Ik had me Charons boot altijd als zwaarbeladen voorgesteld, overvol met weeklagende zielen op hun laatste reis over de Styx, de lucht en ook het water zwart en donker. Maar dit schilderij van Joachim Patinir toont de rivier als helderblauw en de lucht daarboven is weliswaar niet onbewolkt, maar zonnig. Deze boottocht wordt niet gemaakt bij nacht en ontij, maar op een lentedag, het weer ongeveer zoals op het moment waarop ik dit schrijf. Het landschap dat de rivier doorsnijdt is een mengeling van het christelijk hiernamaals en de Griekse onderwereld. De rechteroever, voor de kijkers links, toont een paradijselijk groen landschap en een hemelse fontein in de verte. Een engel staat klaar om de ziel in de boot te verwelkomen. Die is echter niet geïnteresseerd, en kijkt verlangend de andere kant op. Ook daar zijn de oevers groen, maar achter die groene onschuld wacht de meerkoppige hellehond, wakend over de ingang van een grimmige toren, waar gemartelde bewoners krachteloos over de kantelen hangen. Op de achtergrond branden de vuren, laaien de vlammen hoog op.

Joachim Patinir, Charon vaart de Styx over, ca. 1520–24

Museo del Prado

Ook al heeft Charon maar een enkele passagier, toch lijkt het hem moeite te kosten om de boot vooruit te krijgen. Zijn haren en de doek die hij heeft omgeslagen wapperen in de blijkbaar sterke wind, misschien roeit hij stroomopwaarts. Zijn blik is niet op zijn passagier gericht, maar op ons, die immers dezelfde keuze moeten maken. Het doek werd geschilderd in de late middeleeuwen, een turbulente tijd, slechts enkele jaren nadat Luther zijn stellingen aan de kerkdeur van Wittenberg had genageld. Een tijd waarin de gevolgen van je keuzes voor je onsterfelijke ziel misschien meer op de voorgrond stonden dan eerder of later. Een tijd, misschien, waarin er opeens een keuze was en daarmee verantwoordelijkheid, het risico om verkeerd te kiezen. Want de ziel, dat zie je op dit schilderij, is een klein en kwetsbaar wezen. Het is bijna ontwapenend, hoe hij opgewekt en haast reikhalzend uitkijkt naar zijn aankomst op de bedrieglijk groene oevers van de hel, als een naïeve toerist op weg naar de volgende attractie. Hij kijkt wel, maar hij ziet niet: in onze tijd had hij ongetwijfeld prachtige plaatjes geschoten van die fotogenieke vlammen in de verte.

Terwijl Charons boot verder vaart raadpleeg ik mijn woordenboek. Er kunnen niet veel woorden bestaan waarvan de verschillende betekenissen zo met elkaar conflicteren:

1 Ziel: 1. Het niet-stoffelijke, althans stoffelijk niet te bepalen beginsel op grond waarvan de mens leeft; in psychologische zin meer als het vermogen om gewaar te worden en te begeren, de zetel of bron van de gedachten, van het gevoel en de wil; het onbewuste, het niet logisch te beredeneren gevoels- en driftleven; 2. (In de ruimste zin) het geheel van verschijnselen die in meerdere of mindere mate verschillen van de verschijnselen die het lichaam vertoont; 3. In bespiegelende of godsdienstige zin opgevat als een hoger beginsel, van goddelijke oorsprong en onsterfelijk geacht, als eeuwig en goddelijk deel van de mens, tegenover lichaam; 4. Persoon m.b.t. het onder 1 genoemde beginsel; 5. Menselijk individu, ongeacht leeftijd of sekse; 6. De werkende kracht in iets, het voornaamste, het onmisbaarste, wat het leven geeft; 7. Naam voor het inwendige van verschillende voorwerpen.
2 Ziel: (verouderd) Lijfje (uitdr.) op zijn ziel geven.

