Om redenen die hier los van staan en die ik voor me houd, wat mijn goed recht is, had ik me teruggetrokken in ‘de bossen van de graaf’. Zo worden ze nog altijd genoemd, zoals u ongetwijfeld weet, ook al is het inmiddels driehonderd jaar geleden dat de laatste graaf tijdens een opstand zijn kasteel uit werd gesleurd en gelyncht. Mensen zijn nostalgisch, ze klampen zich graag vast, zelfs, bij gebrek aan beter, aan een geschiedenis van wreedheid. De naam van de bossen heb ik van haar. Ze vertelde me weetjes, wees op de logica van haar wereld. Ljuba, liet ze me nazeggen. Liefde is een groot woord. Toch heeft onze ontmoeting, het halfrijm van haar situatie met de mijne, me gek genoeg getroost. Maar dat is een ander verhaal.

Toen ik aankwam was het woud naamloos en daardoor nog immenser. Dat beviel me uitstekend, want ik was op zoek naar afzondering. Om die reden heb ik duizenden kilometers gereisd. Uw mensen vinden het verdacht, een buitenlander in de bossen, noemen me voortvluchtig, maar ik doe een beroep op uw ervaring en mensenkennis om mijn verslonzing te zien voor wat zij is: behoefte aan rust.

Ik liep twee dagen en zag niemand, geen snoeppapiertjes of sigarettenpeuken, na verloop van tijd zelfs geen paden meer. In het riviertje dat ik stroomopwaarts volgde lag een hoop stenen, en toen pas drong de afwezigheid van cultuur ten volle tot me door. Een dozijn grote blokken, het stelde weinig voor, maar de implicatie was helder: hier waren mensenhanden aan het werk geweest. Het waren resten van een brug. Een keten van platte keien voerde vanaf de oever de begroeiing in. Ik vocht me een weg door het kreupelhout, het woud was zo goed als onbegaanbaar. Ik wilde al omkeren, toen een schemerige vorm mijn aandacht trok.

Een deel van de ronde muur was weggeslagen, een krullende trap eindigde in het lucht­ledige. Het was de ruïne van een toren, en ik begreep dat ik een onderkomen had gevonden.

Ik zette mijn zware, te zware tas op de grond. Ik had een pannetje bij me, lucifers en een gasaansteker, een jachtmes, een veldfles, waterzuiveringstabletten, bouillonblokjes, zakken rijst en bonen, een bord en een mok en een vork, verschillende soorten haken, visdraad, touw, een mapje met uitgeprinte aanwijzingen voor het maken van strikken en het bereiden van klein wild, een tweedehands legerslaapzak, een setje schone kleren, toiletartikelen en een kompas. Ik was niet onvoorbereid, al was mijn voorbereiding nogal ad hoc. Ik kapte en snoeide, van verse twijgen vlocht ik een mat waarmee ik de ruimte onder de trap afschermde, bij wijze van bedstee. Van losse stenen bouwde ik een vuurplaats.

Ik maakte een hengel en ging op zoek naar een plek om te vissen. Na een minuut of tien kwam ik bij een flauwe bocht, waar het riviertje breed en doorwaadbaar was. Aan de overkant liep een karrenspoor het bos in. Het wemelde er van de vissen, toch duurde het uren voor ik beet had.

Het bed van twijgen, waarop ik zo mijn best had gedaan, was een grote teleurstelling. Het lag eerlijk gezegd verschrikkelijk. Scherpe punten staken in mijn vlees, ik kronkelde als een beginnende fakir, en na een uur hield ik het voor gezien. De grond was ook hard. Het ochtendgloren kwam als een verlossing. Na die eerste nacht vroeg ik me in alle ernst af of ik nog zo’n nacht aankon, of ik niet moest opgeven.

Ik bleef. Het wende, een beetje, na een nacht of vier, vijf. Ik kreeg handigheid in het vangen van vissen en sloeg ze met één mep dood. Landdieren waren lastiger. De eerste keer dat er iets in mijn strikken zat, een soort eekhoorn, leefde het nog. Het was duidelijk wat me te doen stond, maar dit knaagdier was geen vis. Het beet en krabde om zich heen. Het maakte een afschuwelijk geluid. Ik probeerde me voor te stellen wat een stroper zou doen, met welke eenvoudige greep of handbeweging hij het beest uit zijn lijden zou verlossen. Als ik het op deze plek wilde redden, begreep ik, moest ik doden. Uiteindelijk nam ik een zware kei, tilde die hoog boven mij hoofd, slaakte een oerkreet en viel aan. Er bleef weinig van het diertje over, maar dat weinige verorberde ik, kokhalzend en gulzig.

