Nog drie afslagen. Hij laat een auto voorgaan. Nog een. Er verschijnt een gat in de rij. Aarzelend manoeuvreert hij zijn wagen ertussen; met een beetje geluk wordt hij afgesneden door een hufter met haast, zo’n man die in een Opel rijdt alsof het een Maserati is en met een adem die ruikt naar een mengsel van vrijdagmiddagborrelbier en mondwater. Wint hij weer een halve minuut. Hoe langer het duurt, hoe beter. Maar hij krijgt de tijd en de ruimte – iets wat hem in het dagelijks verkeer nauwelijks overkomt. Nooit, als hij eerlijk is.

Hij houdt van de file, een mechanisch organisme dat wordt bevolkt door honderden zielen, en waarin hij even het idee heeft ergens onderdeel van uit te ma-
ken. Het is een man die vermoedelijk gelukkig zou zijn als hij in een toekomst geboren zou worden waarin alle aspecten van het leven volledig zijn geautomatiseerd.

Zon breekt door de leigrijze stapelwolken heen, speren van licht; hij stelt zich voor dat er een paard in de hemel galoppeert met daarop een man, een god, mooier dan in woorden is te vatten, soeverein. Het is een woord waar hij van houdt maar dat hij nooit zal gebruiken, zoals mensen een kledingstuk hebben dat ze graag zouden dragen maar nooit durven.

Ze hadden bij het vuur gezeten. Zij zat te dichtbij; het brandende hout vuurde gouden kogeltjes op haar af, ze kaatsten tegen haar bovenbenen, haar knieën, en hoger. Hij veegde halfslachtig het vuur van haar benen, ze liet hem begaan. Haar leek het niet te deren.

Of hij poëzie las, wilde ze weten. Hij wilde ja zeggen maar wachtte te lang. Op school had hij gedichten gelezen, maar het maakte hem onrustig. Ze gaf hem een dun schriftje. Er stonden losse zinnen in, geschreven in een steriel handschrift. Hij stopte het in de binnenzak van zijn jas.

Als hij zou afslaan, zou hij eerst bloemen kopen. Nee. Ze zou het aandoenlijk vinden, op z’n best. Dan zou ze de bos neerleggen en vergeten. Hij moest iets anders vinden, iets waar lef uit zou spreken, gevoel voor humor, intellect. Hij voelt het weer zwellen, in zijn borst, de ballon van hoop, een nooit eerder ervaren vermoeden dat er iets te overtreffen valt.

Hij kent haar al jaren, ze is een vriendin van vrienden. Hij kan zich haar niet meer herinneren van voor die dag. De schok van nieuw leven heeft zijn geheugen onomkeerbaar overhoop gehaald. Hij probeert zich situaties voor de geest te halen waarin hij haar had gezien. De keer dat hij met haar had staan praten op een feestje van de gedeelde vrienden; er was een barbecue, hij wist nog wat hij had gegeten (kippenworstjes en pastasalade) en welke jurk zijn vrouw droeg (een lichtblauwe spijkerjurk). Maar hij kan haar niet oproepen, alsof de herinnering aan haar was overgeschreven – het deel van de harde schijf waar zij was opgeslagen beschadigd. ‘Er heeft zich een fatale fout voorgedaan in de database.’

Voor het slapengaan, als zijn vrouw sliep, las hij een zin uit het schriftje.

Sommige denderen zijn bewustzijn binnen als soldaten een huis met onderduikers.

Tonight, my love
I am crying out your name into another man’s mouth

Of:

Here, I said, you forgot this part
and offered you a spoon of heart

Haar broek vat vlam. Het brandt tussen haar benen. Dan gaan haar buik, haar armen, haar nek en haar gezicht in vlammen op. Haren. Hij raakt in paniek maar kan niet bewegen. Ze brandt als een fakkel en niemand doet wat. De geur is onverdraaglijk.

Toen hij wakker schrok drukte hij het dekbed tussen zijn benen. De schaamte maakte hem misselijk.

De auto’s gaan sneller rijden. Met tegenzin drukt hij het gaspedaal in. Houdt expres afstand, misschien wurmt zich er nog een lefgozer tussen. Maar iedereen lijkt vandaag geduld te hebben. Hij passeert de eerste afslag. Over een kilometer is er een tankstation. Kan hij even stoppen. Tijd rekken. Sigaretten kopen.

