Diegene die onderworpen is aan de zichtbaarheid en zich hiervan bewust is, neemt als spontaan de dwang van de macht over en past deze op zichzelf toe; hij verinnerlijkt de machtsbetrekking door tegelijkertijd beide rollen te spelen, en wordt zo het principe van zijn eigen onderwerping.
– Michel Foucault

Het bureau van Harry Truman in het Witte Huis, 1946

Abbie Rowe / Harry S. Truman Library

Een kunstenaar stelt tentoon in het eigen atelier, een voormalige, kleine autogarage niet ver van de Noordzee. Geregeld rijden er nog auto’s voor, waarna een bestuurder, meestal niet meer van de jongste, voorzichtig het hoofd voorbij de poort steekt en bedremmeld vraagt waar mecanicien Maurice is gebleven.

Er is iets fris en onbezorgds aan het tentoonstellen in je studio (wat niet wil zeggen dat ze niet verbonden is aan een galerie) – het stelt haar in staat uit te nodigen wie ze wil, onder condities die ze zelf heeft bepaald, en om werk te tonen van andere kunstenaars die niet bij dezelfde galerie horen. Niemand hoeft iets te kopen, en zij hoeft niets te verkopen, maar het doorbreekt de eenzaamheid, het creëert deadlines en provoceert tussentijdse reacties, zoals wanneer een schrijver in een tijdschrift publiceert zonder met een boek klaar te zijn.

Afwisselend geverniste, geschaafde, verruwde of beschadigde stukken hout worden gecombineerd, samengesteld, gemaakt tot dingen die misschien niet meer willen dan uniek zijn, onherhaalbaar, niet samen te vatten, als geheimen die blijven voortbestaan zelfs als ze zwijgend worden rondgedraaid, overwogen, getest. Mensen wandelen omzichtig tussen de objecten, tentoongesteld op tijdelijke ­stalen sokkels, waarvan ze niet (of nog niet) weet of ze ook bij het werk horen, als onderdelen van een montage.

Een vrouw die ze niet kent staat te praten met een bevriende kunstenaar en ze voegt zich bij hun gesprek, dat onmiddellijk stokt ­zodra ze binnen gehoorsafstand komt. De vrouw begint vragen te ­stellen, de bevriende kunstenaar sluipt weg, alsof hij van iets verlost is – de opdracht deze vrouw gezelschap te houden, naar haar te luisteren, haar te woord te staan. De ­vragen zijn feitelijk, of alleszins zijn de antwoorden beschrijvend: ontstaansprocessen worden gereconstrueerd, materialen benoemd, verouderingsprocessen voorspeld. De vrouw luistert en knikt, steeds stelliger, tot ze na een stilte bijna zuchtend concludeert, met een brutaliteit die doet vermoeden dat de taakverdeling in haar ­hersenen niet naar behoren functioneert, en dat ze luidop zegt wat ze alleen maar zou willen denken: ‘Spel en experiment, ik dacht het al. ­Moeten kunstenaars vandaag echt niet méér doen?’

De Amerikaanse president Harry S. Truman had een leuze staan op zijn bureaublad – uiteraard niet dat van zijn computer, maar het gladgeschaafde bovendeel van een meubelstuk. Het bureau – de Resolute desk – was een cadeau uit 1880 van Queen Victoria aan toenmalig president Rutherford B. Hayes, gemaakt uit het hout van een Britse driemaster. De Resolute was in 1854 in Canadees poolijs vast komen te zitten, maar werd in 1856 weer naar het Verenigd Koninkrijk gevaren, om enkele decennia later gedeeltelijk terug de Atlantische Oceaan over te steken in de vorm van een paar zware planken, als relatiegeschenk tussen de twee machtigste landen ter wereld.