Zulke voorvallen vormden mijn survival-groeispurts. Het was een initiatierite van honger en uitputting. Ik leerde. Het ging moeizaam, maar beter. Een volgende keer ving ik een heuse haas, morsdood, het villen was een toer, maar het vlees smaakte voortreffelijk.

Op goede dagen kon ik genieten van mijn verblijf. Het woud was ruig en schitterend, ik mat me met de elementen. Zo voelde het. Er was niets, in de verre omtrek, geen nooduitgang, geen veiligheidswoord. Ik was alleen in het oerbos. Het zou koud worden, ooit. Misschien al over een maand of twee. Zou ik het uithouden in de herfst, in de winter? Het teruggetrokken bestaan heeft een prijs, en ik vroeg me af of ik die kon betalen.

Op slechte dagen werd ik gek van de jeuk. Ik had een baard als een distelveld. Scheren lukte me niet zonder spiegel, ik had alleen dat ouderwetse klapscheermes, u heeft het gezien, een hang naar romantiek is mij niet vreemd. Dat ik eruitzag als een zeerover kon me niet schelen. Er was alleen die helse jeuk.

Uw handlangers kunnen in mijn nek ­hijgen wat ze willen, meneer de rechter, maar ik schrijf in mijn eigen tempo. De details die zij zoeken zijn niet de details waar het om gaat. Dit doet allemaal ter zake.


Op een dag, na ongeveer een maand, hoorde ik motorgeronk. Mijn gehoor was wekenlang gescherpt aan het omgevingsgeluid, als een waakhond, en sloeg onmiddellijk aan. Ik vreesde dat een ­helikopter me kwam zoeken en verborg me in de ­struiken. Het geronk zakte weg. Voor de zekerheid wacht-te ik nog even voor ik naar mijn vaste stek liep.

Door de bomen zag ik iets glanzen, verderop aan de overkant. Ik legde mijn hengel neer en sloop achter het struikgewas langs door de bocht voor een onbelemmerd zicht. Ik geloofde mijn ogen niet. Op het karrenspoor aan de overkant stond een rode cabrio. De voorwielen raakten bijna het water. Op de motorkap, met haar blote voeten op de bumper, zat een vrouw te roken.

Aan haar houding zag ik dat ze me had gezien. Ik kwam langzaam overeind en was me acuut bewust van mijn smerige shirt, gescheurde broek, het tot vettige strengen geknoopte haar op mijn kop, de stank van oud zweet.

Ik stak mijn hand op en riep: ‘Good afternoon.’

‘Good afternoon,’ echode ze met een dik, zangerig accent. Ze trok aan haar sigaret.

‘Car trouble?’ Ik probeerde joviaal te klinken.

Ze reageerde niet. Ik riep dat ik aan het vissen was en wees naar de bocht van de rivier. Ze volgde mijn vinger. Ik krabde aan mijn baard en aarzelde, zomaar weglopen zou gek zijn.

Ze vroeg of ik water had.

Ik spreidde mijn armen naar de kabbelende rivier.

Ze lachte, kort en schor, een raar geluid tussen de onbewogen bomen. De vogels vielen een ogenblik stil. De zon schetterde in de rode auto­lak, in het water onder haar voeten. Het was warm. Ik nam aan dat ze uit de stad kwam, van waaruit ik een hele dag in hotsende bussen had gezeten om het gehucht aan de bosrand te bereiken, waar mensen in tractors reden, dan zou ze wel dorst hebben.

‘You want water?’


Zo snel ik kon sprintte ik door het kreupelhout, takken zwiepten me in het gezicht, een doorn drong in mijn bovenbeen en trok een nieuwe scheur in het denim. Vijf minuten, had ik gezegd – alleen terug was normaal al het dubbele.

Ik griste het etui met scheergerei uit mijn rugtas en gooide het in het pannetje. Ik wurmde me uit de natte kleren en trok, tandenpoetsend zonder water, mijn enige schone broek aan. Een vingertopje schuim smeerde ik onder mijn oksels.

Tot mijn opluchting stond de auto er nog. Zij was nergens te bekennen. Ik trok de broek uit en waadde door het water.

Terwijl ik mijn gulp dichtknoopte bekeek ik de auto. Het was een tweezits Maserati, splinternieuw, de cockpitstoelen bekleed met wit leer. Nog geen tienduizend op de teller. De sleutel zat niet in het contact.

