee angstaanjagend. Het eerste wat aan het gefluister ontsteeg was de stem van Amina. Ze klom op een krat dat midden op het plein was geplaatst en hield haar toespraak en iedereen klapte, en nadat ze had aangegeven dat zij ging kijken wat zich daar bij die machines afspeelde, ging iedereen naar bed. De dageraad klaarde de weg naar de berg. Er werd een auto voor haar deur geparkeerd waarmee ze naar de kaalslag zou rijden.
Maar voordat ze vertrok kwam Amina naar mijn huis. Maak je klaar, zei ze, als ik niet terug ben binnen vier dagen, volg je me, en voordat je komt stel je de volgende aan. Na twee dagen was ze nog steeds niet terug. Ik heb toen een paar oude gewoontes weer opgepakt, begon te roken en tarotkaarten te leggen. Bij elke legging verscheen de dood. Ik wachtte en schudde de kaarten, spreidde ze en daar was ie weer.
De ochtend van mijn vertrek sloot ik me niet aan bij de ploegers. Omdat niemand naar me kwam vragen wist ik dat iedereen al op de hoogte was. Ik pakte in wat ik voor de reis nodig had, gooide de tas in de auto en liep naar het weeshuis.
Vanaf de geasfalteerde weg loopt er maar één onverhard pad naar Taylalin. Als je vanuit de stad landinwaarts rijdt, weet je alleen dat er mensen wonen doordat er brievenbussen op scheefgeslagen palen langs de weg staan, als een stel onhandelbare kinderen voor een schoolportret. Te voet duurt het zo een halfuur om Taylalin te bereiken en het eerste wat je tegenkomt is de oude barak. Dat is waar de wezen wonen.
Het weeshuis bestaat uit twee grote ruimtes, de slaapzaal en de leeszaal. Er wordt buiten onder een afdak gekookt en het gebouw heeft aan beide kanten een ingang. Eén ingang is bereikbaar vanaf de oprit, de andere is onbereikbaar, omdat het stuk grond dat daar zat naar beneden is gestort. Als je door die deur loopt tuimel je de Slang in. Hoewel de kinderen goed voor zichzelf kunnen zorgen, blijft zuster Theotima bij ze. Ze kan niet veel voor ze doen, na een brandincident door een bombardement werden haar onderarmen vervangen door haken, toen door metalen handen. Maar ze liet de wezen niet in de steek zoals alle andere nonnen wel deden. Zuster Theotima zegt voor de kinderen te zorgen maar het lijkt erop dat de kinderen door haar niet weg kunnen. Zo gaan de dingen in Taylalin, zo gaan ze al zo lang dat niemand meer weet of zuster Theotima en de wezen onder de levenden of onder de doden zijn.
Ik nam de ingang naar de leeszaal en groette zuster Theotima, die dromerig uit het raam zat te staren. Zuster Theotima is de enige non die ik ken en ze is altijd elders met haar gedachten. Een keer vroeg ik haar wat haar zo bezighield en toen zei ze dat ze aan nostalgie leed. Ik vroeg haar waarnaar. Ze zei: Ik had zo graag gewild dat ik ergens op één punt in de tijd stond in plaats van overal tegelijk. Dat is vermoedelijk ook de reden waarom ze nooit verbaasd lijkt als ik en soms Amina haar en de wezen bezochten in het weeshuis. Toen ik het weeshuis binnenliep leek zuster Theotima al op mij te wachten. Daarna groette ik de wezen. Zo’n vijftig nieuwsgierige kopjes keken op uit het boek dat voor hen lag. Ik vertelde ze wat Amina mij had verteld en gaf ze de opdracht om mij op te sporen als ik langer dan twee dagen wegbleef.
Hierna liep ik terug naar de auto en reed met de ramen open langs de akker. Een geluid als het gekraak van gewrichten ontsteeg aan de groeven en de gezichten van mijn dorpsgenoten, die me geluk wensten, zweefden spookachtig in de nevel. Bij de geasfalteerde weg keek ik uit gewoonte in de brievenbus. Er lag een brief in van iemand die ik niet meteen kon plaatsen, ik moest heel lang nadenken voordat ik me realiseerde dat het dezelfde Dihya was die me ruim veertig jaar eerder over het dorp had verteld. Toen woonde ik nog in de stad en was net ontslagen bij de gemeente. Dihya schreef dat haar oude moeder was gestorven (ze had ‘eindelijk’ erbij geschreven en weer weggekrast) en dat ze op het punt stond om ontslag te nemen bij de nachtclub waar ze werkte om zich bij ons te voegen en of ze een tijd bij mij kon verblijven. Ik vond het een vreemde timing en wilde haar terugschrijven dat ze het beter kon laten. Zodra ik terug ben, dacht ik, en ik hoop dat ik dat snel ben, laat ik Dihya weten dat ze in het krot van haar moeder moet blijven wonen, als de wijk niet al met de grond gelijk is gemaakt.