The Buck Stops Here, zo stond op het glazen plakkaatje van Truman, ingeklemd in een notenhouten voetstuk: the and here zwierig en vrolijk, als met de hand geschilderd, en de woorden buck en stops in koele, dwingende drukletters. Begin oktober 1945, toen hij een halfjaar lang de drieëndertigste president van de Verenigde Staten was, had Truman dit accessoire eveneens cadeau gekregen – niet van een bevriend staatshoofd, maar van politieofficier Fred A. Canfil, die een gelijkaardig voorwerp had opgemerkt in de federale gevangenis van Oklahoma, en meteen een kopie voor de president had laten vervaardigen. Truman zal er blij mee zijn geweest, misschien in de eerste plaats omdat er op de achterzijde van het glazen plaatje stond geschilderd: I’m from Missouri, de staat waar hij als boerenzoon in 1884 ter aarde was gekomen.

‘Moet ík weten waar jullie naartoe willen? Ik ben toch geen buschauffeur!’

Twee mannen en een vrouw, alle drie rond de veertig, aan de achteruitgang van een treinstation, rond een chocomelkkleurige vijfdeursauto. Het is kwart over middernacht: de laatste tram, die was aangekondigd voor vijf over twaalf, is niet komen opdagen. De taxichauffeur plaatst de bescheiden bagage – een boekentas, een grote handtas – van de man en de vrouw ­­behoe­den behulpzaam in de kofferbak. Het paar gaat zitten op de achterbank.

’Waar moet u heen?’ vraagt de chauffeur met een ondefinieerbaar accent – hij heeft een stoppelbaard, tabaksbruine kringen onder de ogen. Op de teller prijkt in rode digitale letters een beginbedrag van 7,00 euro, hoewel er nog geen centimeter is afgelegd. De man noemt een straat, de vrouw vult het huisnummer aan. De chauffeur ademt hoorbaar uit door zijn neusgaten.

’Waar is dat?’ vraagt hij na een korte pauze waarin hij over het scherm van zijn smartphone heeft gestreken, als om een stofje weg te aaien van de nieuwsberichten die erop verschijnen, of uit het oog dat in de auto naar binnen kijkt.

’Hoe bedoelt u?’ vraagt de vrouw van het koppel. De bestuurder draait zijn hoofd om naar de achterbank, komt terecht in een verwrongen positie die haast pijn moet doen.

’Moet ík weten waar jullie naartoe willen? Ik ben toch geen buschauffeur!’

Meer dan eens heeft president Truman, die begin augustus 1945 de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki gooide en met een dubbelslag niet alleen de Tweede Wereldoorlog maar ook het leven van 150.000 mensen beëindigde, publiekelijk naar zijn bureaubordje verwezen. Toen hij in december 1952, twee maanden voor het einde van zijn presidentschap, een militaire school toesprak, zei hij: ‘Weet je, het is makkelijk voor een betweterige linksachter om te zeggen wat de trainer had moeten doen als de wedstrijd eenmaal is afgelopen. Maar wanneer de beslissing voor je op tafel ligt – en op mijn bureau heb ik een motto staan dat zegt The Buck Stops Here – dan moet die beslissing genomen worden.’

Toen hij in januari 1953 afscheid nam van het Amerikaanse volk, zei Truman: ‘De president – het maakt niet uit wie het is – moet beslissen. He can’t pass the buck to anybody. Niemand anders kan in zijn plaats beslissen. Dat is zijn job.’ Het is inderdaad de betekenis van de uitdrukking The Buck Stops Here, die dankzij Truman een gevleugeld woord is geworden – wie dat wil kan vandaag bij Amazon voor 56,95 dollar een replica kopen van het plaatje met de mededeling waarmee de Amerikaanse president zijn gigantische verantwoordelijkheidsgevoel samenvatte, net als de bijhorende mondiale daadkracht.