Ik schepte het pannetje vol water, klopte met de natte kwast in het zeepbakje, knielde naast de auto in het hoge gras en zeepte kin en kaken in.

‘Je lijkt de kerstman wel.’

Het portier aan de passagierskant sloeg dicht.

‘Ho ho ho,’ deed ik vanonder het schuim. Voorzichtig klapte ik het mes open en zag haar kijken vanuit mijn ooghoek.

‘Oldskool,’ zei ze.

‘Van mijn grootvader,’ zei ik. ‘Die was barbier.’

(Dat was, toegegeven, niet waar.)

Het spiegeltje was klein en pas na drie zeepbeurten begon het ergens op te lijken. Ik veegde het mes af aan mijn broek, waar een worm van natte haartjes achterbleef. Mijn hand trilde.

Ze keek me aan alsof ik een forel op de vismarkt was.

Ik opende het portier en nam een sigaret uit het pakje dat ze me voorhield. Ik zakte weg in de zitting, zacht en toch stevig, ferm als een lichaam, en zoog de rook op. Gladgeschoren achter het stuur van een Maserati, met een sigaret en een vrouw – de wereld droeg opeens een ander gezicht.

Een knappe vrouw. We waren ongeveer even oud maar leefden in verschillende tijdperken. Ze droeg een frisse witte blouse, haar lange benen staken in een donkerblauwe kokerrok, een bijpassend jasje lag tussen de stoelen. Er zat zand aan haar voeten. Zilveren armbanden rinkelden om haar linkerpols. Strak om haar hals zat een zijden sjaaltje, het lange zwarte haar had ze naar achter geschoven met een zonnebril. Haar ogen waren grijsgroen, zorgvuldig opgemaakt; rondom het ene lagen concentrische beurse ringen.

Ik merkte dat ik bloed aan de bekleding had gesmeerd. Ze deed alsof ze het niet zag, nam een tissue uit haar tasje en begon het sneetje op mijn wang te deppen. Ik bleef stokstijf zitten. Ze glimlachte naar me, even dacht ik dat ze me uitlachte, maar haar ogen stonden anders. Ik mompelde excuses en keek naar de beurse ringen. Een vuistslag. Ze deed geen moeite het te verbergen en gaf me nog een sigaret.

De rivier stroomde de verkeerde kant op.

Door de vliegenlijkjes op de voorruit keek ik naar het spiegelbeeld van mijn vertrouwde omgeving, de rots op de oever, de wijde bocht, de omgevallen stam waarop ik vaak zat te vissen. Al die tijd was ik de rivier niet overgestoken, het was simpelweg niet bij me opgekomen.

‘Good afternoon,’ echode ze met een dik, zangerig accent.

‘Kom je hier vaak?’ vroeg ze.

Ik staarde naar de omgekeerde rivier, in de ban van mijn arbitraire grenzen, en zei dat ik op vakantie was.

‘In je eentje? En volgende week weer naar kantoor zeker. Ben je hier al lang?’

Ik wreef veelbetekenend over mijn kin.

‘Bevalt het?’

‘Afgezien van de jeuk.’

We rookten. Vlakbij klonk een specht. Ik begon eraan te wennen, deze kant.

Haar ogen lichtten op, er verscheen een spottend trekje om haar mond. ‘Je bent te voet,’ zei ze. Het was geen vraag maar een constatering. ‘Van ver?’

‘Paar dagen.’ Met een eeltige duim streek ik over het stuur. Zelfs het stuur was zacht.

‘Waar is je tent?’

‘Ik heb geen tent.’

‘Slaap je buiten? Een hol in de grond?’

Ik drukte mijn achterhoofd in de hoefijzervormige steun. ‘Een ruïne.’

Ze trok haar perfecte wenkbrauwen op.

Zo was het nu eenmaal. Ik vroeg om een nieuwe sigaret. Terwijl ze me vuur gaf vertelde ze dat dit gebied ‘de bossen van de graaf’ werd genoemd, op een van de volgende heuvels stond de ruïne van het kasteel, maar dat was uren lopen hier vandaan.

Mijn toren was vlakbij, zei ik.

‘Een wachttoren?’

‘Zou kunnen.’

Ze trok een been op en wreef vastgekoekt zand van haar voet. Haar ogen straalden trefzeker in hun kransen van mascara en geweld. ‘Mag ik hem zien?’

