Zo’n zondagmiddag op het erf van Terreiro Oxóssi Mutalambó. Links van mij zitten Dario en Mercia, als altijd onafscheidelijk en stil. Daarnaast Roberto, met zijn nasale stem, en Rigne, mooie Rigne, op zijn veel te kleine, afgetrapte teenslippers. Dan Martins Pescador, die nadrukkelijk en bij herhaling laat weten een egun te zijn, de geest van een overleden visser uit een ver verleden. Hij heeft zich op een laag-bij-de-gronds krukje geïnstalleerd, met op een bijzettafeltje een grote fles drank en elegante kleine sigaartjes, rechtopstaand in een whiskyglas. Aan de andere kant in de kring een aantal dames uit de buurt van wie ik de naam verder ook niet ken. Voluptueus en zwaar opgemaakt wuiven ze zichzelf koelte toe met waaiers die ritselend open- en dichtklappen. De meester-van-de-messen, de altijd wat stuurs kijkende Sal, zit naast de oude meneer Zelito. Didi, Rosa en Tonia lopen af en aan met plastic tuinstoelen en uien die gepeld moeten worden en was om uit te hangen. En dan wordt het erf nog bevolkt door Neta de geit, Deusa de zwarte kat, de manke hond Dendê, Zeca de papegaai en de ettelijke naamloze kippen, pauwen, eenden en parelhoenders die ooit, op een zondag als deze, de kop zal worden afgesneden, om de geesten, die her en der op het terrein hun altaren hebben, te voeden met vers bloed.

Mattijs van de Port

Martins Pescador is eerder die dag in het lichaam van mijn vriend Pai Ro, de priester, gevaren. Hij drinkt, rookt en praat honderduit. Het gaat over vrouwen, seks, de kwaliteit van de drank en sigaren, en zijn rondzwervingen in drie, niet nader benoemde havensteden. Bij zijn schuine grappen gieren de dikke dames van het lachen. Roberto ook. Bij de anderen zie ik niet veel meer dan af en toe een vage glimlach. Rigne zit op zijn smartphone te pielen. Didi en Rosa pellen hun uien. Ze kennen Martins Pescador en zijn grappen al zo lang.

‘Weten jullie eigenlijk wel,’ zegt Martins Pescador, nu enigszins theatraal articulerend, ‘weten jullie eigenlijk wel dat de lelie, met zijn heerlijk geurende, witte bloemen, gewoon in het vunzige rioolwater groeit dat hier langs het erf stroomt?’

Hij is eigenlijk de enige die voortdurend het woord voert. De andere aanwezigen mompelen af en toe wat in onderling gesprek. Over de straat die vorige week werd geasfalteerd, en de brommers die nu veel te hard langs de huizen scheuren. Over hoe deze of gene aan zijn einde kwam. Maar verder zit een ieder een beetje voor zich uit te kijken.

Matheus com H!’ roept Martins Pescador als hij mij in het vizier krijgt. ‘Matthijs met een h! Als je mij wilt interviewen dan kan dat natuurlijk!’

Mattijs van de Port

Vreemd. Ik was inderdaad naar Santo Amaro de Purificação gereisd met het nogal buitenissige idee om voor De Gids een andere geest te interviewen die met grote regelmaat bezit neemt van Pai Ro’s lichaam, de caboclo (indiaanse geest) Groene Veer. Maar ik had daar met geen mens over gesproken. Eenmaal aangekomen in Santo Amaro vertelde een huilende Pai Ro dat Groene Veer zich al twee maanden niet had laten zien. En ja, dat was al eens eerder gebeurd. Hij was toen een vol jaar – een verschrikkelijk jaar – weggebleven.

‘Groene Veer is alles voor mij.’

‘Ro is radeloos,’ vertelde Rigne mij later. ‘Barst op elk moment in huilen uit.’ Waarom Groene Veer wegbleef kon hij mij niet zeggen. Die eerdere keer was hij opeens zomaar weer komen opdagen, vrolijker dan ooit. Hij had een ‘zwaar werk’ moeten verrichten, waarbij hij al zijn energie nodig had gehad om de klus te klaren.