De sigaret die hij met haar rookte was de eerste na dertig jaar. De sensatie van het roken zorgde voor een elektrificerende schok die hem tot in het diepst van zijn lichaam raakte. Niet zozeer de smaak als wel de beweging bracht een stroom van herinneringen op gang, sensaties en geuren, nauwelijks bewust opgemerkte ervaringen die zich in de onderbuik van zijn geest hadden vastgezet. De zurige smaak van te lang gekauwde kauwgum, de geur van grasvlekken in een pasgewassen jurk, de vorm van een sleutelbeen dat hij met zijn mond had afgetast, de Pyrrusoverwinning als hij de diepe warmte had durven betreden en het oneindige zwart dat hem omhulde als alles weer voorbij was. Het fietspad waar voor het eerst zijn borst opengescheurd was. ‘Nou, doei dan maar.’

De opluchting die hem overvalt als hij het terrein van het tankstation op rijdt, ontspant. Hij moet er acuut van plassen, parkeert zijn auto tussen de vrachtwagens en loopt haastig naar de toiletten. De zware geur van urine werkt kalmerend; kruidige mannenplas, oud vermengd met vers, smerig, aards. De blik die hij wisselt met een man die net de toiletten binnenkomt als hij weggaat, is vluchtig maar hij put kracht uit de vanzelfsprekendheid waarmee de man zijn bestaan lijkt te erkennen.

Het helpt dat hij niet per ongeluk in de spiegel heeft gekeken, een fout die hij soms maakt als hij zijn handen wast en die hem steevast een half uur hersteltijd kost. Hij is nauwelijks gewelddadig aangelegd, maar ten aanzien van mensen die beweren dat alleen het innerlijk telt, stond hij zijn geest zo nu en dan een sadistisch uitstapje toe. Zijn gezicht was een viering van nietszeggendheid. Was hij maar lelijk, dat was tenminste iets. Als je naar hem keek, zelfs als hij naar zichzelf keek, dwaalden je gedachten als vanzelf af, alsof het oog geen grip kreeg op zijn fysiek en eraf gleed als een kat van een glazen dak.

Gewapend met een pakje sigaretten en een blikje cola gaat hij in zijn auto zitten. Hij laat zijn stoel in de ligstand zakken en steekt een sigaret op. Zet de radio aan; generieke vanille-R&B vult de auto. Hij sluit zijn ogen en laat zich behoedzaam in de diepe bron van zijn verbeelding zakken, een plek waar hij herinnering mengt met verlangen en zijn angsten een explosieve verbinding aangaan met diep weggestopte wensen.

Ze ligt op een bank. Nee, wacht. Ze zit, een beetje onderuitgezakt, en ze verveelt zich. Wat ze precies draagt kan hij niet goed bepalen. Het is iets zwarts, zover komt hij. Als ze hem ziet verdwijnt de desinteresse uit haar blik. Lachen doet ze niet, dat doet ze nooit. Maar er is iets in de manier waarop ze naar hem kijkt waardoor hij op haar af durft te lopen en doet wat hij nog nooit heeft gedaan.

Hij schrikt op van een pijnscheut. Zijn vinger. De auto staat blauw. Zijn sigaret is opgebrand en de smeulende filter raakt zijn vinger. Raampje open, peuk naar buiten. Hij stapt uit en haalt diep adem. Er ligt een dun laagje zweet op zijn bovenlip, zijn kleding plakt aan zijn huid. De zure geur van angst, het bitter van de verbrande filter.

Het was op een zaterdag gebeurd, einde van de middag, in de rij bij de supermarkt. De zomer was begonnen en de warmte maakte de mensen mild, er werd meer geglimlacht dan normaal en de schrille ergernis die zo kenmerkend is voor de supermarktdynamiek ontbrak. Alsof iedereen onderweg was naar een feestje.