Volgens de Dictionary of Americanisms on Historical Principles, samengesteld door Mitford M. Mathews in 1951, kan buck verwijzen naar een mannelijk schaap, naar het vel van een hert, of naar de geldeenheid – zoals in five bucks – die bij de oorspronkelijke bewoners van Amerika overeenkwam met één stuk leder. Een laatste betekenis is die van een in theorie willekeurig object – een zakmes wordt als voorbeeld gegeven – gebruikt als legpenning bij het pokeren om aan te geven wiens beurt het is om de kaarten te verdelen. To pass the buck betekent letterlijk dit ding bij de volgende speler leggen, en je verantwoordelijkheid verzaken op een wijze die van weinig fair play getuigt.

In The Pale King, de in 2011 postuum verschenen, onafgewerkte roman van David Foster Wallace, is er in het tweede hoofdstuk sprake van grootschalige achterstalligheid op een belastingkantoor: de onbehandelde aangiftes en aanslagbiljetten stapelen zich op en niemand die er wat aan doet, ook de directeur niet. ‘De duistere grap die over deze directeur de ronde deed op de dienst was dat ze op haar bureau een Trumanesk houten plaatje had staan waarop te lezen was: WHAT BUCK?’ (Deze zin komt niet uit de vertaling van The Pale King van Daniël Rovers en Iannis Goerlandt, omdat zij er een ander bordje van hebben gemaakt, met het opschrift Mevr. Haas – waarmee overigens niet gezegd is dat zij hun verantwoordelijkheid als vertaler hebben ontlopen.)

Na een college, in een leeglopend auditorium met zo’n driehonderd plaatsen waarvan ongeveer een vierde gevuld was, komt een student naar voren, de treden af, en ze loopt tot bij de tafel die door de docent haastig wordt leeggemaakt, wat vooral betekent dat hij de hulpstukken die zijn computer verbonden hebben met de projector, het stroomnet en de geluidsinstallatie, een voor een demonteert en ze daar probeert op te bergen waar hij ze volgende week meteen hoopt terug te vinden.

’Mag ik u iets vragen?’ vraagt de student. De docent probeert zich te herinneren of hij de studenten aan het eind van zijn les heeft gevraagd of er nog vragen waren, maar dan beseft hij dit al weken niet meer te doen, omdat er nooit vragen komen, en omdat het de studenten er evenmin van weerhoudt hem individueel, na afloop van het college, vragen te komen stellen. Hij glimlacht en knikt haar zo bemoedigend mogelijk toe. Ze vertelt dat ze de syllabus voor het komende semester heeft bekeken – het academiejaar is vier weken ver – en heeft opgemerkt dat er tussen de vijftien auteurs en theoretici die aan bod komen, slechts twee vrouwen zijn. ‘Ik vind dat,’ zo komt ze meteen tot de conclusie, hem met grote, lichtgroene maar donker omlijnde ogen aankijkend, ‘schandalig!’

De docent zegt, terwijl hij voor de tweede keer het snoer rond de oplader van zijn computer windt, dat het niet is omdat teksten door mannen werden geschreven dat ze niet voor iedereen lezenswaardig kunnen zijn. ‘Dat weet ik,’ geeft de student toe. ‘Maar het is uw verantwoordelijkheid!’