‘Geen wonder dat ie bij terugkomst zo vrolijk was.’

Ik had net in de Folha de São Paulo gelezen dat verder naar het noorden, in de Amazone, de ene indiaanse leider na de andere wordt vermoord, nu het nieuwe regime de grootgrondbezitters min of meer vrij spel heeft gegeven om het woud te kappen. Ik opperde dat Groene Veer misschien zijn indiaanse stamgenoten moest bijstaan.

‘Wie weet,’ zei Rigne. ‘Quem sabe.’


Hoe de vanzelfsprekende, alledaagse aanwezigheid van geesten te verwoorden zoals ik die nu al bijna twintig jaar intensief meemaak in Bahia? Als antropoloog moet ik proberen de verschijnselen die ik tegenkom vanuit een lokaal perspectief te duiden. In het geval van de Afro-Braziliaanse candombléreligie betekent dat dat ik de normaliteit van geestverschijningen centraal moet stellen, hun verwevenheid met al het andere moet zien te evoceren. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Mattijs van de Port

Hierboven heb ik geprobeerd Martins Pescador achteloos in mijn opsomming van de aanwezigen te laten passeren. Zijn performance op het erf van Pai Ro is in mijn beschrijving nauwelijks ‘spiritueel’ te noemen, en de nadruk ligt op het feit dat zijn lange monologen niet overdreven veel aandacht krijgen van de aanwezigen. Ik heb willen zeggen: op het erf van Pai Ro lopen mensen, kippen en geesten, en daar kijkt niemand van op. Maar ik maak mezelf niet wijs dat mijn literaire strategieën hebben gewerkt. Hier, in deze tekst, laten Martins Pescador en Groene Veer zich niet wegmoffelen. Ze springen naar voren, als vraagtekens midden in een zin. Zodra er sprake is van ‘geesten’ zullen weinigen zich nog iets afvragen over de afgetrapte teenslippers van Rigne, of over Neta de geit.

Die verbijzondering heeft alles te maken met het gegeven dat ik Martins Pescador en Groene Veer hier ten tonele voer in kaders waar ze niet in thuis horen – literair tijdschrift De Gids, een ‘themanummer’ over geesten, de seculiere mindset van veel van mijn lezers, de Nederlandse taal. Hoe ik hun aanwezigheid op het erf van Pai Ro ook verwoord, deze kaders blijven de vreemdheid van geesten onderstrepen, maken ze tot iets wat ze in Bahia niet zijn.

Neem ‘Groene Veer’, de letterlijke vertaling van het Portugese Pena Verde. De Nederlandse vertaling transformeert de caboclo onmiddellijk tot een figuur uit een kinderboek. Schattig. Koddig. Naïef. Moeilijk serieus te nemen. Wat je ook over ‘Groene Veer’ beweert, hoezeer je de mogelijkheid van zijn bestaan in overweging wilt nemen, het zal altijd tongue in cheek zijn.

Of neem het woord ‘geest’. Door Martins Pescador en Groene Veer als zodanig te benoemen introduceer ik, voor een Nederlands lezerspubliek, onmiddellijk kwesties over hun metafysische hoedanigheid: vragen over wat ze zijn, hoe ze zijn, of ze zijn. Geesten bestaan immers niet, hebben wij elkaar verteld. Elke suggestie dat dit anders is ontregelt onze kosmologische orde. Geesten moeten worden weggelachen, weggeredeneerd, weggezet, weggeschreven, weggegriezeld, weggefilosofeerd, weggedrogeerd – in de kunst, de film, het entertainment, de literatuur, de theologie, de kliniek. Of in dat hoekje met onverklaarbare verschijnselen waar iedereen wel een voorbeeld van kent, maar waar we verder onze handen maar niet aan zullen branden.

Op het erf van Pai Ro daarentegen zijn Martins Pescador en Groene Veer een volkomen geaccepteerd onderdeel van de kosmologische orde. Ze roepen geen metafysische vragen op. Niemand zegt ‘mijn hemel, wat moet ik hiermee?’. Niemand vraagt zich af wat geesten zijn. Niemand benoemt ze ook als ‘geesten’ (espíritos), als in: ‘Er is een geest op het erf!’ Ze zijn simpelweg Martins Pescador en Groene Veer. Dat Martins Pescador er een punt van maakte te zeggen dat hij een egunis, en niet, zoals Groene Veer, een caboclo, had alles te maken met het gegeven dat er op dat moment een antropoloog op het erf aanwezig was, die zich in de loop der jaren heeft laten kennen als iemand die geïnteresseerd is in de categorieën en taxonomieën van de geestenwereld. Voor de overige aanwezigen was die mededeling egun te zijn geen nieuws, en ook niet boeiend.

Wat hen boeit in Martins Pescador zijn diens sappige verhalen over de hoeren die hij ontmoette op zijn verre reizen, zijn gedurfde obscene grappen, zijn advies in liefdesperikelen, en in het verlengde daarvan wellicht de erkenning dat we allemaal gedreven worden door seksuele lusten. Wat hen boeit in Groene Veer zijn diens helende krachten, diens morele kompas, diens vaderlijke zorg voor eenieder en diens persoonlijke aanwijzingen hoe verder te komen in het leven. Wat hen boeit zijn de verschillende energieën die Martins Pescador, Groene Veer en al die andere geesten op het erf introduceren: de hoerengeesten, de oudezwartengeesten, de schuinsmarcheerdergeesten, de zigeunergeesten en de vele gedaanten van de trickster-geesten die exus worden genoemd. Wat hen boeit is de breuk met de maresia, de dodelijke verveling van mensen die letterlijk geen cent te besteden hebben. En wat hen bovenal boeit is dat geesten toegang hebben tot bovennatuurlijke machten: machten die worden aangeroepen om te ­kunnen overleven in deze wereld van voortdurend en schrijnend tekort.Laat het duidelijk zijn: die dikke dames waren niet in hun zondagse goed naar het erf gekomen om naar de kippen te kijken.

Mattijs van de Port

Ik wil niet suggereren dat de onuitwisbare vreemdheid van geesten zich enkel voordoet in de vertaalslagen die mijn schrijven vergt, als zou ik zelf, daar, bij Pai Ro, naadloos zijn opgegaan in een wereld waar de aanwezigheid van geesten vanzelfsprekend is. Zeker, na bijna twintig jaar in Bahia ben ik inmiddels wel gewend aan hun aanwezigheid, en heb ik een welwillende, agnostische houding weten op te bouwen ten aanzien van hun realiteitsgehalte. Sterker nog, erkennen dat de wereld vol mysteries is, en me overgeven aan mijn niet-­weten (in plaats van almaar pogen het mysterie te ­breken) ervaar ik inmiddels als rustgevend en troostvol. Die houding stelt me in staat mee te draaien in de enactment van hun vanzelfsprekendheid, iets dat me steeds beter af gaat.

‘Hee Groene Veer, hoe is ie?’

‘En Groene Veer, smaakt de cachaça?’

‘Hier, Groene Veer, sigaren uit Amsterdam.’

‘O, Groene Veer! Ik kwam even langs om Pai Ro te zien, maar ik begrijp dat “het materiaal” [a matéria, zoals geesten refereren aan hun mediums] er niet is…’

Soms echter hapert die performance. Zoals op die avond dat ik een mesa branca (‘witte tafel’) ceremonie bijwoonde in de tempel van Pai Ro. Tegenover een klein publiek van buurtbewoners namen de geïnitieerden, geheel in het wit gekleed, plaats aan een grote tafel met wit tafelkleed. Daarop heiligenbeelden, kaarsen, flessen water, gebedenboeken en een enorme vaas met vers geplukte groene takken uit het nabije woud. De bijeenkomst begon als een katholieke gebedsbijeenkomst, met plechtstatige gezangen en gebeden. ‘Vergeef ons, o Heer!’ Daarna werden de rammelaars geschud om de geesten te roepen, die vrijwel direct afdaalden: de koeherdergeesten (boiadeiros) van Didi en Rosa arriveerden luid schreeuwend en kregen onmiddellijk hun leren cowboyhoeden opgezet. Hier en daar daalden caboclos neer in de lichamen van buurtbewoners, die vervolgens grommend en handenwrijvend over de dansvloer scharrelden. En uiteraard was daar Groene Veer. Waar men normaliter vanaf dit moment de drums zou slaan, om de avond dansend en zingend voort te zetten, was dat dit keer niet het geval. Een dag eerder was een buurvrouw overleden, en uit respect hield men het stil.

