Voor de literatuur is 1922 een magisch jaartal. Op 2 februari verscheen Ulysses van James Joyce, op 18 november overleed Marcel Proust, kort nadat hij de laatste hand had gelegd aan zijn zoektocht naar de verloren tijd. In de tussenliggende maanden voltooide Rainer Maria Rilke zijn Duineser Elegien en zijn Sonette an Orpheus, publiceerde T.S. Eliot zijn (door Ezra Pound geredigeerde) The Waste Land, verscheen Wittgensteins Tractatus, kortte de antropoloog sir James Frazer zijn levenswerk, The Golden Bough, in tot een handzame editie en kwam Virginia Woolf met haar eerste experimentele roman, Jacob’s Room. Al deze werken kunnen op de een of andere manier in verband worden gebracht met wat we modernisme zijn gaan noemen. Hoe men dat concept ook definieert, het is onmiskenbaar dat de periode die begint met Rimbaud en Mallarmé en culmineert in 1922 het aanzien van de literatuur, maar ook van het denken over taal, traditie en religie, grondig heeft veranderd. De oude wereld was kapot, men moest op zoek naar een nieuwe, maar in hoeverre kwamen de brokstukken uit het verleden nog van pas? En behoorde conceptuele coherentie nog tot de mogelijkheden?

Het modernisme manifesteerde zich niet alleen in literatuur, maar ook in film, beeldende kunst, design (De Stijl), architectuur (Bauhaus) en muziek. Hoewel het begon als een Europese beweging, was de internationale uitstraling groot; zo werd er al in 1922 een expositie aan Bauhaus gewijd in Calcutta.

In 2022 staat De Gids, als literair tijdschrift,stil bij het mythische jaar 1922 door in ieder nummer een hedendaags auteur aan het woord te laten die direct of indirect, kritisch of met instemming, reageert op de modernistische traditie.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. Begin 2021 verscheen zijn dichtbundel Ontbinding.

Meer van deze auteur