We verroerden ons niet, maar ik had de indruk dat er iets verschoof in de cabrio.

Zonder de schone spijkerbroek uit te trekken waadde ik door de rivier met haar in mijn armen. Ze spartelde beheerst, het zijden ­sjaaltje hing in mijn gezicht. Haar knieholten waren warm en vochtig, haar arm klemde om mijn nek, een borst werd geplet tussen onze lijven.

‘Mijn kont is nat,’ riep ze op de andere oever, mijn oever. Op blote voeten volgde ze me tussen de keien en boomwortels langs de waterkant. Regelmatig moest ik wachten tot ze me had bijgehaald, ik wees op scherpe randen of verraderlijke kuilen. Ik hoorde haar mopperen, maar ze zei dat ze het prachtig vond. Het stuk door het woud ging ze op mijn rug.

Als een schutspatroon stond ze tussen mijn spullen te glunderen, ondanks de groene smeren op haar witte blouse. Ze vond het mooi, zei ze. Ze keek achter het twijgenscherm. Ze testte de trap.

Ik rommelde in mijn rugtas, opeens onhandig, en vroeg of ze wat wilde drinken.

‘Doe maar een martini,’ antwoordde ze en ze lonkte naar me met haar lange wimpers.

Ze had nog nooit brandnetelthee gehad. Ze klemde de mok in beide handen en blies erin. Ik slurpte aan het pannetje en liet niet merken dat ik mijn lippen brandde.

Ze vroeg of ik getrouwd was, of geweest, en ik ontkende. (Het was niet het moment voor overdreven eerlijkheid.)

‘Vriendin? Ben je homo?’ Ze zei het als grap, maar dat was het niet.

Ze keek me strak aan. Haar blauwe oog leek dikker. Het duurde even voor ik begreep dat ze wachtte op een wedervraag.

Ze zei: ‘Ik heb vanochtend mijn man verlaten.’

Dat is wat ze zei. Ik dacht dat het waar was en dat denk ik nog steeds. Ik keek naar dat blauwe oog en geloofde haar en waardeerde haar openhartigheid. Het moet een gok zijn geweest om mij te vertrouwen, zo ver van de bewoonde wereld. Maar ik voelde het ook. Er was een klik. Chemie. Dat ik verzweeg wat ik zelf had achtergelaten was alleen om de boel niet nodeloos te compliceren.

‘Dat vond hij vast niet leuk,’ zei ik.

Ze deed het zijden sjaaltje af. Vuurrode striemen in haar hals.

Ze streek de plooien uit het sjaaltje en vouwde het op, een kussentje op haar schoot.

‘Kan ik hier slapen?’ vroeg ze.

‘En de auto dan?’ Een Maserati, die parkeer je niet zomaar een nacht in het bos. Die wordt gemist.

Ze keek me aan. Bloed klopte in mijn halfgladde wangen. Het was laat in de middag, tussen de bomen schemerde het. Zij begon te lachen, daarna ik. We waren vlakbij. En toen kusten we.


De volgende ochtend stond ze met haar rug naar me toe tegenover de wildernis. Ze zei: ‘Zonder jou kom ik hier nooit meer weg.’

Ik wreef de slaap uit mijn ogen en keek naar haar blote billen.

‘Het is die kant op.’

‘Ik heb geen schoenen. Ik haal alles open.’

‘Wil je gaan?’

Ze draaide zich om, haar borsten glommen van stippeltjes ochtendzon. Ik dacht aan mijn visspullen bij de bocht. De strikken die ik moest controleren.

‘Nog niet,’ zei ze.

Soms droeg ik haar naar de oever en dan liepen we een stuk langs de rivier. Soms luisterden we naar de autoradio, niet te lang, vanwege de accu. Bij het bedrijven van de liefde bewaarden we stilte, een eigenaardig zwijgen dat verwant was aan stomheid. Na die eerste avond spraken we niet meer over onszelf. Het was heel bijzonder en heel vanzelfsprekend, ons samenzijn stond als het ware buiten de tijd. Laat het verleden rusten: mensen maken het altijd erger, smullen van hun afschuw, dikken aan wat ze kunnen om een ander de maat te nemen, ook al weten ze van niks. Zo is de mens. Natuurlijk zijn er dingen gebeurd, thuis, in mijn land, dat ontken ik niet. Natuurlijk heb ik een verleden. Maar tussen haar en mij speelde dat geen rol. Tussen ons bestond er simpelweg vertrouwen.