De ziel is dat wat leven geeft, maar ook het enige dat achterblijft na de dood; het is al het niet-lichamelijke, maar was ooit ook het lichaam zelf; het is de zetel van onze gedachten, maar het is ook het onbewuste; het is dat wat ons van niet-mensen onderscheidt, maar ook de aanduiding voor het binnenste van een hele reeks aan voorwerpen. De verwarring die uit het lemma spreekt, is de neerslag van vragen die ons door de eeuwen heen misschien wel meer dan wat ook bezighielden. Wat maakt het leven de moeite waard? Hoe lichamelijk is ons wezen? Hoe groot is de kloof tussen mens en dier? Je kunt ze samenvatten in een enkele vraag: wat het betekent mens te zijn.


Wat het betekent mens te zijn, want dieren hebben geen ziel. Dat is tenminste wat theologen en filosofen steeds hebben geprobeerd te bewijzen, zo ongeveer sinds het moment dat er een wederopstanding in beeld kwam, en het idee van een hemels hiernamaals. Want daarmee veranderde de geografie van de dood, maakte de schimmige onderwereld van de Klassieken plaats voor een tweedeling zoals die door Patinir geschetst werd: hier een groene, rustige wijk voor te benijden zielen, daar een grimmige en uiterst gewelddadige achterbuurt. Zoals dat gaat bij welvarende wijken was er een inspanning voor nodig om het exclusieve karakter van de hemel te bewaren. Augustinus maakte onderscheid tussen de ratio van de mens en de bruutheid van het dier, en volgens Thomas van Aquino hadden dieren geen intellect. Ze konden dus onmogelijk naar Gods beeld zijn gemaakt, zoals de mens met zijn vermogen tot logisch redeneren dat wel was. Ratio bleek een cruciale voorwaarde om de hemel te mogen binnengaan. En bovendien: wat zouden dieren daarboven eigenlijk moeten? Ze leefden om de mens te dienen met hun wol en melk en vlees, maar in de hemel zouden er geen kleren nodig zijn en ook geen voedsel. Geen ziel zou er nog werken, dus konden ook de dieren onmogelijk worden benut en zouden dan ook ontbreken in de perfect geordende wereld die ons wachtte na de dood.

De vraag was alleen wel hoe die wereld eruit zou zien: als een stad, een tuin, of een combinatie daarvan. Het Bijbelse boek Openbaringen beschrijft de Stad Gods als volledig gemaakt van goud en edelstenen, een beeld dat vroege christelijke geschriften overnemen. De aanwezigheid van dieren zou niet bevorderlijk zijn voor zo’n perfecte stad – ik stel me voor hoe hevig onze voorgangers verlangden naar een stad waar je niet struikelde over de kippen en varkens en de paardenmest; waar de intense stank van de looierijen ontbrak.

Maar als het hiernamaals geen stad was, maar een immense tuin, een idyllisch landschap zoals dat wat de ziel in Charons boot geen blik waardig keurt, dan zouden ook dieren daar wel een plek kunnen vinden. Je ziet ze ook op Patinirs schilderij, grazend tussen de bomen en drinkend aan de oevers. Er bestaan beschrijvingen uit de tweede eeuw die benadrukken hoe groot de oogsten in dat hiernamaals zouden zijn, hoe heerlijk de vruchten. Te midden van zoveel overvloed hoeft niet te worden gevochten; daar eten leeuwen stro, daar spelen wolven gemoedelijk met lammetjes en kinderen met gifslangen zonder dat er iemand gewond raakt. Dit was niet de bloedeloze hemel van de intellectuelen, maar een plek voor normale mensen, die zich geen hemels leven konden voorstellen waar je niet kon bijten in een pruim zo rijp dat het sap over je kin droop.