Mattijs van de Port

Groene Veer liep wat ongemakkelijk rond. De avond was nog jong. Het script, in afwezigheid van de drums, onduidelijk. Hij rookte zijn sigaren, en blaf-gromde wat. Ofschoon de ogen van Groene Veer altijd geheel naar boven zijn weggedraaid, zodat je door de samengeknepen oogleden enkel het oogwit kan zien, ontwaarde hij op een gegeven moment mijn aanwezigheid in het donker van de tempel.

Seu Matheus!’ (Meneer Mattijs!)

Het was het begin van een lange ondervraging. Hoe het eigenlijk stond met de werkgelegenheid in Nederland. Hoeveel de huur van een woning was. Hoe lang de vlucht van Salvador naar Amsterdam duurde, en hoeveel zo’n ticket wel niet kostte. Wat de mensen in Nederland eten. Of er ook maniokmeel werd verkocht. Waar de Eiffeltoren staat. En hoe dat ook weer zat met die lange zomeravonden.

‘Horen jullie dat, mijn mensen? Het is daar licht tot elf uur! Tot elf uur!’

Steeds weer herkende ik in de vragen flarden van gesprekken die ik ooit met Pai Ro had gevoerd. Ik hoorde mezelf banale wetenswaardigheden over Nederland uitserveren, en kon alleen maar denken: wat is dit voor een toneelstukje dat we hier opvoeren? Dit had toch allemaal niets te maken met zaken waar een caboclo, een indiaanse krijger, een man van het woud, zich mee bezighoudt? Ik begon me te ergeren aan dit platte geneuzel. Mijn zorgvuldig opgebouwde agnostische houding ten aanzien van geesten ging langzaam maar zeker onderuit. In een poging de geloofwaardigheid van Groene Veer overeind te houden hield ik mezelf voor: waar staat eigenlijk geschreven dat geesten niet geïnteresseerd zijn in de prijs van vliegtickets? Wie zegt dat geesten altijd zoiets als ‘diepgang’ introduceren? Kan het zijn dat ik nog steeds met volstrekt verkeerde voorstellingen rondloop over wat des geesten is en wat niet? En is dit niet wat geesten keer op keer doen: je veronderstellingen en aannames over hoe de dingen zijn ontregelen, om aldus de ruimte van het mogelijke op te rekken?


‘Wie geest zegt, zegt ­altijd wonder’ (vrij naar de theoloog Karl Barth). Dat is waarom geesten mij (en vele anderen) blijven fascineren: als manifestaties van het onmogelijke stellen ze dichtgetimmerde wereldbeelden ter discussie, dwingen ze mij het tekort van mijn begrip der dingen onder ogen te komen, roepen ze mijn niet-weten in herinnering. Dit zijn de geesten waaraan ik ben gehecht. Dus als ze uit hun nek kletsen, of platte grappen verkopen, ga ik onmiddellijk aan de slag om die uitlatingen tot kennistheoretische kwesties te verheffen – en herstel ik aldus geesten als interessante denkfiguren – bon-à-penser.

Mattijs van de Port

Die procedure staat op gespannen voet met de antropologische opdracht verschijnselen vanuit een lokaal perspectief te duiden. De vanzelfsprekende aanwezigheid van geesten op het erf van Pai Ro zou het vertrekpunt van een antropologische beschouwing moeten zijn. Maar de essayist in mij is snel verveeld, en wil bezien welke mogelijke, spannende gedachten zich ophouden achter de verschijnselen die zich aan hem voordoen. Hoe lang kun je belangstelling blijven opbrengen voor een geest die niet langer ondoorgrondelijk is? Die niet langer je wereldbeeld ter discussie stelt?