Na president Truman kwamen Eisenhower, Kennedy, Johnson, en dan, op 20 januari 1969, Richard Milhous Nixon, die op 9 augustus 1974 weer zou vertrekken omdat hij er na zijn eerste ambtstermijn in was geslaagd zich te laten herverkiezen door de campagne van de Democratische partij te saboteren, iets waartoe hij enkel in staat was geweest door concurrenten stelselmatig af te luisteren en te bestelen, en door in het buitenland spionnen op pad te sturen. Een van de grootste verwezenlijkingen van Nixon als president was de zogenaamde Nixon-schok, een reeks economische maatregelen genomen in 1971 om werkloosheid en inflatie in de Verenigde Staten te reduceren. Deze beslissingen kwamen er zonder internationale partners te raadplegen, vandaar dat de rest van de wereld de maatregelen van Nixon als een heuse schok ervoer. Belangrijk was vooral de keuze om het zogenaamde goudvenster te sluiten, wat er op neerkwam dat de Amerikaanse staat de link tussen goud en geld doorknipte. Tot 15 augustus 1971 moest er voor elk dollarbiljet effectief een stukje goud voorhanden zijn in Fort Knox in Kentucky, zodanig zelfs dat – in theorie – elk bankbriefje voor een splintertje goud ingeruild kon worden, net zoals de Indianen een stuk leer, een buck, als betaaleenheid gebruikten. Met het goudvenster gesloten, kon de overheid geld drukken zonder dat er goud tegenover moest staan. De bedoeling was om na verloop van tijd, als de economie weer op volle toeren draaide, het venster weer open te zetten, maar dat is Nixon niet gelukt – het raam zat en zit tot vandaag roestvast, en vandaar dat we in een mondiaal monetair regime leven gebaseerd op de allitererend genaamde freely floating fiat currencies: geld is een totaal abstracte waarde geworden.

Het gevolg is dat kapitalisme inderdaad iets is waarin je moet geloven

Toen hij op 15 augustus 1971 (een zondag, met de beurzen gesloten) de natie toesprak tijdens een televisie-uitzending, stelde Nixon aan alle Amerikaanse burgers de vraag: ‘Nu, wat is deze actie – die heel technisch is – wat betekent het allemaal voor u?’ In 2013, in een ­lezing gehouden in Leuven met als ­titel ‘Kapitalisme als religie’, heeft Giorgio Agamben een antwoord geprobeerd te geven. ‘Na 15 augustus 1971,’ aldus Agamben, ‘kunnen we stellen dat geld een krediet is dat is gebaseerd op niets anders dan zichzelf, en als tegenwaarde ook niets anders dan zichzelf heeft.’ Het gevolg is dat kapitalisme inderdaad iets is waarin je moet geloven: ‘Het geloof – in de vorm van geld en krediet – is nu bevrijd van elke externe referent, door het verbreken van de heidense band met het goud en door de bevestiging van zijn eigen absoluutheid.’ De volgende stap die ­Agamben neemt is even onverwacht als consequent: als geld niet meer door middel van goud aan de grond wordt gehouden en met de materiële werkelijkheid wordt verbonden, dan is het verstrekkendste gevolg dat hetzelfde opgaat voor taal. Als bankbiljetten (of cijfers op ontelbaar veel schermen) verwijzen naar dingen die niet meer bestaan en die we ons ook nauwelijks nog kunnen voorstellen – een onvermogen dat toeneemt naarmate de bedragen stijgen – en als bovendien die abstracte hoeveelheden toch haast elke seconde van ons doen en laten bepalen, dan kan het niet anders of hetzelfde geldt stilaan ook voor onze woorden, die kunnen noch moeten verwijzen naar waarheid of werkelijkheid. ‘Zoals de logica toeziet op het verband tussen taal en wereld,’ zegt Agamben, ‘zo bewaart de goudstandaard de relatie tussen geld en de goudwaarde.’

Samen met het goudvenster ging ook het taalvenster op slot, en onbelemmerde uitzichten op de wereld worden er niet meer door geboden. Er is iets doorgeknipt, een vanzelfsprekende band is verdwenen, we leven met het licht onvatbare en paniekerige inzicht dat getallen noch woorden vaste betekenis hebben. Ze verwijzen naar dingen, plaatsen en mensen, maar in dat proces is verwijdering het resultaat, eerder dan nabijheid.

