‘and off towards the sea I swooshed orange spine and silver tail’
– Claire-Louise Bennett, Checkout 19

We worden niet braaf geboren. Nee. Nee natuurlijk worden we niet braaf geboren. Het kost ze vijf tien twintig jaar om ons te temmen. Tien jaar twintig jaar bij sommigen van ons misschien wel veertig jaar duurt het. Ja zo is het, twintig jaar of veertig jaar duurt het bij sommigen van ons om ons echt braaf te krijgen. Braaf genoeg om mak te doen wat ze van ons verlangen. Wat ze van ons verwachten. Zo is het toch? Maar dan doen we wat ze van ons verlangen dan doen we braaf een job ja natuurlijk doen we dat. Dan doen we braaf de reizen ja hoor en we gaan naar de steden en landen waar zij gaan en we vinden daar mooi wat zij daar mooi vinden, ja, ja, en we houden braaf van het eten en de kleren en de muziek en de films waar zij van houden ja dat doen we en we vinden braaf de boeken goed die zij goed vinden. Dat houden we tien jaar vol sommigen van ons misschien zelfs twintig jaar ja, ja. Ja. En vervolgens kost het ons tien twintig jaar om de braafheid weer af te leren want dat brave dat zijn wij niet echt nee en we willen weer echt zijn ja dat willen we, we willen weer onszelf zijn we willen niet meer braaf zijn nee dat willen we helemaal niet meer, we willen niet meer braaf de job doen en de reizen doen en het eten doen en de kleren doen en de muziek doen en de films doen en de boeken doen die zij doen nee natuurlijk willen we dat niet meer. Niet meer. Nee. Al kost het ons tien jaar twintig jaar veertig jaar. Ja toch?

‘… and off towards the sea I swooshed orange spine and silver tail’, dat is Claire-Louise Bennett in Brighton omdat ze er zin in had en met handenvol Penguin-pockets met oranje ruggen en in een veel te lange zilverkleurige lamérok uit dezelfde kringloopwinkel, een rok als een zeemeerminnenstaart, omdat ze daar zin in had. Soms is ze ‘ik’, soms is ze ‘zij’, soms is ze ‘wij’, zo vrij is ze.

Herinner je je hoe je als kind nieuwe wezens en werelden verzon? Ik evenmin maar ik herken het meteen in spelende kinderen die zich onbespied wanen: de tomeloze fantasie, de scheppingen die niet vastliggen, die haarspeldbochten maken, groeien en opzwellen, dieptes in duiken. Claire-Louise Bennett heeft niet de onbevangen vrijheid van het kind voor het tot braafheid kneden begon maar die van een volwassene die zich van de bekommerde braafheid bevrijd heeft. De wijze waarop ze de dingen des levens schrijft is volslagen uniek. Nooit eerder las ik zulke heerlijke, hilarische, ontroerende, originele observaties over lezen, ongesteld zijn, het eerste schrijven… Haar onstuitbare verbeelding tilt het werk menigmaal naar een staat van extase. Misschien kunnen enkel zich-van-braafheid-bevrijdende lezers deze passages smaken, maar de zelfzekere vrijheid ervan valt niet te ontkennen. Op de achterflap van het boek staat in een quote van Tom McCarthy: ‘She affirms a real belief in literature-as-literature: the confidence to let it do its thing on its own terms, and a jubilant pleasure in watching it all unfurl.’ Voor mij zijn dat twee van de belangrijkste kwaliteiten in een schrijver en diens werk. Er is een hoofdstuk over een oude man in een supermarkt en hoe hij voor het rek met ingemaakte groente staat als stond hij op een Weens podium en hoe hij wat hij doet zo doet dat de dames van adel ademloos hun handschoenen verfrommelen, de kalmerende hand van hun echtgenoot van hun schoot rapen, twee van zijn vingers in hun mond steken… het gaat tien bladzijden door en is van het meest wonderlijke en bijzondere dat ik in lange tijd las. Het is een juichende uitnodiging tot totale vrijheid van verbeelding.

