We vlogen over de woestijn. In Las Vegas zou een gala gehouden worden ter ere van zijn gulle giften aan kankeronderzoek. Normaal gesproken zou hij daar geen weekend voor uittrekken, maar hij hield van de parodie van rijkdom die Las Vegas bood, de schrille droom van arme mensen. En het gaf hem tijd met Vera. Ik had haar opgehaald van een ander gala en ze lag nu achter ons te slapen in een gouden avondjurk, haar lange haren als een gordijn voor haar gezicht. Ze doezelde altijd weg in de lucht. Gouden lichtvlekjes, de weerkaatsing van de pailletten op haar jurk in het licht van de displays, speelden op het controlepaneel. We vlogen hoog, rond de 8000 voet, want ik wilde geen zand in mijn rotoren.

In die tijd legde ik de 270 mijl tussen Los Angeles en Las Vegas af in nog geen twee uur. Precies zoiets wat nu volslagen idioot klinkt, terwijl het zo lang nog niet geleden is. Die naadloze snelheid in alles was heel lang de normaalste zaak van de wereld. Je kon echt boven een woestijn vliegen en de sterren zien. Je kon vliegen. Hyssop kon vliegen, ik was zijn gevleugelde knecht.

Hyssop was een goedgemutste copiloot. De Koala was zijn oogappel, hij verkoos haar altijd boven praktischer, stiller vervoer, hoewel hij allerminst een patser was. En ik hoorde bij de Koala.

Vera was zijn jongste maîtresse ooit. Een model. De jaren sinds haar verschijnen hadden haar in mijn ogen mooier gemaakt, maar als ik mijn interne beeld van haar opriep, zag ik haar steeds zoals de eerste keer, lang bruin haar dat alle kanten op vloog, spillebenen onder haar korte jurk, haar armen om zichzelf heen geslagen, niet zeker wat een veilige afstand was.

De meesten slaagden er niet in om jarenlang zijn aandacht vast te houden. Hij waardeert zijn personeel om wat ze voor hem kunnen doen, en hij noch zij maakten zich illusies over hun rol in zijn leven. Als ze niet meer deden waar ze eens om uitverkoren waren – de hartslag lichtjes opvoeren, zijn mondhoeken omkrullen, zijn gedachten uitdoven met hun sterkere licht – werden ze gedegradeerd tot ornamenten, om vervolgens te verdwijnen, hun stilte gekocht met de praktische luxe van een appartement in Silver Lake en een lullig maar lucratief baantje als assistent van een assistent.

Vera had iets losgemaakt. Ze was geen versiering. Haar schoonheid ging verder dan een goed gelukt uiterlijk, het was een gevoel waarmee ze haar omgeving aanstak. Een warme adem. Ze wist dit en ze wist dat Hyssop voorlopig aangestoken zou blijven, maar de betovering moest bij elke ontmoeting vernieuwd worden, met nieuwe kleren en ingestudeerde gebaren. Maar toen sliep ze en verbeeldde ik me dat ik haar adem kon horen. Haar hoofd steunde lichtjes tegen de diagonaal van de gordel over haar schouder. Hyssop raakte mijn arm aan.

‘Zie je dat?’

Ik dacht eerst dat het de pailletten waren, weerspiegeld in de ruit. Onder ons lag het Mojave National Preserve, kilometers woestijnland met hier en daar een spookstad. Iets ten westen van ons lag een cluster van lichtjes.

‘Is daar een basis of zo?’

Hyssop probeerde altijd indruk op me te maken met militaire verwijzingen. Het gaf me een vreemd gevoel. Zijn verlangen om door mij serieus genomen te worden als iemand die verstand heeft van die dingen, plaatste me boven zijn andere personeel. Het was soms alsof hij mijn vriend wilde zijn. Voor hem was ik een man, misschien meer man dan hij. Misschien dacht hij dat ook wel echt, wie weet. Net als iedereen noemde hij me Em.

Ik fronste. ‘Volgens de satelliet zou daar niks moeten zijn. Ivanpah ligt een stukje verder, daar is een generator. Misschien dat het daar iets mee te maken heeft.’ Maar dat was het niet. De lichten vormden geen lijnen, maar lagen in clusters van variërende dichtheid min of meer rond een centraal punt. Het ordenende principe was geen ontwerp van hogerhand, maar de historische, contingente organisatie van menselijke behoefte. Het was een stad, of in elk geval een nederzetting. Toen, terwijl we keken, knipten de lichten uit en was er alleen de donkere woestijn onder ons.