In de dagelijkse stroom aan opiniestukken in dagbladen, op sociale media en in tijdschriften, wordt er gedurende tien à elf dagen een zijarm aangelegd waarin vrijelijk kan worden gereageerd op besparingen die door de nieuwe regering zijn aangekondigd. Hoewel de krimp – op een paar significante uitzonderingen na – voor alle sectoren geldt (de overheidsfinanciën moeten immers op orde worden gebracht, een cijfer moet kleiner worden), gaat de aandacht vooral uit naar de reductie van culturele subsidies, met percentages die variëren tussen drie en zestig. Na enkele dagen van gedeelde verontwaardiging, wordt een zanger in de krant aan het woord gelaten die samen met zijn groep vlak na de eeuwwisseling enkele dansvloervullers wist te produceren. De zanger benadrukt niet principieel tegen subsidies te zijn, maar hij is ook van mening dat kunstenaars erop moeten toezien dat ze niet afhankelijk worden van de overheid, en dat ze zich niet moeten laten tegenhouden door beoordelingscommissies en hun subjectieve meningen. Om zijn vertoog kracht bij te zetten haalt hij één zinnetje aan: ‘De griezeligste zin in de Engelse taal is: “I’m from the government and I’m here to help.’’’ Het is een citaat van de grote schrijver Vladimir ­Nabokov, zo schrijft de zanger, de auteur van talloze meesterwerken die toch nooit één cent subsidie heeft gekregen.

Een leerkracht Nederlands, die zich na zijn pensionering zes jaar geleden op de Russische literatuur heeft gestort, schrikt wakker bij het simultaan ontbijten en het lezen van de zaterdagochtendkrant. Hoewel hij recentelijk nog alles van Nabokov gelezen meent te hebben, is hij nergens op dit zinnetje gebotst. Hij besteedt het weekend vervolgens aan het bladeren door de verspreide geschriften van Nabokov – brieven, interviews, lezingen, boekbesprekingen – maar nergens kan hij terugvinden dat de Russische auteur die zijn moedertaal voor het Engels inruilde, heeft gezinspeeld op zijn angst voor de helpende hand van de overheid. De voormalige leerkracht Nederlands laat dit nog diezelfde avond via een mail weten aan de redactie van de krant waarin het opiniestuk van de popzanger is verschenen, en hij vraagt of het mogelijk is de bron van het citaat te onthullen. Maandagochtend krijgt hij een reactie: ‘Hartelijk dank voor uw mail! Goed om weten dat onze kritische lezers hun verantwoordelijkheid opnemen.’ In de ochtendkrant staat een rechtzetting: het citaat is niet van Nabokov, maar het is ‘een algemene uitdrukking’.

In de film 20th Century Women van regisseur Mike Mills uit 2016 kijken een vijftiental mensen van verschillende generaties, verzameld in een woonkamer, naar een televisietoespraak van president Jimmy Carter op zondag 15 juli 1979. Carter is na Nixon en Gerald Ford aangetreden op 20 januari 1977. Zijn toespraak, meer dan een half uur lang en uitgesproken net over de helft van zijn ambtstermijn, gaat over de energiecrisis en de maatregelen die hij zal nemen, maar ook over ‘a crisis of confidence’ die hij waarneemt bij de Amerikaanse burgers. Waar het op neerkomt is dat Carter toegeeft dat hij het niet alleen aankan – hij legt, met andere woorden, de buck bij de bevolking. ‘Wat je al te vaak ziet in Washington en elders in het land,’ zo geeft hij toe, ‘is een bestuurssysteem dat niet in staat lijkt tot actie. Vaak zie je verlamming en stagnatie en chaos. Je houdt er niet van, en ik evenmin. Wat kunnen we doen?’

