Recht voor de Primark in Liverpool, op een vroege januariavond, begon ineens een rave. Een groep linkse activisten nam een winkelstraat over met luide techno en drum-‘n-bass, terwijl ze dansend protestborden vasthielden met teksten als ‘Fuck the Tories’, ‘Anti-Capitalist Dance Riot’, ‘Bass Not Bombs’, ‘Rave for Change’, en ‘Make Tories Afraid Again’. Toen ik het nieuws las, werd ik sentimenteel en warm vanbinnen. Ik stuurde het bericht naar mijn vrienden met als eloquent onderschrift ‘!!!!’ en ik wist meteen dat ik opnieuw wilde schrijven over raven, mijn favoriete tijdsbesteding waarover ik precies een jaar geleden op deze plek in De Gids nog zo beschaafd kritisch was.

Rave: een bijeenkomst van repetitief dansende mensen, onder begeleiding van een of meerdere dj’s die club, techno, house, jungle en elektronische aanverwanten draaien, meestal gedurende een lange nacht, liefst een heel weekend. Een tijdelijke autonome zone, een ritueel, en vaak, maar niet noodzakelijk, onder invloed van drugs. Een plek waar iedereen zichzelf kan zijn, waar iedereen gelijk is, arbeider en bourgeois, homo en hetero, zwart en wit. Die openheid had het in het begin tenminste, voordat rave big business werd, en blijft nog altijd het ideaal. (Een clubavond die gemarginaliseerde groepen uitsluit, mag geen rave heten, bepaal ik bij dezen.) Rave explodeerde in Europa vanaf 1988, een periode die de annalen inging als de second summer of love.

Een jaar geleden zag ik een aantal dans- en theatervoorstellingen over het onderwerp. Ik was zuinigjes met mijn bewondering, en vroeg me af ‘in hoeverre ik de opvoeringen van rave als de uitgelezen plek voor het bereiken van de zo begeerde collectiviteit eigenlijk wel geloof.Iets in al deze voorstellingen lijkt de rave- en clubcultuur te idealiseren – de politieke potentie van de club als subversieve ruimte; de plaats waar diversiteit en marginale culturen gevierd worden; waar het door de markt opgelegde mandaat van individualiteit wordt doorbroken, enzovoort.’ In de club ervaar ik deze collectiviteit niet zo vaak. Ik voel me er eigenlijk behoorlijk individueel en exclusief: ik maak me druk of ik wel de goede kleren draag, en klaag dat er te veel hetero’s op mijn favoriete queerfeest afkomen. Het is meestal pas in de dagen erna, wanneer ik een traag verlangen voel om terug te keren naar dat dampende, donkere clubhol, dat ik besef: ik heb daar iets meegemaakt, iets vluchtigs en bijzonders, wat in het daglicht niet bestaat.

Wat is dat ‘iets’? Het lukt me maar niet te doorgronden waarom ik er zo immens naar verlang, en waarnáár dan precies, elke week weer. De roes die ontstaat als je lange tijd dezelfde bewegingen herhaalt – een oeroude praktijk? De ontsnapping uit het regime van de rede? Het op niets gebaseerde wij-gevoel?

Het zal wel weer iets protestants zijn dat ik me na afloop ook altijd schuldig voel over zo veel grenzeloosheid en plezier, zoveel eindeloos lange, half herinnerde nachten waarna ik dagen moet herstellen, terwijl ik in die tijd ook tientallen stukjes zou kunnen schrijven of een geniale roman. Mijn wantrouwen voor rave is even groot als mijn liefde.

Iedereen die de ravecultuur beschouwt als hedonisme, exces, ultiem ironisch symbool van het laatkapitalisme, heeft immers gelijk. Zie al die twintigers en dertigers die doordeweeks aan yoga doen en cold juices drinken, terwijl ze in het weekend een pil slikken en tien, twaalf, vierentwintig uur achter elkaar in enkel een zwarte onderbroek zich overgeven aan de roes, aan de groep, zichzelf ondertussen feliciterend dat ze zo avantgardistisch bezig zijn. Om dan maandag weer fit en uitgelaten en vol wilde verhalen voor hun collega’s achter hun bureau te kruipen. Please, maak me wakker uit deze nachtmerrie.