Dat vegetarisch vergezicht had nog een ander voordeel, want ook de theologen waren zich al snel zorgen gaan maken over het vlees. Het menselijke vlees welteverstaan, en in het bijzonder dat gedeelte van het vlees dat door dieren verslonden was. Want het is één ding om je de ziel voor te stellen als niet-lichamelijk, een totale transformatie van ons aardse vlees, zo ongeveer als we ons nu een geest voorstellen. Ingewikkelder wordt het wanneer je gemartelde christenen in het hiernamaals een geheeld lichaam wilt teruggeven. Hoe moest dat als dieren niet de hemel in konden, maar het lichaam van zo’n martelaar door een leeuw was verslonden? De paradox was uiteindelijk van belang voor elke sterveling, want ten slotte zou iedereen worden verorberd door de wormen. Omgekeerd gold de vraag ook. Als dieren niet het hiernamaals in mogen, hoe moest het dan na de Wederopstanding met hun door mensen gegeten vlees? Het antwoord daarop was eenvoudiger: de dieren mochten van geluk spreken dat ze menselijk voedsel waren geworden, want dat maakte ook hen mens en gaf dus toegang tot de hemel.

Door de eeuwen heen zouden we ons inspannen om de ziel van het dier gescheiden te houden van de onze. We richtten onze wetenschap zo in dat die argumenten te over leverde voor die kloof, zodat we de intelligentie en de gevoelens van dieren niet hoefden te zien. Maar die kloof was nooit de enig mogelijke manier van kijken. Er bestonden altijd al perspectieven die de nadruk legden op het web van het leven, een ecologische blik avant la lettre. De christelijke variant daarvan benadrukte de verbondenheid van verschillende levensvormen, de eenheid van de schepping die ook in het hiernamaals terug zou komen. En terwijl ook in het verleden maar weinigen zich zullen hebben bekommerd over de zielen van het slachtvee, getuigen grafstenen en gedichten ervan hoe in de vijftiende eeuw sommige rijken ervan overtuigd waren dat hun geliefde hondjes – dieren met namen als Aura en Viola – een plek in de hemel hadden gevonden. Een ziel kun je slechts gunnen aan die wezens met wie je een relatie aangaat. Zodra je een ander dichtbij laat komen wordt het immers moeilijk om het niet te zien: die raadselachtige werkende kracht, dat onmisbaarste, dat wat leven geeft.


Het is tijd om ons weer bij Charon te vervoegen, nog heel even en dan zal hij zijn boot wenden. De passagier heeft zijn keus immers gemaakt, kijkt verlangend naar het zwarte gat van zijn toekomst. Zijn naakte, bleke lijfje doet mij denken aan dat van Voldemort op zijn zwakste momenten, toen zijn streven naar onsterfelijkheid ten koste van alles hem zo kwetsbaar had gemaakt dat hij slechts door anderen kon overleven. Toen ­David Hume de onsterfelijkheid van de ziel overwoog, kwam hij erop uit dat niets in deze wereld eeuwig is. Dat elk wezen, hoe sterk het ook lijkt, voortdurend beweegt en verandert. Ja, dat de wereld zelf tekenen vertoont van breekbaarheid en ontbinding.

Er bestaan volkeren die waarschuwen dat je niet met je hoofd stroomafwaarts moet slapen, omdat je dan het risico loopt om je ziel te verliezen. Er bestaan volkeren die denken dat je niet één, maar veel meer zielen hebt. Er bestaan volkeren die het als een vorm van blindheid beschouwen, wanneer je niet in staat bent om de zielen van niet-menselijke wezens waar te nemen. Wanneer je wel kunt kijken, maar niets ziet.

Wytske Versteeg (1983) schrijft romans en non-fictie. Haar werk is vertaald in zes talen en werd bekroond met o.m. de BNG Bank Literatuurprijs en de Frans Kellendonk-prijs. Haar recentste boek Verdwijnpunt (2020), een persoonlijk en filosofisch essay over trauma, haalde de longlist van de Boekenbon Literatuurprijs. Versteeg is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur