Ze zijn nerveus en schamen zich daar een beetje voor. Lacherig benoemen ze het, hun zenuwen, hun kinderachtige angsten, ze maken alles groter om het klein te houden. De gastvrouw heeft die ochtend grondig haar huis gepoetst. Ze heeft kaarsen aangestoken, thee gezet en met een dikke rode stift haar gladde tafelblad beschreven. De letters van het alfabet in twee halve bogen. Linksboven ‘ja’, rechtsboven ‘nee’. De cijfers 0 tot en met 9 en, helemaal onderin, in heldere blokletters: TOT ZIENS. De geesten, had ze ergens gelezen, hebben een uitgang nodig.

Zie ze daar zitten om de tafel, deze eenentwintigste-eeuwse mensen die nog geen vijf boomsoorten van elkaar weten te onderscheiden maar voor het overige alles kunnen verklaren. Geestverschijningen? Epilepsie of slaapverlamming. Negentiende-eeuwse spookhuizen? Koolmonoxide-hallucinaties door slechte kachels en lekkende schoorstenen. Glaasje dat gedecideerd de naam van een overleden oudtante spelt? Ideomotorisch effect.

En toch zijn twee van de zes aanwezigen ooit naar een handlezer geweest, hebben vier van de zes hun geboortehoroscoop wel eens getrokken, weten twee van die vier zelfs tamelijk veel over de bewegingen van de planeten rond de sterrenbeelden. Mercurius in regressie, dacht de gastvrouw nog, toen ze eerder die dag haar telefoonscherm in duizend stukjes zag breken (het ding glipte uit haar jaszak terwijl ze verwoed tegen de wind in fietste, twee plastic tassen met lege flessen aan de uiteinden van haar stuur, fiets omver, nog meer brekend glas).

We moeten beleefd blijven, zegt een van de aanwezigen. We moeten toestemming vragen met ze te praten, niet vergeten ze te bedanken.

Twee anderen vragen zich op hetzelfde moment, zonder dit hardop uit te spreken, af waarom geesten dergelijke omzichtige omgangsvormen zouden verlangen. Omdat ze mogelijk uit een heel andere tijd stammen dan de onze? Misschien, denkt de een, is het simpelweg beledigend voortdurend te worden opgeroepen door mensen die niet in je geloven maar hun ongeloof tijdelijk opschorten om zichzelf te herinneren aan iets, iets… ouds? Iets betoverends? Misschien, denkt de ander, zijn geesten als Japanners, die op hem overkomen als een volk dat er extreem geritualiseerde vormen van beleefdheid op nahoudt. Niet dat hij erg veel van Japanners weet. Nu hij er een kort moment bij stilstaat (nu zijn gedachten een kort moment rusteloos en tamelijk onverschillig richting dit onderwerp dwalen) realiseert hij zich vagelijk zo goed als niets te weten over Japanners. Zijn kennis is gebaseerd op een paar samoeraifilms, een boek van Yukio Mishima en de sushibar waar hij eens in de zoveel tijd laat op de avond belandt om sashimi te eten.

Weten jullie, zegt een van de mannen, een dichter met donkere wenkbrauwen, weten jullie trouwens waar de naam ouija vandaan komt?

Egypte, zegt de man schuin tegenover hem, niet de sushiman maar een ander, degene die van zichzelf vermoedt de objectiefste, minst manipuleerbare persoon in het vertrek te zijn.

Een samentrekking van oui en ja zegt de dichter, en kijkt daarbij triomfantelijk de tafel rond.

Klinkt inderdaad Egyptisch, zegt de gastvrouw, of weet ik het, exotisch.

Spreken al die geesten eigenlijk Nederlands? vraagt de vrouw die tot nu toe voor haar doen opmerkelijk stil is geweest.

Ze spreken, zegt de dichter, denk ik een soort universele taal.

Zie ze daar zitten, net schoolkinderen op de rand van het diepe bad. Met hun opwinding hebben ze de ruimte verwarmd, de thermostaat is doorgeschoten naar 22,5 graden. De dichter heeft een afgodsbeeldje meegebracht en gooit er een scheut wodka overheen.

Tegen de kwade geesten, zegt hij.

Weinig zo beperkt als het menselijk voorstellingsvermogen. Ze hebben woorden bedacht voor dingen die ze menen te voelen maar niet begrijpen. Om aan de binariteit van leven en dood te ontsnappen, komen ze met gammele tussenwandjes van de eerste de beste doe-het-zelver. Geesten, ondoden, engelen. Bovennatuurlijk, paranormaal, helderziend. Ze kunnen niet omgaan met eindigheid, en nog slechter met het eeuwige. Ze kunnen niet omgaan met hun eigen verzinsels, die ze in sommige gevallen wetenschappelijk noemen. Alles op aarde, vertellen ze hun kinderen, is op te delen in drie categorieën: levend, dood en levenloos. Met hun telescopen en satellieten speuren ze de hemel af, op zoek naar tekenen. Ze gebruiken woorden die de schijn wekken van precisie: abiogenese, autokatalyse, eiwitten, aminozuren, methaan, waterstof, ammoniak, koolstofdioxide, stikstof, waterdamp. Hoewel ze geen idee hebben wat het precies is dat ze leven noemen, maakt de term elke alternatieve gedachte onmogelijk.


En daarom hangen wij, geesten, al sinds jaar en dag in een onbestaand gebied tussen twee onbestaande tegenovergestelden. De meeste mensen lukt het niet ons voor te stellen als iets anders dan doorzichtige, hologige doden die een paar centimeter boven de grond zweven en ’s nachts op zolder stommelen. Zoals alles wat niet strikt genomen menselijk is, lijken we op mensen. We zijn een hardnekkig volksgeloof, een uitentreuren herhaalde troop, een avondje griezelen op Netflix. Niemand gelooft in ons en niemand kan het zich permitteren niet in ons te geloven.

Het omgekeerde glaasje staat klaar op de letter G, voorzichtig leggen drie van de zes aanwezigen er hun wijsvinger op. De gastvrouw stelt zich voor hoe wij min of meer boven de tafel hangen, een collectie van zwevende gezichten, badeendjes die je met een magneetje uit het water kunt hengelen bij zo’n kermisattractie voor kleuters.

Is daar iemand? vraagt ze.

Ze gaan ervan uit dat wij alwetend zijn, maar vragen zich niet af wat daarvan de logica is. Onze zielen zouden geen rust hebben gevonden, alsof de dood rust is, alsof de dood de dood is, alsof de ziel overblijft.

Bent u een goede geest? vraagt de vrouw die vanavond moet koken voor een gezelschap van acht en in haar hoofd de geesten met de coquilles vermengt, drie per persoon, acht keer drie geesten, glibberig en doorschijnend wit. (De boeddhisten hebben hun peta’s, de hongerige geesten, die niet alleen gezien maar ook geroken kunnen worden — aan de overkant van de menselijke bekrompenheid bevindt zich hun grenzeloze inventiviteit.)

Een goede geest! Leven wij geesten soms in een wereld waarin het morele onderscheid tussen goed en kwaad plotseling kraakhelder is? Zou het in deze mensen opkomen dat kwade geesten bij uitstek liegen over hun goedheid, of, erger, in hun eigen slechtheid daadwerkelijk het goede zien?

Het glaasje schuift en cirkelt over de letters, heen en weer tussen ja en nee, tussen 0 en 9. En wij? Wij zien geamuseerd toe op dit sterke staaltje pure wilskracht van het collectieve onbewuste. We laten ze begaan, al kunnen we het bij tijd en wijle niet laten het glaasje een extra slinger te geven. We doen ons voor als dichter en priester, als moordenaar en jong gestorvene. We slaan onbegrijpelijke taal uit, spreken onszelf tegen, schuiven in razende vaart van het bord af. We geven ze wat ze willen. (Hoe heet u? A… G… A… A… T/ Bent u een goede geest? NEE / Hoeveel kinderen had u? 5/ Wanneer leefde u? 18 / Eeuw? JA/ Heeft u iets slechts gedaan? TOT ZIENS.)
’s Avonds, in bed, denkt de gastvrouw aan Agaat, de moeder van vijf met haar onuitsprekelijke geheim. Ze voelt haar aanwezigheid, ze heeft het idee dat als ze haar arm uitstrekt…

We schudden ons niet-bestaande hoofd, zuchten door onze afwezige keel. Mensen.

Niña Weijers (1987) schrijft voor De Groene Amsterdammer en is redacteur bij De Gids. In 2014 verscheen haar debuutroman De consequenties, die werd bekroond met de Anton Wachterprijs, de publieksprijs van de Gouden Boekenuil en de Opzij Literatuurprijs, en werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. In 2019 verscheen haar tweede roman, KAMERS ANTIKAMERS, die werd genomineerd voor de BNG Bank Literatuurprijs.  

Meer van deze auteur