Er lagen garnalen in zijn winkelwagen, een paar flessen witte wijn, knoflook en een blikje deeg om zelf croissantjes van te rollen. Het was zo’n dag waarop hij een licht stijgende lijn voelde in zijn leven: zijn vrouw had die ochtend niet onwillig haar billen naar hem toe gedraaid en hij beleefde iets wat in de buurt van een orgasme kwam terwijl de ochtendzon op zijn gezicht scheen. De rest van de dag was in harmonie verlopen, hij de krant lezend aan tafel en zijn vrouw in de weer in de tuin. Hij had aangeboden die dag de boodschappen te doen – een bijzonder aanbod omdat hij normaal van weinig neerslachtiger werd dan van boodschappen doen op zaterdag.

Ze stond voor hem in de rij voor de kassa. Hij herkende haar niet toen ze zich omdraaide; pas toen ze naar hem glimlachte drong tot hem door wie ze was. Zijn ‘Hé, hallo’ klonk verbazingwekkend natuurlijk. Dat gevoel had hij nooit, in alles wat hij deed of zei klonk door dat het leven een worsteling was. Ze hé-hallo’de terug.

Het was niet meer dan logisch dat ze op hem wachtte zodat ze samen naar de parkeerplaats konden lopen. Dat hij met haar meeliep en haar hielp de boodschappen in de auto te zetten. En het sprak voor zich dat ze samen naar de ijssalon in het park naast de supermarkt liepen, omdat ze daar volgens haar het beste ijs van de stad verkochten, ook al hield hij helemaal niet van ijs. Ze had zin in een glas wijn, zei ze nadat ze haar ijsje – butterscotch en Baileys – op had. Dat kwam door het weer, verklaarde ze, en ze keek hem aan. Of hij dat ook had. Hij wist niet wat ze bedoelde, maar zei ja, om haar te laten merken dat hij haar begreep, ook al deed hij dat niet. Ze bestelden allebei een glas wijn. Rookten een sigaret. Toen belde zijn vrouw om te vragen waar hij bleef. Ze stonden op, zij wankelde en greep hem bij zijn pols. Hij keek in de spiegel en zag zichzelf met de vrouw aan zijn pols. Haar zag hij op de rug, ze had een rood topje aan dat open was aan de achterzijde, een donkere vlecht op een gebruinde rug, bollende billen in een spijkerbroek.

Een week later had hij haar gebeld. Om te vragen of ze iets wilde drinken. Hij had het gedaan zonder erover na te denken, als in een waas.

‘Ja, leuk.’

Hij wist niet eens of ze een man had, of een vriend. And the band played on.

Hij rijdt weer in het kruipende verkeer. Raam open om de vervuilde lucht kwijt te raken. Daar is de tweede afslag. Nog maar vijf kilometer. Er is een hotel niet ver van haar huis. Het heeft een goed restaurant. Zijn vrouw weet dat hij laat is die avond. Voor een cadeautje is het nu te laat. Misschien ook wel zo chic. Alsof ze te koop zou zijn. Het is een Japans restaurant. Hij zou voor haar bestellen; op internet had hij opgezocht wat liefhebbers van Japans eten graag aten. Iets met rauwe vis, dat sowieso, dat maakte indruk. De wijnkaart had hij online bestudeerd. Een merlot uit Pomerol. En een glas champagne vooraf, als hij durfde. De stoel voor haar naar achter schuiven. Haar sigaret aansteken. En later, zijn handen zacht om haar hals, zijn vingers in het kuiltje van haar nek, de deukjes achter haar oren, onder haar schouderbladen. Zijn handpalmen tintelden als hij eraan dacht, er schoot een kramp door zijn lendenen.

Een paar weken later spraken ze af. De zomer was ten einde, maar het was nog aangenaam. Op het terras stonden vuurkorven, ze hielden hun jas aan en dronken rode wijn.

‘Gescheiden,’ antwoordde ze.

‘O,’ zei hij.

‘Drie jaar getrouwd, vier jaar alleen.’

‘Goh.’

Hij zag een doel, maar zocht de bal.

‘Wat doe je ook alweer voor werk?’

Ze keek hem even peilend aan.

‘Ik werk in een ziekenhuis.’

Hij knikte. Zijn brein zat op slot.

‘Jij?’

‘Computers.’

Zo schoven ze nog een uur met woorden, alsof het gesprek een exotisch gerecht was waarvan ze niet wisten hoe ze het moesten eten. De wijn versoepelde het nauwelijks.