Maar méér dan vorig jaar denk ik dat rave ook vonkt van politiek potentieel. Rave was een revolutie in een specifiek historisch moment, en hoewel ravers misschien geen idee hadden en hebben waar ze voor staan en zich zelfs apolitiek zouden noemen, is het een massabeweging, en waar massa is, is politiek. Wat de individuele raver er zelf van vindt is in het grotere geheel van ondergeschikt belang – zelfs al die snuivende yogadertigers drukken gezamenlijk tegen een grens aan.

De ravers in Liverpool wisten dat. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hun flashmob 2.0 een verwijzing is naar een machtige geschiedenis. En mochten ze die geschiedenis niet kennen, dan wel die van de Instagramgenieke straatraves in Tbilisi in 2018. Nadat de politie een aantal lhbtq-vriendelijke clubs was binnengevallen, protesteerden clubbers en gewone burgers gezamenlijk voor het parlement met een dagenlange rave. ‘We dance together, we fight together’ was de slogan.

In het Verenigd Koninkrijk was rave nog het meest een zaak van de institutionele politiek. In 1994 vaardigde de conservatieve regering de omstreden Criminal Justice Bill uit, die een einde moest maken aan de illegale feesten die complete weilanden zonder vooraankondiging overnamen. Massale protesten waren het gevolg, en niet alleen van de jeugd zelf: steun kwam uit onverwachte hoek, van plattelandsbewoners die niet in een land wilden leven waarin feesten in de ban werden gedaan zonder de jeugd een alternatief te bieden. In Nederland werden illegale raves aanvankelijk ook tegengewerkt, maar algauw – je verwacht het niet – werd er een verdienmodel in gezien en werd ons land de voorloper in de commerciële uitbating van house, techno en hardcore. ID&T werd een miljardenbedrijf en Nederlandse dj’s staan eeuwig bovenaan de lijst van ‘beste’ dj’s ter wereld (vraag me niet om mijn mening).

De Engelse kunstenaar Jeremy Deller maakte onlangs een briljante video over clubcultuur, Everybody in the Place, an Incomplete History of Britain 1984-1992, waarin hij een klas vol tieners uitlegt hoe rave vervlochten is met de sociale en economische veranderingen van het land. De tijd van Thatcher, van there is no alternative. Hij toont oude gravures uit de hoogtijdagen van de industrie, grote machines in volle vaart. En daarna dezelfde fabriekspanden, waarin nu bezwete jongeren met uitzinnige gezichten met repetitieve bewegingen de dampende machines in herinnering brengen. Raven noemt hij, onvergetelijk, ‘een doodsritueel om de overgang te markeren van een industriële naar een service-economie’.

Mijn broer en zus waren gabbers in de jaren negentig. Ze hebben beiden moeilijke levens, maar een paar jaar lang was het hún tijd, ze gingen op in de gabbercultuur en de hele familie genoot mee. Op hun slaapkamers toonden ze me hun parafernalia, ik betastte de ‘Aussie’-trainingspakken, het keiharde, helmachtige strakke kapsel van mijn zus. We beluisterden de nieuwste hardcoretechno en ze leerden me ‘hakken’, de oer-Hollandse dansvorm op deze muziek.

Laatst vertelde mijn broer, inmiddels born again christen, over de beroemde ‘handjesfase’. Even was het op gabberfeesten de gewoonte om elkaars hand te schudden. Overal waar je keek, iedereen was de hele tijd aan het handen schudden, vertelde hij. Stootte je iemand aan, geen probleem, je schudde elkaars hand, hé, hoe heet jij? Je hoefde maar oogcontact te maken en je kreeg een uitgestoken hand.

Ik voelde ze, die kleffe handjes, ik ervoer met hem de uitzinnigheid, en het verlangen naar een andere orde. Misschien is het raven van vandaag nog altijd een eerbetoon aan die tijd, van toen er eigenlijk niets te vieren viel, en gaat het om het levend houden van een herinnering; een ritueel om het afscheid van de gemeenschap te markeren.

Persis Bekkering (1987) debuteerde in 2018 met de roman Een heldenleven (Prometheus), die werd genomineerd voor de ANV Debutantenprijs. Kort proza verscheen onder meer in De Revisor, DW B en De Gids. Ze is redacteur van DIG en werkt aan een nieuwe roman.

Meer van deze auteur