Het speet haar ook, dat weet ik zeker, maar een leven als het hare laat je niet zomaar achter en na een paar dagen moest ze terug.

Veel meer valt er niet te zeggen. We aten een haas uit mijn strikken en dronken brandnetelthee en zwommen in de ondiepe bocht. Na drie nachten zei ze met een verdrietige glimlach dat ze sigaretten ging halen. Zo zei ze dat, een pakje sigaretten. Ik protesteerde, wees op de striemen in haar hals, de blauwe plekken, maar ik begreep het wel. Ik droeg haar door het bos, door de rivier naar de overkant, veegde het blad van de cabrio. Ze kuste me vaarwel en hobbelde weg over het karrenspoor.

Voor ze verdween gaf ik haar het scheermes, als aandenken.

Ik weiger mij te laten reduceren tot een vlaag van verstandsverbijstering.

Na haar vertrek kreeg mijn afzondering iets belachelijks, alsof ik een act opvoerde in een lege tent. Daar had ik eerder geen last van gehad, ook niet tijdens mijn eenzame reis oostwaarts, of in dat verre huis met cv en kunststofkozijnen, waar iedereen hier zijn mond vol van heeft. De infanterie is door het dolle heen. Alsof ze er godverdomme bij zijn geweest. Daarginds zijn mijn zaken, mijn kruis en mijn geweten. Niet uw jurisdictie. Wat dacht u van het structurele geweld waar mijn dame van het woud mee leefde? Waarom jaagt u niet op dat monster? Staat u misschien op zijn loonlijst? Uw voetvolk probeert mij kwaad te krijgen en het lukt ze aardig, het lukt ze heel aardig. Ze proberen me te intimideren met hun snorren en hun vuist op tafel, met schamper gelach achter mijn rug. De insinuaties maken me kotsmisselijk. Het onvermogen om in mijn verleden en haar verdwijning iets anders te zien dan passende puzzelstukjes stelt mij diep teleur. Wat daarginds is gebeurd, in een ander land, is privé en heeft hiermee niets te maken. Noodlottige pech, meer heb ik er niet aan toe te voegen. Ik hield van mijn echtgenote. Natuurlijk hield ik van haar! Ik weiger mij te laten reduceren tot een vlaag van verstandsverbijstering. Is dat alles wat ik ben, een stommiteit, een ongeluk?

Voor de volledigheid vertel ik nog dat ik mijn sporen wiste, het karrenspoor volgde en aan het eind van de dag een complex van leegstaande gebouwen bereikte, verwaarloosd en met muren vol graffiti, een verroeste zaagmachine, relicten van feesten en agressie, waar ik sliep in het verdroogde leger van een mij onbekend beest, in een wilde geur, achter een dovend vuur. Een slecht onderhouden asfaltweg voerde vanaf het complex naar het oosten. Ik hield het midden, waar je de minste kans had je enkel te breken in een put. Genoeg te doen hier, meneer, voor een welwillende ambtenaar! Er was geen verkeer. Hierlangs moest zij zijn teruggekeerd, die wetenschap verstikte me, terug naar wie gepoogd had haar te wurgen. Het was heet, mijn water was op. Ik liep zo snel ik kon, misselijk van de honger en van voorgevoelens. Ik liep tot het bos eindelijk terugweek en uitdunde, in de verte ontstak men al lichten, en er schitterde iets langs de kant van de weg. De motor was koud. De sleutel zat in het contact. Een rode cabrio aan de bosrand. Ik speurde de omgeving af, riep haar naam. Verderop lagen haar handtas, mijn scheermes. Een competente rechercheur, als u over zo iemand beschikt, zou ongetwijfeld aanwijzingen vinden voor een schermutseling: ze moet zijn opgewacht, zoals ze wist dat zou gebeuren. Ontvoerd. God weet wat nog meer. Ten einde raad stapte ik achter het stuur en reed naar de stad. Toen ik werd aangehouden was ik juist op weg naar het bureau om melding te maken van haar verdwijning.

Ik weet niet waar ze is. Ik wist haar naam niet eens. Al die tijd in het bos heb ik me geen seconde afgevraagd hoe ze heette.

Joep Stapel (1980) schrijft over klassieke muziek voor NRC. In 2019 verscheen zijn debuutroman Kaf. Hij publiceerde poëzie, vertalingen en essays in Het Liegend Konijn, Terras en Filter en correspondeert op het duoblog Arletta met Jur Koksma over ‘anderlandse’ literatuur. 

Meer van deze auteur