‘Zag je dat? Merkwaardig!’

‘Wilt u dat ik wat dichterbij kom, meneer?’

Hyssop leek het te overwegen, maar bedacht zich. ‘Nee, anders komen we te laat. Marina, weet je wel.’

Stof is het kleinste en het grootste, omdat er niet meer is; alles is, dichtbij genoeg bekeken, stof. Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren: dat stond op de poort naar het kerkhof waar mijn grootouders lagen. Het bleef haken: stof zijt gij. Maar hoe kun je wederkeren tot iets wat je al bent? Stof was voor mij als kind het grijze pluis onder de bank en de bekleding van de bank. Mijn ouders huurden mensen in om zich met stof te bemoeien. Elsa, Hafize, Leshuve en andere vrouwen na hen, toen ik het huis uit was, stoften, zogen, dweilden en poetsten. De kleermaker twee straten verder bemoeide zich met die andere stof, en duizenden mensen in landen ver weg die voor ons nooit gezichten of namen zouden krijgen. Zij zaaiden en oogstten het katoen, hoedden en schoren de schapen, smolten de PET-pellets en persten ze tot draden, verfden die draden, weefden die draden op automatische weefgetouwen, vervoerden die lappen, sneden patronen, stikten die patroondelen. Het is hetzelfde, in losser of vaster verband gerangschikt: kleine draadjes afkomstig van dieren en planten, schilfertjes plastic, huid.

Ruth van Beek

Tijdens de uitzending naar de Stoflanden kreeg stof een andere betekenis. Waar het huisstof was als een vriendelijke bejaarde, wiens grootste zonde was dat hij soms vies rook en ons herinnerde aan het verval dat ons te wachten staat, was het stof daar sinister, alomtegenwoordig, dodelijk, als de vijandige god van een vreemd land. Mijn ploegmaten deden schamper over de mensen die we evacueerden. Ze hadden ruim vijftien jaar de tijd gehad om zich ergens anders te vestigen en de omgeving was letterlijk onleefbaar, toch moesten we er een paar hun huizen uit sleuren. Alles wat ze hadden was waardeloos en kapot, maar het was alles wat ze hadden. Ze klitten aan elkaar, hielden elkaar vast, kleine, kromme mensen tussen de gemaskerde gestalten van de soldaten. Het stof was deel van hun lichaam geworden, hun huid, haren en ogen hadden allemaal dezelfde tint.

Het zat me dwars. Als zij in het stof wilden verkommeren, wie waren wij dan om ze uit te graven? Ze hadden waarschijnlijk best een idee van hoe het leven in de Rand eruitzag, wat voor huizen ze zouden bewonen en het werk wat ze geacht zouden worden te doen om voor die huizen te betalen. Het was niet goed leven daar, maar je kon ademen. Een mens heeft lucht nodig, lucht, lucht, lucht. Ze droegen doeken voor hun gezicht, hadden schermen rond hun huizen gebouwd, en het stormde niet altijd, er waren perioden van soms wel weken dat het rustig was. Misschien kon je zo leven. Niet lang waarschijnlijk, maar niemand had hun gevraagd of ze gered wilden worden van hun eigen leven.

In alle steden ging het zo. Twee hotels, twee suites, twee landingsplaatsen. Hyssop zei niks meer over wat we in de woestijn hadden gezien, ik nam aan dat hij het vergeten was. We zetten hem af bij het Four Seasons, waar Marina en hun kinderen hem opwachtten om naar de receptie te gaan. Vier uur tot Vera moest verschijnen op het maîtressegedeelte van de avond. Ze boog naar voren en aaide mijn dij. Ik weet nog dat ik opgelucht was.

Onze levens leken op elkaar, waar onze lichamen dat niet deden: de rigiditeit van de regels die we naleefden, die in onze lijven getrokken is, de beklemming die ons hielp de discipline vol te houden. Sit-ups, koude douches, zorgvuldig gelogde macro’s, non-agressieve stilte en beleefdheidsfrases in bijzijn van de klant.