Ik reed de weg op en nam na een paar minuten de afslag naar links. Vanaf daar liep een pad steil omhoog. Ik negeerde een hek met een bord dat aanduidde dat het een doodlopende weg was, tilde de wegversperring opzij en reed naar boven tot een klein plateau tussen de bomen. Daar parkeerde ik de auto uit het zicht en vervolgde mijn weg lopend. De zon bracht licht in overvloed en damp begon van de grond en de bomen op te stijgen. Ze gloeide vriendelijk, de zon, en warmde de berghelling op. Maar binnen korte tijd zou ze de wereld terug in haar binnenste opsluiten en zou het verdomde moeilijk worden om normaal te ademen. Ik klom tot aan het hek van het bouwterrein. Daarachter klonk het gebrul van de machines. Tussen het geronk van motoren hoorde ik het geroep van mannen, mannen uit de stad, dezelfde aan wie we eens per week in de krottenwijken onze groenten voor de laagste prijzen verkochten. Versleten mannen die naar ons dorp afdaalden om bij Sin te eten en die ons vanuit hun voertuigen misprijzend en vol walging aankeken omdat we meerdere keren hun machines hadden vernield. Het enige wat ze ervan weerhield om wraak te nemen was de angst voor hun werkgevers — mensen die we nooit zagen, van wie we niet wisten hoe ze heetten en vanaf welke helse plek ze onze vallei bestuurden.
Ik keek toe hoe het hek openging en een groep houthakkers naar buiten slofte. Ze liepen in tegengestelde richting de helling af en verdwenen uit het zicht, hoewel ik ze vanaf mijn plek nog steeds kon horen. Voorzichtig stond ik op en liep naar het hek, het terrein op, langs de torenhoge stapels gekapt hout, tot aan de kazernen. Het was er nagenoeg uitgestorven, de machines waren stil. De geur van benzine bezorgde me hoofdpijn. Ik liep achter de opgestapelde stammen langs, naar de stortplaats waar alle restanten werden gedumpt. Daar zag ik de auto van Amina staan, de deuren stonden wijd open en het dak was aan de voorkant met zo’n kracht ingedeukt dat er alleen nog maar splinters van de voorruit over waren. Ik weet niet meer precies wat ik zag, ik kon er niet bij met mijn hoofd maar ik hapte naar adem, een paar keer, misschien verliet ik toen mijn lichaam, wie zal het zeggen. De auto was leeg. Er was helemaal niets behalve het plotselinge besef dat ik niet alleen was en dat ik dat al die tijd niet was geweest. Terwijl ik zo goed als dat ging bergafwaarts rende, terug naar de auto, hoorde ik takken achter me breken. Ik hoorde een soort fluit, keek op en het laatste wat ik zag waren de gierzwaluwen die in een duizelingwekkende vaart in de richting van het terrein doken. En dat was alles. Alles keert terug maar nooit op dezelfde manier, zal ik maar zeggen. Eet vooral je lunch, hoor, let niet op mij. Ik zie dat dit alles jullie koud laat, wat ik vertel, of misschien ben ik mijn vaardigheid in het spreken in de tussentijd verloren. ¶
Essay
Diefstal
Beeld
Shifting Sitting
Poëzie
—
Verhaal
De Ongetikte
Essay
Witte wieven
Verhaal
Alle water
Essay
De kunst van het veranderen
Beeld
Submerged Heritage / Verzonken Leven / Soengoe Kondre
Verhaal
Met wie spreek ik
Poëzie
Eros
Essay
Poor Little Rich Girl
Poëzie
Sterfgebed
Verhaal
Hún Houzee werd een Heil
Essay
De antwoorden
Poëzie
Bijna weg
De vrouw die Japans wilde leren
Essay
Oostersch. De soefische poëzie van J.H. Leopold
Stripverhaal