‘Goed om weten dat onze kritische lezers hun verantwoordelijkheid nemen’

De toespraak komt voort uit het verlangen de bevolking het gevoel te geven gehoord en begrepen te worden, maar het resultaat is ook een eerlijke blijk van machteloosheid, van een politicus die beseft dat hij over een venster beschikt om naar de wereld te kijken, zonder het venster te kunnen openen om in te grijpen. Op nauwelijks verholen moraliserende toon vertelt hij de Amerikaanse kijkers dat ze minder moeten consumeren, dat ze erop moeten blijven vertrouwen dat toekomstige generaties het beter zullen hebben dan vandaag, dat ze moeten stemmen, dat ze respect moeten hebben voor kerken en scholen en de media en andere instituties, dat ze het milieu moeten beschermen, en dat ze bovenal vertrouwen moeten hebben, ‘in elkaar, in ons vermogen om onszelf te regeren, in de toekomst van deze natie’. ‘Om af te sluiten, laat me dit nog zeggen,’ zo besluit Carter, met een blik in zijn lichtblauwe, bijna paarse ogen waaruit vooral mede­lijden spreekt. ‘Ik zal mijn best doen, maar ik kan het niet alleen opknappen.’

In de film 20th Century Women leidt de toespraak tot verstrekkende conclusies. ‘Wauw… Hij is echt de lul,’ zegt een van de mannen van het groepje familieleden, vrienden en buren. ‘Maar echt,’ reageert iemand anders, ‘het is gedaan met hem.’ De mond van Dorothea, hoofdpersonage in de film, een alleenstaande, weinig traditionele moeder, vertolkt door Annette Bening, is opengevallen van verbazing – eerst over de speech van Carter, daarna over de reacties van de mannen rondom haar. ‘Ik vond het prachtig,’ zegt ze.

Op een grote Amerikaanse universitaire uitgeverij van kunst-, technologie, design- en architectuurboeken – meer dan een eeuw oud, ondertussen – stellen de acquirerende redacteurs de boekprojecten voor die in aanmerking komen voor de brochure van volgend voorjaar. Dat er onenigheid ontstaat over gemaakte keuzes, was lange tijd zeldzaam, maar dat is de laatste jaren veranderd, en de discussies over de criteria waarmee een manuscript wordt aanvaard of afgewezen – en dus publiek wordt gemaakt door deze uitgeverij of niet – zijn heviger geworden. Jonge medewerkers, vaak pas afgestudeerd of hoogstens met een paar jaar ervaring in musea, galeries of tijdschriftredacties, wijzen veteranen uit het boekenvak op hun politieke verantwoordelijkheid – op de plicht die ze hebben om met een boek meteen en overduidelijk een verschil te maken in de maatschappij, zonder dat ze nog kunnen terugvallen op oude privileges omtrent kwaliteit, esthetiek, autonomie of geschiedenis.

Eén boek in het bijzonder – een bloemlezing van kritieken over het werk van een laattwintigste-eeuwse kunstenaar, eerder gepubliceerd in elf verschillende talen en in allerlei media, maar nooit in één boek bij elkaar gebracht, in het Engels – veroorzaakt wrevel. Een medewerker, die een paar maanden ­later zal worden aangesteld tot diversity officer, heeft namen geturfd en percentages opgesteld: 79% van de auteurs in deze bloemlezing zijn mannelijk, 97% is Westers en wit. De onrechtvaardigheid van de wereld zou door dit boek niet alleen schaamteloos worden aangetoond maar ook op schandalige wijze worden gecelebreerd. Dat is niet meer mogelijk – dergelijk onrecht moet een ernstige en ethische ­uitgeverij niet zozeer bestendigen als wel bestrijden en rechtzetten. ‘Of denk je,’ zo zegt de toekomstige diversity officer kalm en onaangedaan, ‘dat de president het in onze plaats zal doen?’

