De eerste keer dat ik een stervende zag was ik een kind van dertien, zo oud als mijn zoon nu.

Een paar weken voordat mijn overgrootmoeder Jedda Khdija stierf, heb ik afscheid van haar genomen. Dat had indruk op me gemaakt omdat ze dementeerde en vrijwel onherkenbaar was. Ooit was ze een stevige, beleefde en zeer statige dame die van orde en structuur hield. Tegen mij was ze vriendelijk en lief, wellicht omdat ik haar eerste achterkleinkind was, maar dat was ze niet tegen iedereen.

Jedda Khdija was een uitzonderlijk type. Ze woonde op een landgoed in het zuiden van Marokko en had een voorraadkamer waar een tiental hoge terracotta potten en schalen met zuivere honing, amlou, geklaarde boter, arganolie en diverse voorraden noten en granen stonden. Haar keuken was een combinatie van een ouderwetse Franse keuken, inclusief een metalen eiermandje en tegeltjes met eettaferelen, en een traditionele Marokkaanse keuken met een vuurpot op de grond en kannen met karnemelk. Ze had een Napoleon-bed van kersenrood velours en notenhout en op haar kaptafel stonden Italiaanse poedertjes en parfumverstuivers.

De laatste keer dat ik haar zag was de vrouw die ze ooit was als een rozijntje verschrompeld. Haar magere lijfje rook onaangenaam en ze lag in een hoekje van de kamer op een matrasje waar ze genadeloos vloekte. Ik kuste haar vaarwel en in een helder ogenblik zei ze dat het de laatste keer was dat ik haar zou zien.

Daarna volgde het afscheid van vele geliefden, levenden en doden. Het meest pijnlijke afscheid kwam veel later, dat was van mijn twee dierbare vriendinnen. Vrouwen met wie ik diep verbonden was en die ik moest laten gaan. Hun gemis draag ik nog steeds als een holle ruimte in mij.

In de afgelopen weken heeft mijn zoon afscheid moeten nemen van zijn oom. Mijn zoon heeft vaker een begrafenis en afscheid meegemaakt maar had nog nooit een stervende gezien, laat staan een direct familielid. De dood was nog nooit zo voelbaar geweest.

Hij vond het spannend maar koos dapper voor afscheid. De stervende zag er anders uit dan normaal. Hij was vermagerd, zijn huid was bleek en zijn sprankelende ogen waren gesloten. Ik bereidde mijn zoon voor, voor zover je een kind op de dood kunt voorbereiden. De dood en voorbereiding kruisen elkaars pad zelden.

De stilte en de penetrante geur van de dood op de afdeling vertraagden onze pas. Ons neefje liet ons binnen. Mijn zoon hield afstand van de stervende en na een tijdje wende hij aan het aanzicht van zijn verwant, die snel deze wereld zou verlaten. Ik keek naar de drie, die zelfs nu een overduidelijke gelijkenis vertoonden. Deze drie familieleden zouden nooit als volwassen mannen een gesprek met elkaar gaan voeren. Ze ondervroegen mij over hun familie en over hun grootmoeder en grootvader, die ze vrijwel niet kenden. Na het afscheid zei mijn zoon: ‘Ik zal nooit meer met hem kunnen praten hè mam?’

Tijdens de wandeling naar huis volgden nog meer vragen over het hoe en waarom van de dood van zijn oom, vragen over vaders en zonen, familiebanden en doodgaan. Vragen waar ik soms geen antwoord op kon geven en soms was het antwoord alleen maar een hand op zijn jonge schouders.

Thuis hebben we kaarsjes aangestoken voor de stervende. Na twee dagen verliet zijn oom dit bestaan. Mijn zoon keek wat verslagen en verdrietig, ik herkende het gezicht dat hij had toen zijn geliefde huisdier Spencer stierf.

Spencer de Russische dwerghamster stierf een jaar geleden in ons huis. Hij was ziek en medicijnen mochten niet meer baten. Spencer hapte de laatste dagen letterlijk naar adem, zijn oogjes waren dicht en hij lag slap in mijn zoons handpalm. Ik druppelde twee druppels water in de zijkant van zijn bekje. Met moeite slikte hij ze door. We legden hem terug in zijn kooi. Hij strompelde en klom via de rieten trap naar zijn lievelingsplekje, het terracotta potje. Zijn hoofdje hing er slap bij en hij viel in slaap. We waakten een paar dagen lang. Mijn zoon zat naast hem op de grond terwijl hij op YouTube skatefilms keek en tussendoor het trage ritme doorbrak met bakjes chips en tranen.

De laatste uren liet ik mijn zoon weten dat het niet lang meer zou duren voor Spencer zou sterven. Zijn kleine lijfje vocht heftig tegen de dood. Hij bleef de vloeibare pijnstiller en het water slikken dat we hem gaven, en hij deed ook pogingen om rond te kijken.

Na twee dagen ging ik de deur uit om mijn longen te vullen langs de Amstel. Toen ik na een kwartier thuiskwam trof ik mijn zoon huilend aan. ‘Hij ademt niet meer mama.’ Ik stak mijn hand in de kooi. Spencer had zijn moment gekozen om te sterven, alleen met mijn zoon en tot mijn verbazing was hij al wat stijf. ‘Wordt hij nu nooit meer wakker? Echt nooit meer? Zal ik hem nooit meer zien in dit leven?’ Een zee van tranen zou volgen.

Spencer kreeg zijn laatste kusjes en er werd hem nog een liefdesverklaring voor het hiernamaals in het oor gefluisterd. We vulden zijn geliefde terracotta potje met zachte katoenvezels, legden hem erop en dekten hem toe met roosjes en lavendeltakjes. We brandden kaarsen naast zijn ‘kist’ en mijn zoon schreef een brief voor hem.

De volgende dag fietste ik met een dood huisdier in de bak voor op en mijn zoon achter op de fiets langs de Amstel op zoek naar een geschikte plek voor een waardig graf. Een graf langs de Amstel en onder een boom. We gingen secuur te werk. We legden hem erin, markeerden het en legden er bloemen op. Daarna volgde een periode van rouw, vol fijne herinneringen, het opruimen van zijn spullen en van herdenken.

Afscheid door de dood is het pijnlijke deel van het leven. De begrafenis van de oom hebben we niet meegemaakt, maar de kaarsjes voor zijn ziel hebben nog dagen gebrand.

Nisrine Mbarki (1977) is schrijver, dichter, literair vertaler en programmamaker. Ze schrijft poëzie, theaterteksten en korte verhalen. Ze vertaalt uit het Arabisch naar het Nederlands. Haar werk verschijnt regelmatig in literaire tijdschriften als De Gids, Tirade en Poëziekrant

Meer van deze auteur