Een rechthoekige, metalen balk steekt dwars door het ijs, meters de lucht in. We staan er in een cirkel omheen. Het metaal is grijs en mat. Beslagen door de kou. We vragen ons af: kan die zware, metalen balk een lont zijn, die we ontsteken met de warmte van onze handen? We strekken onze armen uit. Leggen onze handen op dat ijskoude metaal. Daar waar we ze weer optillen, zijn glimmende, zwetende, handvormige vlekken ontstaan. Het metaal glanst even. Waarna de vlekken langzaam weer beslaan.

Parc Montsouris, 19-7-2020

Het lage zonlicht valt door de laan die langs het park loopt. Het is avond en alles is nevelig. Het verrast me dat dat verre, late zonlicht nog zo warm voelt op mijn huid. Ik loop door het park tot ik een plek vind waar ik wil zitten. Het gras is koel. De grond neemt de hitte van de dag van me over. Het voelt als een omhelzing, zoals water je omvat wanneer je zwemt.

Gisteravond zat ik met mensen die ik net had ontmoet in het café. We hadden de tafels tegen elkaar geschoven. Het was druk en rumoerig en nog steeds voelde ik me femme. Ik werd omringd door mensen die ik nauwelijks kende, maar dat hield me niet tegen. Ik voelde me lang, zacht en sierlijk. Het kwam niet naar buiten, maar ik voelde hoe het zich in me uitstrekte. Nu ben ik alleen en is de dood weer dichterbij. Al is dat niet het goede woord. Ik bedoel het overspoelende. Die compleetheid die zo dichtbij is, maar waar een sluier voor hangt.

Mijn rokje is kort. Ik wil op mijn buik gaan liggen – dat schrijft lekkerder – maar ik ben bang dat voorbijgangers dan mijn onderbroek kunnen zien.

Dit is wat in het café gebeurde: de vereniging van twee onverenigbare dingen. Het alleen zijn en het samen zijn. Het volgen van de lijn die door het lichaam heen loopt, waarlangs iets warms van diep onder de grond via de voetzolen omhoog vloeit, waar het zich verzamelt in de buik en vervolgens verder stijgt om via de mond en ogen naar buiten te stromen als een wit licht. Waarna dat licht vanaf het gezicht op andere dingen valt, terugkaatst. Of nee: dat is waar ik de potentie toe voelde.

Er gillen kinderen, maar ze zijn ver weg.

Ik ga op mijn rug liggen. De windveren in de lucht zijn gigantisch. Als ik mijn arm uitstrek passen ze soms net wel, soms net niet, tussen mijn gespreide duim en wijsvinger.

Queerness en de dood zijn voor mij altijd met elkaar verbonden geweest.

Er is één plukje wolk dat lager bij de grond zweeft, in een andere richting dan de windveren. Tegenovergestelde bewegingen zijn uiteindelijk deel van hetzelfde systeem.

De dood was dichtbij toen ik eergisteren afscheid nam van mijn partner. De wekker ging om halfzes. Zij bleef in bed liggen. Nadat ik de laatste spullen had ingepakt, schreef ik een briefje op de keukentafel en ging ik naar boven om haar in haar halfslaap een kus te geven.

Ik had de avond ervoor al bedacht wat ik op zou schrijven. Toen overstroomde dat gevoel in me. Ik moest het haar meegeven, voor ik wegging, voor het gevoel wegging. Maar toen ik het briefje schreef, was het al weg. Het was van de avond ervoor.

Er stond: ‘Ik ben al zo dicht bij je.’

Er zit een zoenend stelletje onder de boom. Het is zichtbaar dat het spannend voor ze is. Dat dit een eerste ontmoeting is. Nu ze elkaar eenmaal aanraken is het moeilijk voor te stellen dat ze elkaar ooit niet hebben aangeraakt.