Een week later besluit de betreffende redacteur zijn ontslag in te dienen. Hij heeft sinds hij midden jaren zeventig in dienst trad van de uitgeverij, stormen, modes en bedreigingen zien passeren, ideeën en overtuigingen omtrent financiering, toegankelijkheid, kritiek, interpretatie, deconstructie, globalisering en digitalisering – maar op deze vraag heeft hij geen antwoord, of hij ontbeert de kracht om het antwoord dat hij zou kunnen hebben te berde te brengen. Die avond zit hij in zijn vrijstaande woning, omgeven door boeken, kunstwerken, gesigneerde affiches, foto’s, postkaarten en memorabilia. Het is een hoekig huis dat hij eind jaren zeventig samen met een bevriende architect heeft ontworpen, opgebouwd uit afzonderlijke paviljoenen verbonden door brede tussenruimtes met grote ramen, waardoor hij in makkelijke fauteuils naar het omringende landschap kan kijken: bomen, gras, struiken, soms een verdwaalde of opgejaagde eland, in de verte een heuvelformatie, vlakbij een kronkelende rivier waarop passagiersboten passeren, die verrast vaart minderen, in het zicht van het rare, grijze, onvatbare huis.

Het is nog niet donker, maar het begint er stilaan de schijn van te hebben. Hij kan sterren zien, sterrenbeelden zelfs; hij voelt zich opgelucht en vrij, constellaties van ideeën verbinden hem met plekken, objecten en activiteiten in de toekomst. Zoveel dingen die hij nu kan doen, zoveel uitstel dat ongedaan gemaakt kan worden! Toch leeft het vermoeden, zonder dat hij het onder woorden wil brengen, dat hem iets is ontnomen, in de vorm van de zekerheid een juist leven te hebben geleid, door precies te doen waar hij zichzelf toe in staat achtte: boeken maken waarmee naar betekenis kon worden gezocht, in het volle besef dat conclusies enkel bestaan om vervolgens weer te worden opgeschort.

Op dinsdag 28 oktober 1980 gaat president Carter op televisie in debat met zijn uitdager Ronald Reagan, die als laatste de kans krijgt om na afloop van het gesprek het publiek rechtstreeks toe te spreken. ‘Ik wil vandaag een kruistocht voeren,’ zegt Reagan, ‘en ik wil die kruistocht graag met uw hulp voeren, om het juk van de overheid van de schouders te halen van de geweldige mensen van dit land, en om jullie weer te bevrijden zodat jullie die dingen kunnen doen waar jullie zo goed in zijn omdat jullie het al eerder deden om dit land geweldig te maken. Dank u.’ Reagan – voorheen bekend als radiopresentator, sportcommentator, acteur, voorzitter van de gilde van acteurs, communistenjager, informant van de FBI, televisiepersoonlijkheid, rondreizend ceremoniemeester van het General Electric Theater en gouverneur van Californië – wint overtuigend de verkiezingen en wordt op 20 februari 1981 de veertigste president van de Verenigde Staten van Amerika. Twee weken voordien is hij zeventig geworden.

Op dinsdag 12 augustus 1986 – hij is dan al aan zijn tweede termijn bezig, na in 1984 te zijn herverkozen met het hoogste aantal stemmen ooit in de Amerikaanse geschiedenis – geeft Reagan een persconferentie, die bestaat uit een mededeling van drie minuten, waarna er vragen en antwoorden volgen die maar liefst drieëndertig minuten in beslag nemen. Hij zegt dat de economie bloeit, de werkgelegenheid toeneemt, de lonen stijgen en de inflatie zakt, maar dat de landbouw het nog steeds moeilijk heeft, en dat alle Amerikanen bezorgd zijn over de angst van de boeren. ‘Ik denk dat jullie allemaal weten,’ zegt Reagan daarna, ‘dat ik altijd van mening ben geweest dat de negen angstaanjagendste woorden in de Engelse taal zijn: I’m from the government, and I’m here to help.’ De problemen van de boeren, aldus Reagan, zijn veroorzaakt door de vorige regeringen, die allerlei embargo’s, handelsverdragen, regeltjes en subsidies hebben bedacht en het daardoor de landbouw erg moeilijk hebben gemaakt. Dat moet snel veranderen: ‘We streven ernaar,’ aldus Reagan, ‘het boeren terug te geven aan de echte boeren.’ Er zullen nog een paar ondersteunende maatregelen volgen, enkel om de transitie mogelijk te maken naar een landbouw waarvoor landbouwers, en landbouwers alleen, verantwoordelijk zijn, zonder dat ze door de overheid worden geholpen.