We vreeën niet vaak, en altijd vóór hem, wat me het idee gaf dat de opwinding die ik haar bezorgde deel was van mijn werk voor hem, als wegbereider voor zijn genot. Ik waste haar haren als we samen onder de douche stonden. Ik hielp haar in de pittige ensembles die hij voor haar uitzocht – elke keer wat anders, maar altijd doorzichtige lagen met plooien die de scherpe hoeken van haar lichaam verzachtten – reeg haar in korsetten, klikte haar jarretelles vast. De handdoeken die we op het bed hadden gespreid om vlekken te voorkomen, bracht ik naar de waskamer, op weg naar de chauffeursvertrekken.

Terwijl ik daar zat te kaarten en roken met de jongens en een enkele andere vrouw, speelde altijd dezelfde gedachte in mijn achterhoofd. Hij weet het. Hij weet het en het kan hem niet schelen. Hij weet het en wacht het moment af om me te vernietigen. Maar hij wist helemaal niks, en ik ook niet.



Vera en ik werkten met ons lijf. Het mijne zag er ook uit als een werklijf, gespierd en breed, gemaakt om te dragen. Want veel, veel meer dan vechten moet een soldaat dragen. Het uniform is een draagbaar warenhuis, meer zak dan pak, met overal hengsels en haken om materieel aan te bevestigen. De meeste training is dan ook leren lopen, kruipen, springen met dertig kilo aan bepakking. De uitrusting is alles, en daarom is het protocol alles. Dat is de rest van de training: dingen in en uit elkaar halen, dingen inpakken, jezelf incluis. Je leert denken in lijsten: elke taak breek je op in een aantal lijsten in een vaste volgorde. Werk alle punten af en je hebt je taak volbracht. De taak zelf is ook een element op een lijst, bijvoorbeeld de lijst van handelingen die elke dag gedaan moeten worden, welke weer op een lijst staat met dingen die gedaan moeten worden. Dagelijks, wekelijks, maandelijks, in geval van nood, bij officiële gelegenheden, op een missie (dat was nog steeds mijn term voor als ik langer met Hyssop van huis was), in aanwezigheid van superieuren. Werk alle relevante lijsten af en je hebt een dag. Tijd voor rust en schaft. Ik ben een geboren militair, want ik kan enorm goed stilstaan. Ik hoef mezelf nauwelijks te forceren om een steen te worden. Mijn gezicht keert na elke communicatieve uiting (nooit meer dan nodig) terug naar een neutrale uitdrukking, onpeilbaar.

Ik wist nooit of Vera door me heen keek of me doorzag. Ze was vreselijk om van te houden. Zij kon natuurlijk alles in haar ogen leggen wat ze wilde. Haar blikken en gebaren waren altijd doordacht, altijd op effect uit. Ze was niet parttime. Maar ik ook niet. Wat weet ik eigenlijk van haar? Geboren in 2010 in Londen. Da-gen-ham. Steenbok. Broer(s). Moeder schoonmaker, vader werkeloos. Gescout op haar veertiende, naar New York verhuisd op haar achttiende, naar LA op haar drieëntwintigste. Bruin haar bruine ogen. 1,76, heupomvang 86. Nee 88. Houdt niet van paprika. Eet geen geraffineerde suiker.

Terwijl ik dit schrijf weet ik wie ze nu is en dat maakt het vreemd. Wie ze nu is, is mij vreemd. Ik heb haar slagkracht toen nooit gezien, omdat ik leiders kende als mensen naar wie feilloos geluisterd wordt, niet als mensen die zelf hun oor te luisteren leggen. Vera’s uiterlijk maakte al het andere aan haar onzichtbaar. Zo kon ze alles doen.

Zij wist veel eerder dan ik dat de verbonden die we toen sloten beslissend waren, en ze had haar keuze in het geheim gemaakt, ongetwijfeld jaren eerder al, terwijl het nog jaren zou duren voordat ik begreep dat zij het was geweest die hem vermoord had en zijn miljoenen meegenomen naar het Stof. De lichtjes in de woestijn, de lichtjes van haar jurk: bakens van menselijk willen in een entropisch woeden.

Misschien dat er ergens in Nergenshuizen nog een van haar posters hangt uit die tijd, Fathom by Cazenave. Vera in paars licht, de stof van haar jurk in glanzende plooien om haar opgetrokken benen, haar armen om zichzelf heen geslagen, haar blik naar buiten het kader, denkend, alsof haar iets begint te dagen. En de wind die aan haar randen likt, het stof dat haar trekken wegbijt.

Hannah van Binsbergen (1993) publiceerde de dichtbundel Kwaad Gesternte (2016) en de roman Harpie (2020). Momenteel werkt ze aan een tweede roman.

Meer van deze auteur