Op het toilet keek hij naar zijn spiegelbeeld. Van nietszeggendheid was nu geen sprake. De spanning gaf zijn gelaat diepte; aantrekkelijk was hij nog steeds niet, maar zijn blik straalde hongerigheid uit. Wanhoop, als je beter keek. De avond leek in niks op wat hij zich ervan had voorgesteld. Hij moest aanvallend zijn. De regie in handen. Verleiden. Haar interesse in hem aanwakkeren door dubbelzinnigheid en ongerijmdheid te suggereren – dat had hij gelezen in een boekje over de kunst van het verleiden. Rationeel en gevoelig, diepzinnig en oppervlakkig, zachtaardig en agressief. Ieder mens is een vat vol tegenstrijdigheden, buit dat uit, zei het boek. Maar hoe hard hij ook nadacht, hij kon niet één eigenschap verzinnen, laat staan het tegendeel.

Het beetje moed dat hij had weten te verzamelen op het toilet verdween toen hij zag dat ze was opgestaan.

‘Ik moet gaan.’

‘Natuurlijk,’ zei hij.

Hij bracht haar met zijn auto naar de tramhalte. Ze maakte haar gordel los. Bleef een paar tellen zitten om fietsers te laten passeren, uitgelaten jonge mensen op weg naar de stad. Toen draaide ze zich plotseling om en helde naar hem toe. Beiden lieten ze zich door de ander zoenen waardoor de kus een laffe nasmaak achterliet. Ze meden elkaars blik en ze verliet met een ‘Dank je voor de lift’ de auto. Hij drukte het gaspedaal diep in en reed met een voor hem ongekende snelheid de stad uit.

In de zes maanden die op de avond volgden had hij haar drie berichtjes gestuurd. Ze beantwoordde er twee. Met ‘Ik ook’ en ‘Dank je’. Daarachter een dubbele punt en een haakje sluiten: een smiley. Het was genoeg om niet minder dan een kathedraal van liefde te doen oprijzen. In de file, tijdens lunchpauzes die hij achter zijn computer doorbracht, ’s avonds in bed als zijn vrouw sliep, elk moment alleen ging zijn geest met hem aan de haal, ontleedde hij haar gedrag tijdens de ontmoetingen en onderwierp hij elke beweging en stembuiging aan een minutieuze analyse. Het schriftje onderwierp hij talloze malen aan een exegese. Eenzaam en onthecht, chagrijn verpakt als charme, charme verpakt als chagrijn, vuur onder een laag ijs. Natuurlijk liet ze zich niet vangen. Hij was de getrouwde man. Zij de kwetsbare. Degene die haar hart opdiende.

Ongemerkt spon hij met de stroom van gedachten die zijn hersenen bleven genereren een plattegrond van een leven met haar. Hij had geen kinderen die hij kon traumatiseren. Zij was nog jong genoeg om kinderen te krijgen. Een kans op een gezin. Alsnog. Zijn vrouw zou het begrijpen. Sterker, het zou voor haar ook een kans zijn. Ze zouden bevriend blijven. Ze zou onderdeel uitmaken van zijn nieuwe leven. Dat gebeurde, daarover had hij weleens iets gelezen in een bijlage van de zaterdagkrant waarin volwassen mensen benijdenswaardig verstandige dingen zeiden over het leven en de liefde.

Nog vijfhonderd meter. Aan het eind van de afslag twee keer links, één keer rechts. Dan stond hij voor haar huis. Ze zou hebben voorvoeld dat hij zou komen. Toch zou hij haar overvallen. Of hij even wilde wachten in de keuken, dan trok ze wat anders aan. Hij zou een biertje krijgen en aan haar keukentafel gaan zitten. Foto’s van haar aan de muur, jonger en zorgeloos. Hij zou zichzelf zien zitten in de weerspiegeling van het keukenraam. Een man die wist wat hij wilde.

Marte Kaan (1977) werkt als psychotherapeut en schrijft. Eerder verschenen van haar de essaybundel Lang leve de liefde, de verhalenbundel Saboteur (genomineerd voor de J.M.A. Biesheuvelprijs en ANV Debutantenprijs) en de roman Wij houden alleen van onszelf. Haar laatste publicatie was het essay ‘Onderbuik’, over de vraag waarom we steeds onredelijker worden wanneer we redelijk proberen te zijn.

Meer van deze auteur