Zoveel dingen die hij nu kan doen, zoveel uitstel dat ongedaan gemaakt kan worden!

Een grootvader neemt met zijn kleinzoon deel aan een collectieve opruimactiviteit, georganiseerd tijdens de vastenperiode. Ze wandelen door de straten en rapen pmd op – plastic, metalen of kartonnen drankverpakkingen. Met zijn zoon ging hij decennia terug op zoek naar paaseieren in een recreatiedomein, en voelde hij zich schuldig toen ze met niet meer dan één chocolade-ei huiswaarts keerden. Vandaag is er genoeg voor iedereen. Twee soorten blikjes overheersen: bier en energydranken – elkaars tegengestelde, in zekere zin. In de meeste gevallen zijn de verpakkingen niet helemaal leeg; soms zitten er sigarettenpeuken in, nu en dan hebben insecten of kleine weekdieren zich in en rond het overgebleven vocht verzameld of gevormd.

De grootvader ervaart een groot, geruststellend genoegen in het platdrukken van de krokante blikjes onder zijn voetzolen, hoewel hij ze nooit zo ver kan reduceren als autowielen dat doen, en er een flinterdun velletje metaal overblijft, dat als gefrankeerde postkaart terug naar de afzender kan. Het afval is geclusterd; blikjes of flesjes zijn haast nooit alleen, alsof sommige plekken vuil op een magnetische manier aantrekken, of alsof sluikstorten aanstekelijk werkt, zoals geeuwen, misschien. Veel ligt in begroeide bermen die niet eens door een fiets- of voetpad worden afgezoomd, en dit afval kan ­enkel van autobestuurders afkomstig zijn. Induceert een auto gedragingen, agressiviteit, dominantie, roekeloosheid, een gevoel van macht en overmacht? De grootvader heeft – het kan niet anders gesteld worden – genoten van deze uitstap, van deze bijdrage, van het wegnemen van wat niet hoort, het corrigeren en rechtzetten van de pekelzonden – de ecologische kruimelmisdaden van zijn medemens.

Hij merkt dat hij ernaar terugverlangt, dat hij meer wil, andere zakken wil vullen, andere ­plekken in een vroegere staat herstellen. Aan zijn fietsstuur hangt hij een grote zak; langs weerzijden van zijn bagagedrager monteert hij twee smalle bakken. Dankzij een lange grijper met een telescopische arm kan hij afval oprapen zonder af te moeten stappen, en het meteen sorteren, voor hem, of achter zijn rug. Weken, maanden gaat het zo voort. Mensen zwaaien naar hem, steken hun duim op. Soms meent hij kwaadheid en veroordeling te lezen in de ogen van voorbijgangers of autobestuurders – in die van jonge mannen vooral, die zich misschien berispt weten alleen al door zijn bestaan. Met zijn telefoon neemt hij foto’s van werkelijk gortige toestanden, als van een zeldzame school tropische vissen, die hij doorstuurt naar het gemeentebestuur en naar de burgemeester. ‘Wij danken u voor uw activiteiten, en zijn trots op het werk dat u doet,’ zo luidt hun antwoord. ‘Onze stadsdiensten doen al het mogelijke.’ De mail eindigt met een ouderwets postscriptum: ‘De laatste foto die u doorstuurde, is genomen langs een gewestweg waarvoor wij als gemeente niet verantwoordelijk zijn.’

Christophe Van Gerrewey (1982) is auteur van drie romans en een essaybundel. Hij doceert architectuurtheorie aan de technische hogeschool EPFL in Lausanne en is redacteur van De Witte Raaf.

Meer van deze auteur