Omdat ik zelf ook schrijver ben, heb ik Checkout 19 niet louter als lezer maar ook als schrijver gelezen. Het voelde als de uitdrukkelijke toestemming krijgen om zelf ook zo vrij en on-braaf te schrijven als ik dat wil. Het laat een schrijver niet onbewogen om haar werk bestempeld te zien als onaangepast. Ontoegankelijk. Ongeremd. Onorthodox. Ontregelend. Overdadig. Obsessief. Bizar. Brutaal. Buitenissig. Grillig. Woest. Tegendraads. Mateloos. Manisch. Surrealistisch. Agressief geil. Vlammend intens. Vergt veel van de lezer. Te verregaande vormen. Te veel van het goede. Pathetiek. Exuberant. Excentriek. Expressief en experimenteel maar ook theatraal en bombastisch. Maar Claire-Louise Bennett geeft mij toestemming. Me van de braafheid bevrijden is de goede weg.

Haar weg heeft haar naar de bijzondere vorm gevoerd die Checkout 19 uiteindelijk gekregen heeft. Het is een stroom van herinneringen en hernemingen van herinneringen, van fantasieën en het herschrijven van die fantasieën. In haar essay ‘I Am Love’ zegt ze daarover dat ze niet houdt van voltooid schrijven. ‘Once an image becomes definite and persuasive it settles like a patio slab and no longer reverberates with intimations and possibilities which attest to the shifting planes of memory, imagination, here and elsewhere.’ Beter de organische grond dan de betonnen plavuizen. Beter de koolstof dan de diamant. In Checkout 19 neemt ze herinneringen, scènes, verzinsels dan ook meermaals opnieuw op en legt ze dan net iets anders neer. Zo is er de geboorte van de schrijver, een herinnering aan het ontstaan van haar allereerste verhaaltje. Ze herneemt dit maar liefst vijf keer in de loop van het boek. Het verhaaltje heeft inmiddels de kracht gekregen van een scheppingsverhaal, een sprookje, een mythische metamorfose. Een meisje zit alleen in een kelder jurken van haar zussen te verstellen bij een armzalige kaars. ‘There is no fairy godmother. No. No prince charming. No. No castle. No white horse. That’s not it. No. No. No one is going to save the day. No, of course not. It’s something inside her.’ Plots worden haar vingers dunner en langer en slapper, tien draden worden ze. De naald valt, het meisje springt op. De draadvingers zwiepen in het rond en door de kaarsvlam. Tien lopende vuurtjes van haar vingertoppen naar haar borst. De vlammen spatten uit haar alsof ze daar altijd al zaten, hun moment afwachtend. Een verblindend wit vuur is het. Het meisje staat in lichterlaaie. In vuur en vlam duikt ze in de mand met jurken. Triomfantelijk gaat de hele boel in brullende vlammen op, jurken, mand en meisje, alles brandt op. Er blijft niets over. Niets dan een hoopje van de zachtste as. Zo zacht dat je er met je vinger in wil roeren. ‘Run your fingers through. It tingles doesn’t it. Yes. Yes. Yes it does. We can feel it. Our fingers. Our fingers are tingling like mad aren’t they. Yes, they are. Tingling. We can feel it. Tingling like mad. Our fingers tingle, madly, madly yes, just as if they are coming to life.’

Geef die vaardige brave vingers de vrijheid. En laat er vuur zijn. Laat ons in vlammen uitslaan. Laat het witheet branden. En uit de zachte assen zal zot tintelend nieuw leven ontstaan.

(Ook wie de Engelse taal niet machtig is moet zich de bevrijding uit de braafheid niet ontzeggen: binnenkort verschijnt de Nederlandse vertaling, Kassa 19, bij Uitgeverij Koppernik.)

Caro Van Thuyne (1970) leeft en schrijft in het Houtland achter de Vlaamse kust. In 2018 debuteerde ze met de verhalenbundel Wij, het schuim. In januari 2021 verscheen de roman Lijn van wee en wens.

Meer van deze auteur