Het was, zo realiseer ik mij nu, misschien maar goed dat Groene Veer er niet was om te interviewen. Als literair experiment zou het prachtig zijn geweest – niet over een geest schrijven, maar in gesprek gaan met een geest. Maar ik moet bekennen dat ik eigenlijk geen idee heb wat ik met hem zou willen bespreken, welke vragen ik hem zou willen voorleggen. Ongetwijfeld zou ik de ‘diepte’ hebben willen opzoeken, een poging hebben ondernomen het wezen van de relatie tussen mensen en geesten uit de doeken te doen. Het mysterie te omcirkelen. De gaten in ons weten aan te wijzen.

Of zoiets.

Ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat we niet erg ver zouden zijn gekomen met dat interview.

Rigne. Fonkelogige woestijnprins op slippers. Ik had hem eerder dat jaar als ‘lijfwacht’ gecontracteerd, opdat ik mij met mijn filmopnames kon bezighouden zonder voortdurend te moeten opletten of de kust veilig is. Maar ik geef onmiddellijk toe dat zijn rol als lijfwacht vooral ook een goed excuus was om samen rond te hangen. A Bahia encanta, laten we het daar maar op houden.

Pai Ro vond de nieuwe samenwerking tussen een van zijn favoriete aspirant-ingewijden en de antropoloog maar zozo. ‘Ik ben jaloers,’ zei hij, half grappend. Hij is er echter de man niet naar om daar een punt van te maken. Drie dagen filmden we. Toen ik de vierde dag het erf van Pai Ro opliep vertelde een onthutste Rigne me dat hij niet meer kon filmen. Die nacht was Groene Veer in Pai Ro gekomen, en had verordonneerd dat het tijd was voor Rignes initiatie. En wel onmiddellijk. De portee van de mededeling was me bekend. Drie weken zou Rigne in seclusie gaan om de initiatieriten te ondergaan, afgezonderd en alleen in een donkere kamer. Ik hoorde mijzelf mededelingen produceren vahet type ‘wat mooi voor je’ en ‘eindelijk’, maar vanbinnen duizelde ik wederom de afgrond van mijn ongeloof in. Fuck off. En dit moet ik geloven?

Pai Ro kwam aanlopen, mijn blik half ontwijkend.

‘Ja, ik begrijp het ook niet helemaal, zo plotseling en onverwacht.’

Ik zag een man die zijn zin had gekregen en een man wiens fantasie werd doorkruist. Ik trapte op het gas en reed weg. Veel te hard over de hobbelwegen, razend over de autobaan. Assen braken. Flitspalen flitsten. Weg van dat erf. Twee dagen voor mijn vertrek naar Nederland kreeg ik een whatsappbericht van Pai Ro. Over hoe wonderlijk de dingen toch waren. Groene Veer was gekomen en had de seclusie van Rigne met een week bekort. Heel ongebruikelijk, maar hij wilde maar zeggen: Rigne liep weer over straat. Dus als ik nog langs wilde komen om afscheid te nemen…

Hoe vaak had Pai Ro mij niet gezegd dat niemand méér voor hem zorgde dan Groene Veer? Dat hij altijd op Groene Veer kon rekenen? Aanvankelijk was ik ervan overtuigd dat Pai Ro de aanwezigheid van Groene Veer had geveinsd, om de ontwikkeling te verhinderen van wat hij als een al te innige band tussen Rigne en mij begon te zien. Toen ik eenmaal gas had teruggenomen kon ik bedenken dat dit wellicht is hoe het werkt in de relatie tussen mensen en geesten: Groene Veer claimt wat Pai Ro zelf niet durft op te eisen – zorgt voor Pai Ro. En zorgt voor Rigne, die (zoveel had ik inmiddels ook al wel door) al droomde van een ticket naar Amsterdam, maar die uiteindelijk meer te winnen heeft bij zijn relaties binnen de tempelgemeenschap, dan die met een Amsterdamse antropoloog.