De nacht voor ik vertrok kon ik niet slapen. Ik lag op mijn zij in bed en wilde dat mijn partner achter me kwam liggen, tegen mijn rug aan, met haar handen op mijn borsten. Ik dacht na over hormoontherapie. En voor het eerst was dat iets wat ik zou kunnen willen. Om mijn secundaire geslachtskenmerken te veranderen. Op dat moment brak er iets in me. Ik voelde iets opengaan. En toen kon ik uitademen. Ik ging op mijn rug liggen en wilde dat het zacht was, die harde borstkas, dat die harde buitenkant zacht was. Dat er iets door die oppervlakte heen kon stromen.

Overal hangen sluiers, die binnen en buiten van elkaar afscheiden.

Queerness gaat voor mij over grenzeloosheid. Het benaderen van wat nu aanwezig is, niet vanuit vooraf gevormde denkkaders, maar vanuit een luisteren naar wat aanwezig is en hoe dat benaderd wil worden. Wat natuurlijk onmogelijk is. Denkkaders zijn onvermijdelijk. Ik gebruik ook termen om mijn eigen non-binair-zijn te onderzoeken. Maar ik hoop dat ik die termen fluïde in kan zetten, in dienst kan stellen van dat waar het voor mij om gaat: iets zonder grenzen zichzelf laten aandienen. Als ik me de dood voorstel, dan is het die allesomvattende grenzeloosheid. Los van het lichaam, de tijd, woorden. Alles valt uit elkaar en wordt opgenomen door de natuur. De grens tussen jezelf en de buitenwereld is dan niet iets wat je nog lang kunt volhouden.

Het verlangen om in transitie te gaan had ik ook in het café. Er is veiligheid voor nodig om het femme-zijn toe te laten. Het vervliegt zo makkelijk. Het was onvoorstelbaar dat ik het nog steeds kon voelen terwijl ik met zoveel mensen was. Als een potentie die ik hoe dan ook in me borg. En ik voelde dat hormoontherapie dat femme-zijn, de tussenpositie die ik inneem, nog meer in mezelf kon verankeren. Om het non-binaire letterlijk te belichamen.

Een andere overeenkomst tussen dood en queerness is de manier waarop de grenzeloosheid ervan een overspoelende hoeveelheid aan emoties los kan maken. Het is alsof je radicaal openstaat, geen huid meer hebt. Alsof het leven juist heel dichtbij is.

We komen elke dag terug om onze handen op de balk te ­leggen. We wisselen elkaar regelmatig af, zodat onze huid niet bevriest. Een constant om elkaar heen draaien. Een dans haast, met de balk als middelpunt. Het is een instinctieve bezigheid. We doen het zonder te overleggen. Alsof we voorbereid waren op deze gebeurtenis. We zijn niet verbaasd. We waren onze verbazing al te boven toen deze vorm onder het ijs opdoemde.

De dans heeft een reden. Om zoveel mogelijk lichaamswarmte af te dragen aan de balk. Het duurt steeds langer voor de zweterige, handvormige vlekken weer beslaan. Aan het eind van de dag is ons werk het zichtbaarst. Dan glimt de balk. Het ijzer is niet dofgrijs, maar zilver. Roze zelfs, in het licht van de ondergaande zon. Voor het donker wordt, gaan we terug naar onze huizen. Terwijl we slapen zal de nacht ons werk weer ongedaan maken.

Jardin du Luxembourg, 21-07-2020

De zon brandt op mijn huid. Er is hier weinig beschutting en nauwelijks gras. Het is druk en ik voel me onwelkom. In het midden van het park staat, omringd met volle terrasjes, een gigantisch paleisachtig gebouw, waar mannen met geweren patrouilleren. Er drukt vanbinnen iets tegen mijn keel aan. Ik blijf lopen totdat ik bij de bomen kom, loop door tot het gebladerte dichter wordt.

De hele ochtend was ik bezig met een mail naar een organisatie die op haar site mijn oude naam en voornaamwoorden had gebruikt. Ik vraag me altijd af hoe dat in zijn werk gaat. Welke overwegingen zich in het hoofd van zo’n medewerker afspelen. Hoe je uitkomt op de conclusie: ‘Hier staat een woord dat ik niet ken, laat ik het zonder te overleggen veranderen in iets wat ik wel ken, dat zal vast niemand merken.’ Wonderlijk. Maar dan ben ik dus wel de hele ochtend bezig met het opstellen van zo’n mailtje. Mezelf voorbereidend op een gesprek waarin ik zelf ter discussie sta.

Overal tussen de bomen staan stoeltjes, die mensen neerzetten waar ze willen. Ze lezen, werken en doen yoga in de vlekkerige schaduw van de bomen. Ik heb een van die stoeltjes gepakt en aan de rand van het pad gezet. Ik zit op dat stoeltje tussen de mensen en huil stil achter mijn zonnebril. Waarom weet ik niet.

Naast het pad staat een standbeeld van een hert. De kop triomfantelijk de lucht in gestoken. Twee kleinere reeën liggen aan zijn voeten.

Het waait hard. Het is te zien aan de bomen. En aan de stofwolken boven een pad verderop. Maar waar ik nu zit, voel ik het niet.

De sluier is weer dikker geworden.

Er zit zo’n verdriet achter. Waar dat toch vandaan komt. Ik moet denken aan een telefoongesprek dat ik vorige maand met mijn moeder voerde. Ik was op residentie op het Zeeuwse platteland en voelde me constant bekeken. Na een telefoongesprek van een uur zei ze: ‘Ik voel een diep verdriet. En ik geloof niet dat dat van mij is.’

Gisternacht was ik op een feestje en het kwam voor de mensen daar als een verrassing dat ik andere voornaamwoorden gebruikte. Ik wou dat mensen konden ruiken dat ik geen man meer ben, maar het gender kleeft aan me. Het is geen deel van me, maar het blijft dat ik zo word gezien.

In de verte zie ik een beeld van een besnorde man, een buste, en alweer een kleiner beeld van een vrouw naast de sokkel.

Ik heb niet altijd kunnen huilen. Ik weet nog precies wanneer ik het herleerde. Dat was een jaar geleden. Ik lag in bed en kon niet slapen en dacht na over voornaamwoorden. Opeens legde een gedachte met een ontzettende helderheid zich in me neer. Dat de enige reden om geen andere voornaamwoorden te gaan gebruiken, het enige wat me tegenhield, was dat ik rekening hield met anderen. Dat het voor mijn omgeving wennen zou zijn. Terwijl ik het zelf alleen maar fijn vind als anderen aangeven hoe ze aangesproken willen worden. En toen kon ik mijn eigen schroom zien. En daar overheen stappen. Ik voelde iets in mijn buik omhoog komen. Ik wist niet wat het was. Of het een schreeuw was, of dat ik moest kotsen. Mijn keel zat dicht. Het kwam er niet doorheen. Toen begon ik zachtjes te zingen. Om te kijken of het open wilde. Er schokte iets in me, steeds heviger. Tot ik huilde. Het duurde niet langer dan tien seconden en het was even plotseling voorbij als het gekomen was.

Een Fransman op het feestje wilde opmerkingen maken over mijn kleding, maar hij sprak te slecht Engels en was te dronken om dat te doen. We waren aan het tafelvoetballen en hij kwam bij ons staan. Hij begon tegen ons aan te praten alsof hij niet doorhad dat we bezig waren. Toen hij erachter kwam dat ik Nederlands was, vroeg hij of wat ik droeg een soort nationale outfit was. We wimpelden hem af, maar hij kwam steeds weer terug.

‘I don’t want to hurt your feelings,’ zei hij. ‘But… I don’t know how to say it.’

Ik wou dat hij uit zou spreken wat hij dacht. Zodat ik hem kon overspoelen met argumenten om mijn bestaan te rechtvaardigen. Of hem een klap kon verkopen. Ik wou dat het minder invloed op me had. Pas nu, een dag later, voel ik mezelf weer opengaan en besef ik dat ik al die tijd dicht heb gezeten.

We speelden niet alleen tafelvoetbal, we gingen ook armpje drukken en probeerden elkaar op één been om te duwen. Terwijl we aan het stoeien waren, was ik bang voor wat mijn vrienden van me dachten. Ik presenteerde me als vrouwelijk en stortte me vervolgens met een machoachtig fanatisme in de strijd. Het is niet alleen dat ik mijn femme-zijn kan toelaten als ik me veilig voel, realiseerde ik me. Het werkt ook andersom. Ik ga me mannelijker gedragen in een onveilige situatie. Ik liet zien dat ik mezelf kon verdedigen.

Wat ik me nu pas realiseer: dat de dronken Fransman een perfect beeld is voor de onveiligheid die ik ervaar. Een constant aanwezige, zichzelf opdringende maar ongearticuleerde dreiging.

Het is niet alleen verdriet. Ik wil ook schreeuwen. En het is niet enkel mijn eigen gender waar ik om rouw.

Ineens staat Jordi naast me. Hij is op weg naar de universiteit. Ik zet mijn zonnebril af en klets met hem. Ik denk dat hij de vochtigheid in mijn ogen wel ziet. Hij neemt snel afscheid.

Ik blijf een tijdje zitten zo. Met mijn zonnebril af. Het is net een stapje verder dan ik durf.

Ik ga zo moe zijn als ik thuiskom.

We zien de balk die, dag voor dag, steeds een stukje verder uit het ijs omhoog lijkt te schuiven. We snappen: dit is geen lont. Dit is een geboorte.

De balk komt los van het ijs op een late middag. Hij steekt tien meter de lucht in en begint te kantelen. Voorzichtig laten we hem in onze armen zakken. We zorgen dat hij het ijs niet raakt. Hij glimt zachtjes in onze armen. Kraakhelder.

Fondation Biermans-Lapôtre – kamer 502, 24-07-2020

Ik lig in bed. Leg mijn handen op mijn buik. Op mijn heupen, op mijn dijen, op mijn borsten. Ik zoek naar waar ik zacht ben. Ik raak mezelf aan. Trek mezelf af. Maar het opwindendste dat ik kan bedenken is dat het iemand anders is die ik aftrek. Ik sluit me af voor mijn onderlichaam. Dat stuk lijf is van iemand anders. Nadat ik ben klaargekomen, voelt mijn geslacht lomp en gevoelloos aan, als een arm die afgeklemd heeft gezeten, maar dan zonder het tintelen. Ik sta op en zet het raam open. Je kunt ruiken dat het heeft geregend. Ik ga weer in bed liggen, maar slapen lukt niet.

Tegen de ochtend, als ik eindelijk in slaap ben gevallen, heb ik een droom. In de droom maak ik deel uit van een spel. Ik heb een schrift in mijn handen dat de anderen moeten afpakken. Ik ren de zaal uit en ze achtervolgen me. Maar ik ren niet hard. Het is de bedoeling dat ze het schrift te pakken krijgen. In een gang halen ze me in. Ze werken me tegen de grond. Een vrouw houdt mijn handen op mijn rug en drukt me tegen de vloer. Ze pakken het schrift af en rennen terug, naar de volgende stap in het spel, maar de vrouw blijft zitten. Ze schuift mijn rok omhoog en begint op mijn billen te slaan. Ze slaat heel precies, steeds weer opnieuw op dezelfde spier. Een spier waar spanning op staat. Na een tijdje houdt ze op. Ik draai mijn hoofd om, voor zover dat mogelijk is. Haar gezicht is vlak bij het mijne. Er gloeit iets achter haar ogen.

‘Ik wist niet dat ik dat fijn kon vinden,’ zegt ze.
‘Ga alsjeblieft verder,’ zeg ik. Ze slaat nog een paar keer. Tot ze ineens ophoudt en wegrent. Ik blijf op mijn buik op de vloer liggen.

Maar de balk was toch ook een lont. Dat merken we als we twee dagen later ‘s ochtends naast het meer staan en de matgrijze kopjes van drie nieuwe balken uit het ijs zien steken. Er is daaronder iets ontstoken.

Het bevroren meer. Een grijswit gespannen doek. Waar ijzeren balken als stoppels doorheen duwen.

Square Ferdinand Brunot, 28-07-2020

Het is het heetste moment van de dag en het waait hard in de stad. Ik geniet van de momenten dat ik de hoek om sla, een brede straat in, en een windvlaag mijn lichaam raakt. De stof van mijn jurk is dun. Als de wind de stof in beweging brengt, lijken de plooien rimpels op het wateroppervlak van een beekje.

In het midden van het park bevinden zich een zandbak en een glijbaan. Aan de randen: bomen, een tafeltennistafel, fitnessapparaten. Het is een plek waar mensen hun lunchpauze doorbrengen. Ik moet even zoeken tot ik een plek heb gevonden waar ik kan liggen, want het gras is dun en droog. Een ruilbibliotheek. Beelden. Een buste van Pallas Athena met een gewaad waar haar tepels doorheen schijnen. Het grind op het pad is aangeharkt.

Voordat ik naar Parijs kwam, had ik nooit zo’n last van dysforie. Soms voelde ik me onprettig in mijn lichaam, incompleet of onzeker, maar mijn partner kon me precies zo aanraken als ik nodig had. Tijdens de lockdown was zij de enige die me aanraakte. Ik kwam alleen buiten om boodschappen te doen.

Nu ben ik hele dagen buiten en speelt de dysforie op als ik weer alleen op mijn kamer zit. Op die momenten voel ik wat het met me doet om steeds weer niet gezien te worden zoals ik ben. Ik neem die blikken mee naar binnen. Dan schiet mijn lichaam ineens tekort en kan ik mezelf niet meer ervaren zoals ik ben. En vervolgens bel ik met mijn partner om te kunnen toelaten hoeveel dat me raakt.

Het is een spel met veiligheid. In de veiligheid dingen ontdekken, die ik vervolgens mee naar buiten neem, waarna ik die ervaring weer terug mee naar binnen neem om te verwerken. Waaruit vervolgens weer nieuwe ontdekkingen voortkomen. De inwaartse beweging is precies dezelfde als de uitwaartse beweging. Als een pingpongballetje dat je diep onder water houdt, waarna het omhoog schiet zodra je het loslaat.

Als ik bij mijn partner ben, is mijn lichaam maar een detail. We hebben onze eigen taal ontwikkeld, die bestaat uit woorden en aanrakingen. Deze taal kan haast alle dysforie in zich oplossen. Hier, buiten de veilige omgeving, ontbreekt de juiste taal. Dat is een tekort dat ik zelf nog niet kan opvullen. Daarom raakt het me als ik ‘hij’ word genoemd. Het is een ontkenning van hoe ik mijn lichaam ervaar. En die ervaring is teer. Zie dan maar eens direct te zijn en iemand te corrigeren, op het moment dat ergens diep in jezelf een zwaar luik dichtvalt.

Disclosure is een documentaire over de representatie van transgender personen in media. Ik zag hem twee weken geleden voor het eerst en de documentaire blijft door mijn hoofd spoken.

Actrice Laverne Cox vertelt dat er momenten waren, zeker in het begin van haar transitie, waarop ze een metro in stapte en mensen simpelweg in lachen uitbarstten. Alsof haar bestaan een grap was. Er spreekt een diepe kracht uit de rationaliteit waarmee Cox en de andere geïnterviewden hierover spreken. Het bestaan van zulke allesbehalve unieke reacties op transgender personen is namelijk te verklaren. Kun je een sitcom noemen waarin er op het moment dat personages erachter komen dat iemand die ze net hebben ontmoet trans is, geen lachband afgaat?

Ook wordt The Crying Game besproken. In deze misdaadthriller wordt een man verliefd op een vrouw. Op het moment dat ze samen in haar slaapkamer zijn en de man erachter komt dat ze trans is, moet hij kotsen. Sta hier even bij stil. Hoe diep moet een afkeer zijn als je lichaam het overneemt en je je maaginhoud naar buiten werpt? The Crying Game heeft veel prijzen ontvangen voor het script. Waarschijnlijk was het de bedoeling om een oprechte portrettering van een trans persoon te maken.

Disclosure laat zien hoe deze scène een reeks van nieuwe scènes in andere films en series heeft voortgebracht, waarin mensen moeten kotsen als iemand trans blijkt te zijn. Een voorbeeld daarvan is Ace Ventura: Pet Detective. De grote grap aan het einde van de film is dat de vrouw op wie Ace Ventura een oogje heeft de bad guy blijkt te zijn, die in transitie is gegaan om weg te komen met een misdaad. Op het moment dat Ace Ventura erachter komt dat ze trans is, volgt een lange scène waarin hij op allerlei manieren probeert over te geven. Vervolgens wil hij haar outen in het bijzijn van een groep mensen, door haar kleren uit te trekken. Ace Ventura trekt haar shirt uit. Ze heeft borsten. Ace Ventura trekt haar broek uit. Er is niets te zien. Ace Ventura draait haar om. Haar geslacht blijkt tussen haar billen getuckt. Waarna iedereen in de groep begint te kotsen. Deze film is een comedy die gemaakt is voor kinderen.

Toen ik de documentaire zag, raakte het me nauwelijks. Pas vannacht kwam het binnen. In een droom was ik op bezoek bij de karatedocent van wie ik als kind les had. Hij is een imposante, maar ook zachtaardige man met een zwarte band. Ik heb nog steeds contact met hem en weet dat hij me steunt. We eten en het is gezellig. Maar toch ben ik steeds bang dat hij boos op me is. Het zit in kleine dingen, de manier waarop hij stiltes laat vallen. Ik weet dat het een irreële angst is, hij is gestrest. Bij de koffie, voor hij me naar het station brengt, vertel ik over Disclosure. Over de ervaring die zo scherp duidelijk werd. Hij snapte het. En ik voelde mijn eigen pijn.

Het gras waarop ik lig ruikt zurig. Op de bankjes zitten groepen toeristen met rolkoffers die aan het wachten zijn op de bus naar het vliegveld. Ik krijg appjes binnen van werk dat ik probeer te vergeten. Dit park doet nog het meest denken aan een uit de kluiten gewassen kantoortuin. Hier kan ik niet blijven.

De juiste aanraking: een hand die over mijn buik naar mijn borsten toe glijdt terwijl ik mijn rug krom, mijn lichaam uitstrek voor die hand.

De juiste woorden: het benoemen van de borsten die ik niet heb als dat wat ze uiteindelijk toch voor me zijn, borsten. Ik noem mijn eigen geslachtsdeel al lang geen piemel meer.

Er zijn zoveel balken dat we het ons niet meer kunnen veroorloven om de dans met zijn allen uit te voeren. We moeten ook eten. Het grootste deel van de groep is bezig met hun normale taken. Maar er lopen paren over het bevroren meer. Bij elke balk zie je twee silhouetten. Het enige moment dat we weer met zijn allen op het ijs zijn, is als een balk van het ijs gaat loskomen. Ze zijn allemaal even lang, dus we kunnen erop anticiperen. Dan verzamelen we ons rond die haast volledig glimmende balk en wachten we tot we hem in onze armen kunnen laten zakken.

We weten niet eens of we de balken echt mooi vinden. Maar het feit dat we iets mats kunnen laten glimmen, vinden we prachtig.

Parc Kellermann, 29-07-2020

Het park is gelegen rondom een stenen stadswal. De ene helft van het park ligt ongeveer tien meter lager dan de andere helft. Smalle trappetjes lopen langs de wal naar beneden. Water uit een fontein boven zou normaal gesproken langs een watervalletje naar een bassin onder aan de wal stromen, en vanaf daar naar een vijver, maar de fontein staat droog. Ik loop in de lengte door het park en zie hoe de resten van de wal uit het zicht verdwijnen. Ook het hoogteverschil verdwijnt. Ik kom uit op een groot voetbalveld met kunstgras. Het park, dat omringd wordt door een hek, heeft een muur in zich opgenomen die langzaam oplost.

Sinds ik in Parijs ben, heb ik intense dromen. Pas nu zie ik de lijn erin. Ik ontmoet mensen in die dromen.

Begin van de week was het de leidinggevende op mijn bijbaantje. Hij is een man die zelfs met het warmste weer een overhemd en lange broek draagt. De laatste keer dat ik hem sprak, hadden we het over mijn kleding, die hij niet professioneel vond. Dat lag niet aan het feit dat het vrouwenkleren waren, zei hij, maar aan het feit dat ze niet verzorgd genoeg waren. De ongelijkheid van zo’n gesprek, waarin ik mijn best doe om niet te huilen en hij een praktisch onderwerp bespreekt. Maar hij zei wel, naar aanleiding van een opmerking van een collega over een rok die ik droeg: ‘Als jij geen rok mag dragen, dan mag niemand dat.’ Van alle gesprekken die ik met hem heb gehad, kwam die opmerking het dichtst in de buurt van solidariteit. In de droom ging hij nog een stap verder. Hij zei dat ik een mooi mens was.

Ik leer hiervan. Dat sommige mensen welwillender zijn dan ik denk. Ook al spreken ze mijn taal niet. Het is moeilijk om daarop te vertrouwen. Wat ik ook aan het leren ben: zelf mijn eigen taal spreken.

Ik weet niet hoe het kwam, maar gisteravond kon ik het. Ik had net gedoucht. Ik zat aan mijn bureau en schreef in mijn dagboek. Ik had alleen een shirt aan. Op een gegeven moment legde ik mijn hand tussen mijn benen. Op mijn clit. En ik kon voelen op welke manier ik daar aangeraakt wilde worden. Ik was niet gericht op klaarkomen. Niet gericht op aftrekken. Ik had helemaal geen doel, alleen maar voelen wat prettig was. Ik wreef over mijn clit. Drukte haar tegen mijn buik. Ik hield mezelf vast en leunde achterover.

Daarna viel ik zonder enige moeite in slaap. Tegen de ochtend had ik weer een droom. In de droom was ik samen met een vriendin. Wat we deden weet ik niet meer, maar ik herinner me dat we vrolijk en ontspannen waren. We waren dicht bij elkaar en hadden plezier. We zoenden. En toen noemde ze me ‘meid’. Op de meest casual manier. En ik voelde me zo gelukkig. Ik vertelde haar dat het me raakte en toen keek ze me aan. En zei het nog een keer. Want ze wilde me aanspreken zoals ik ben.

Ik voelde me zo zacht toen ik wakker werd. Het was moeilijk om op te staan. Ik had daar tijd voor nodig. Mijn lichaam voelde zacht en mijn deken ook. Ik had hem opgetrokken tot aan mijn oksels, met mijn armen erboven. Als een om de borst geslagen handdoek. Uiteindelijk liet ik de deken van me af glijden.

Nu zit ik op een bankje aan de rand van het park en het is lastig om die zachtheid vast te houden. Ik zit met mijn rug naar de straat, met mijn gezicht naar het asfaltpad en de bomen. Auto’s rijden achter me langs. Een piepende fiets. Naast me wordt een prullenbak geleegd. Een zachte wind steekt op. Verdroogde bladeren waaien langs voor mijn voeten.

Het zal een jaar geduurd hebben voor er zich geen nieuwe balken meer aandienden. Elke ochtend lopen we een ronde over het meer, maar het blijft leeg. De vierkante gaten zijn dichtgevroren. Op ons dorpsplein heeft zich een overweldigende stapel verzameld. Die reikt hoger dan de meeste huizen. We kijken ernaar met een zekere verbijstering. De balken glommen en ze zijn blijven glimmen. ‘s Nachts kunnen we ze zien vanuit de open ramen van onze slaapkamers. Wat we ermee gaan bouwen, weten we nog niet. Voor we in slaap vallen denken we daarover na. Iets massiefs, dat de lucht in zal reiken. Of een labyrint van palen, een bos haast, als we ze rechtop de grond in slaan. We snappen dat het eigenlijk niet uit zal maken welke vorm we aan de balken geven. Dat het iets prachtigs zal worden, weten we al.


Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren i.s.m. de stichting Biermans-Lapôtre.

Chris Lomans (1994) is schrijver. Afgelopen december verscheen hun chapbook Blijf de kou wegstrijken bij Wintertuin Uitgeverij. Samen met Smita James host Chris de podcast De Staat van het Verhaal.

Meer van deze auteur