Mijn tong was zo droog dat ze tegen mijn verhemelte plakte. De kamer werd doormidden gedeeld door een gordijn en aan gene zijde waren wazige figuren te ontwaren. Ze mimeden hun onuitgesproken kwetsuur met buigingen en zwaaiende ledematen. Ik strekte mijn hand uit, in de toenemende, ontastbare duisternis en voelde de vergeten levens. Maar nog voordat ik kon opstaan, was het alsof ik van alle kanten in elkaar werd geperst, er drukte een verdovend groot gewicht op me, vanuit het verleden. Ik hield beide handen omhoog, in een vergeefs gebaar de druk van me af te schudden. Ik hoorde een baby huilen en hoorde gestommel op de trap. Het duizelde me. Eenmaal op de grond gezakt kon ik beter ademhalen, de druk nam af.

Wat zag ik eruit! De kleren waarin ik reisde waren oud, gescheurd en bevlekt. En het huis waarin ik zat, kon ook geen verheven omgeving genoemd worden. Zouden de hogere wezens daarom zo bars en ongeduldig zijn? Of waren het talige wezens, verdrongen en miskende schimmen, die ons laten schrikken, verwarren en prikkelen om onze verbeelding te gebruiken? Het werd nu zo donker dat ik met een lucifer de kaarsen aanstak. Het was een maanloze nacht, maar er viel veel sterrenlicht binnen. De vloer leek besneeuwd en zilvergrijs op te lichten. De hele kamer was een gracieuze vraag naar het gevoelige punt. Wat was er aan de hand?

Achter me hoorde ik gefluister, er stond een bedelaar. ‘Hebbu een maaltje varkensvlees?’ vroeg hij. Hij was in lompen gehuld en hield een smoezelige pruik in zijn ene hand. Ik besloot hem te negeren. Vanaf de gang naderden voetstappen. Een dame in een lange jurk en met opgestoken haar verscheen, die me vroeg mee te komen naar de hoek van het vertrek waar een dressoir stond. Uit een la haalde ze handenvol juwelen. De man die ze aan haar had gegeven had opgeschept dat het de allerbeste en allerduurste ­waren, maar zij wist beter. Met een schelle lach drukte ze me een ­gouden ketting met een grote robijnen hanger in handen. ‘Ik smijt alles weg!’ riep ze. En ze wees op een grote machine die in de kamer stond. Er draaide een groot wiel in rond met glimmende spaken. Ernaar kijken maakte me draaierig en misselijk. Het was alsof de spaken armen waren die me vastpakten, optilden en ronddraaiden. Gooi ze erin, riep de dame met het opgestoken haar en ik smeet de juwelen in het wiel. Als in een caleidoscoop schoten de vragen en perspectieven voorbij. De betrekkingswaan was aan de winnende hand. Lang kon ik het hier niet meer uithouden, als ik hier vragen ging stellen kon het mijn dood wel eens worden. Ik was bang dat de dame mijn hart kon horen bonzen.

Door het raam zag ik een optocht voorbijtrekken. Plechtig schreden ze voorbij, in lange zwarte mantels, met ebbenhouten staven waarop gouden knoppen waren bevestigd. Het waren wetenschappers, dat zag je zo. Ik stormde op de deur af en bolderde met sprongen de trap af. Buiten stond een gezadeld paard klaar, waarvan ik wonderbaarlijk genoeg wist dat het Willy heette. Ik sprong erop en we galoppeerden door de nacht. Geen idee waarheen. Het was allemaal een excuus om fictie te kunnen bedrijven, net als de garantie ‘echt gebeurd’. De functie van geesten is misschien een vraag naar de verkeerde weg. Ze doen het werk zelf namelijk niet. Ze mummelen en gebaren. Wij moeten de verhalen afmaken, de hints verbinden, de clichés bekleden met vlees en bloed.

Ik had na een tijd door dat ik werd gevolgd door een bestelbusje. De motor maakte een moeizaam geluid, alsof de wagen te zwaar beladen was. Aan de rand van een polder, in een bocht van de dijk, zakte mijn paard in elkaar, het veranderde onder me in een gevild en geslacht karkas, nog even en Willy bestond uit baklappen, bouten en porties gehakt. Het begon te regenen en terwijl ik me zorgen begon te maken hoe ik in vredesnaam terug zou raken in Den Haag, zag ik hoe in de verte het bestelbusje door een groepje mannen een meertje in werd gereden. Langzaam zonk het voertuig in het zwarte water. Pas na een tijdje doofden onder water de lichten.

Er stak een harde wind op die me optilde en neerzette voor het huis waar alles was begonnen. Terwijl ik de trap opliep hoorde ik de baby weer huilen! Ik keerde terug in de kamer met de drie ramen. De dame kwam achter het gordijn vandaan en met luide stem begon ze te oreren dat het onzichtbare ongedierte diende te worden bestreden en uitgeroeid. Ze trok een stapel beddengoed van een plank en begon die uit te vouwen. Ze leek te doelen op een soort bedwantsen. Ik zag ze niet, maar ze bleef maar tieren. Als het ongedierte het kind te pakken zou krijgen zouden ze het vermoorden. En dat was vreselijk, want dan zou het kind namelijk koningin worden!

Haar geraaskal maakte me bang en ik probeerde me opnieuw uit de voeten te maken. Tussen mij en de deur stond nog altijd de machine met de glimmende spaken. Ik voelde de plicht weer te schrijven en te zwoegen en de collectieve onvrede en miskenning, de spijt en het verdriet om te zetten in waardevolle figuren. Al het gemompel en alle onsamenhangende gebaren moesten naar het heldere daglicht worden gebracht, maar het was nog altijd nacht en de dame kwam dreigend op me af. Ze schreeuwde dat ik de brenger van het ongedierte was. Haar silhouet naderde snel, haar schoenen bonkten op de houten vloer, ik zakte op mijn knieën, zo duizelig was ik opeens, mijn ademhaling was snel en diep. Van alle ­kanten werd ik in elkaar geperst, net als eerder die avond, het universum leek me te willen fijnknijpen. Ik werd geboren. Het verleden maakte plaats voor het heden. Godverdomme, mam, waarom is het nou nooit goed? Hoe kan ik je oordeel serieus nemen als je wraakzuchtig blijft mompelen als een spook?

Dirk van Weelden (1957) is schrijver en redacteur van De Gids. Hij debuteerde in 1987 samen met Martin Bril met Arbeidsvitaminen, daarna in 1989 solo met Tegenwoordigheid van geest. Hij schreef romans, novellen en bundels met essays en verhalen. Zijn recentste roman is Het laatste jaar (2013). Hij werkt aan een nieuwe roman. 

Meer van deze auteur