Als je je niet langer afvraagt wat geesten zijn, maar wat ze doen, ga je heel andere verhalen vertellen: over jaloezie en bedrog, over antropologen die de orde komen verstoren, maar vooral ook over bittere armoede, over machte­loosheid en being stuck, over uitzichtloosheid en geknakte dromen, over stemloos zijn en er niet toe doen, over lelies die bloeien in vunzig ­rioolwater. Je gaat dan ook zien hoe geesten, in zo’n wereld, aan het werk zijn de dingen gaande te houden, bij elkaar te houden, tegen de klippen op. En hoe ze stem en importantie geven aan mensen die er, in de grotere wereld, niet toe doen: vissers, indianen, koeherders, hoeren, oude zwarten.

Mattijs van de Port

‘Welke geest hoop je te ontvangen als je initiatie is voltooid?’ vroeg ik Rigne.

Het is niet alsof je dat voor het kiezen hebt, maar het antwoord was desalniettemin ferm en ondubbelzinnig. ‘Tranca Rua’, de hekkensluitergeest. Een behoorlijke mannetjesputter die er, in tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden, om bekend staat ‘alle wegen te kunnen openen’.

Aandacht voor de alledaagse, vanzelfsprekende aanwezigheid van armoede, uitzichtloosheid en niet-gezien-zijn op het erf van Pai Ro levert overigens zijn eigen vertaalproblemen op binnen de kaders van deze tekst. Het is immers niet zo dat die werkelijkheden, anders dan geesten, onmiddellijk voorstelbaar zijn voor een Nederlands publiek, of aanwezig gemaakt kunnen worden op bedrukt papier. Dát kernprobleem van de antropologie is niet verdwenen. Het is enkel verschoven van het ene thema naar het andere.


Tonia en Rigne kijken naar de maan die zich tegen een nog blauwe lucht aftekent. Wanneer is ie vol? Een dag? Twee dagen? Het zou bij volle maan zijn. Ik vertel dat er geruchten waren dat hij bij Simões Filho was gesignaleerd, slechts dertig kilometer hier vandaan. Er wordt naarstig gerekend hoe lang het zou zijn om van daar naar hier te komen. Maar vervolgens wordt vastgesteld dat niemand weet hoe hij reist, en hoe snel of langzaam dat gaat.

‘Misschien komt ie wel op woensdag, dat is Pai Ro’s verjaardag. Als een “cadeautje”.’

Verderop, op een heuvel, staat Pai Ro onkruid weg te hakken. Eenzaam en verloren. Hij heeft me zojuist verteld dat hij geen zin heeft in het verjaardagsuitje dat ik had bedacht.

Rigne houdt het op donderdag. Dan is er andermaal een witte tafelceremonie. Maar ja, de eerste witte tafelsessie in het nieuwe jaar hadden ze ook bedacht dat Groene Veer wel weer zijn opwachting zou maken. En dat was niet gebeurd.

‘Maar hij komt,’ zegt Tonia. ‘Hij komt.’ Ze vertelt me dat het Martins Pescador was die had laten weten dat Groene Veer zal komen.

‘Hebben die onderling contact dan?’ vraag ik.

Ik hoor mezelf de vraag stellen. Gringo vraag. Antropologenvraag. Ik krijg een soort van ja-achtig antwoord, met veel luidruchtig ontsnappende lucht erin; genoeg lucht om het geen antwoord te laten zijn. Het zij zo. Als straks, morgen of bij een volgende volle maan, Groene Veer wederom zijn opwachting maakt zal ook ik aangedaan zijn.

Mattijs van de Port (1961) is als visueel antropoloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit. Hij doet onderzoek in Bahia (Brazilië) naar de candombléreligie. Het essay in De Gids 2020/1, over de alledaagse en vanzelfsprekende aanwezigheid van geesten, werd daar ter plaatse geschreven. 

Meer van deze auteur